het verraad op de oorzaak

door johan_velter

de-gerechtigheid-waarheid-verstand-geketend_albrecht-durer

Herman Teirlinck is ook voor de vroegere en huidige wereldbeschouwelijke vorming van België en Vlaanderen belangrijk, te meer omdat hij ons inzicht kan geven in wat door de Antwerpse universiteitsnationalisten met Hugo Claus gedaan wordt. Er wordt over diens haat-liefdeverhouding tot Vlaanderen nogal wat onzinnigheden verteld – niet helemaal is Claus zelf onschuldig. Teirlinck, en daarvoor kunnen we alweer de essaybundel Ode aan mijn hand (Manteau, 1963) gebruiken, toont hoe de Vlaamse cultuurpolitiek – wat nog altijd iets anders is dan het nationalisme, het provincialisme (in beide betekenissen) en het citisme waarvan de gruwelen slechts sprookjes zijn – een op taal en intellect gebaseerde politiek moest zijn. Het Nederlands werd niet om essentialistische redenen naar voren geschoven, maar omdat het ook de taal van het denken en de kunst kon en moest worden. Vlaanderen had immers niets: het Frans was geen alternatief. Het Frans was de onderdrukkingstaal van de bourgeoisie, het kapitaal én de kerk. Men spreekt over de verfransing maar dat is onzin: het volk werd, zoals men de allochtonen nu in hun eigen taal opsluit, in een dialectische val gesloten. Men denkt toch niet dat de zogenaamde verfransing er in bestond om de gewone mens Voltaire, Diderot, d’Holbach of Pascal te laten lezen – want zelfs nu zijn deze schrijvers in Vlaanderen, o welig land, verboden literatuur. Het Frans duidde een scheiding aan: daar het crapuul, hier wij.

De ‘Vlaamse koppen’ streefden naar een Nederlands dat in staat zou zijn om gelijkwaardige literaire werken te schrijven, gelijkwaardige denkprocessen op te bouwen, gelijkwaardige civilisatievormen te ontwerpen – gelijkwaardig vooral toch aan de Franse cultuur. Daarvoor moesten de achterlijke dialecten geslecht worden – de terugkeer en verheerlijking van de dialecten kadert in een rechtse politiek en is verbonden met een essentialisme, dus een metafysica, in marxiaanse termen: valse ideologie. Dat dit taal- én cultuurstreven een nationalistisch achterafkader kreeg, is niet te ontkennen. Alle denken word door de macht gecorrumpeerd, de denkers vernietigd.

In die essaybundel uit 1963 schreef Teirlinck het essay ‘De culturele problematiek in Vlaanderen’ – en meer dan een kwarteeuw later is deze problematiek uiteraard onbestaande geworden. Teirlinck spreekt hier om de redenen waarom hij en een aantal vrienden de Arkprijs van het Vrije Woord hebben geïnstalleerd – een prijs die helaas ook gedegradeerd is tot een prijs voor goede mensen en nauwelijks nog iets met cultuurpolitiek te maken heeft.

Het vrije woord, dat overigens ook door het Humanistisch Verbond, en dus de loge, zou moeten verdedigd worden, wordt in een belijdenis ondergebracht – vandaag de dag lezen we dit met een onpathetisch oog maar met een kennis die gelijk staat aan die van Menno ter Braak en Walter Benjamin, de formulering is soms aandoenlijk maar had Teirlinck geweten dat zelfs dit simpele in 2016 vermoord zou zijn, hij had zich misschien wel de moeite bespaard. Een paar citaten.

“Wij heiligen het Vrije Woord. Het Vrije Woord binnen de perken van de menselijke waardigheid en het wederkerig huldebetoon. Wij aanvaarden elke discussie maar weren elke dwang. […] De waarheid zoeken wij in ons, – in het licht van ons geweten, in een harmonische betrachting van rechten en plichten, in onze liefde voor alle mensen, in onze moedige aanvaarding van het leven. Een geboeide waarheid erkennen wij niet.”

Hij kadert dit in een algemene politiekkritiek en wat hij om zich heen ziet, kan hij nu vandaag vanuit zijn doodskist nog steeds aanschouwen (maar natuurlijk niet in Vlaanderen, het land der vrijheidsstrijders) – de menselijke domheid en machtswellust zijn echter géén eeuwige waarheden: civilisatie is mogelijk.

“Wij vrezen in de eerste plaats de autoritaire uitspattingen van het vervaarlijk één-dags-monster, de politiek, die elke morgen uit zijn corrupties verrijst, zijn partizanen in dwangbuizen steekt, kleppen aan hun ogen vestigt, en hun tong voorziet van leuzen die de reuk hebben van het vuur en de smaak van bloed.” Herman Teirlinck beschrijft een Bosch-tafereel.

“Wij vrezen alle machten, ook die welke wij hoopvol hebben aanvaard en daarom wisten te eerbiedigen, – zodra zij verraad op hun oorzaak plegen en uitmonden in despotisme en dictatuur.”

Nogal omstandig en plechtstatig spreekt Teirlinck, maar lees dit met intelligentie want Teirlinck beschrijft hier ook de omkering van noodzaak en functie (middel en doel) : het verraad plegen op de oorzaak is wat vandaag de dag in het consumptiekapitalisme gebeurt. De ontaal van Orwell, het misbruik van de instellingen.

Hoe komt het dat we plots aan Lucebert moeten denken?

voor salman rushdie

in de schaduw van de grote Idee of grote God
staan kleine maar venijnige fanaten
die het ringeloren niet kunnen laten

oh Vrijheid hun haat moeten wij uit Uw naam haten
zo dat zij de Geest geven aan wie die toebehoort
aan allen die Waarheid vinden door het vrije Woord

Beeld: Gerechtigheid, Waarheid en Verstand geketend, 1521-1528, toegeschreven aan Albrecht Dürer

Advertisements