handzaamheid

door johan_velter

hand_lucebert_oktober-1964

‘Ik loof je, moede hand.’ Zo begint de ware meester van de Nederlandse literatuur zijn opstel Ode aan mijn hand (Manteau, 1963). In tegenstelling tot anderen, maar in overeenstemming met zijn  eigen levensopvattingen (de decadent, de dandy, de ijdele, oude man) ziet hij niet langer schoonheid, maar enkel verval, lelijkheid en het teloorgaan van alle kracht. Herman Teirlinck was bij verschijnen van dit boek 84 jaar, 3 jaar later zou hij sterven. En toch waardeert hij de hand, niet als werktuig, ‘Immers, je bent veel meer dan een werktuig.’ De handen zijn een hulp voor de zintuigen maar ze zijn toch hun meester. Handen liegen niet. Kijk naar de handen bij een betoog en je ziet de leugenaar, de verderver van de waarheid, de manipulator die terreur, intimidatie en leugen installeert, zijn valse glimlach wordt niet naar de handen overgebracht – de handen zijn beschaamd bij zoveel smeerlapperij, zelfs de handen van de honden. Kijk naar de handen bij een betoog van de waarheidsbrenger en je ziet zijn gedachten als engelen dartelen.

Teirlinck looft de daad die door de hand teweeggebracht wordt – want in de daad, niet in het woord, ligt de waarheid, worden kunst en leven bewaarheid. ‘De schrijver is onderworpen aan de nood slechts schrijvende te vinden; slechts te vinden wat hij schrijft. […] wat de hand schrijft.’ Wie met de handen werkt, weet dat zij een eigen weg kunnen gaan, woorden op het papier zetten die pas achteraf begrepen en misbegrepen zullen worden. ‘En het is de hand die de vindende daad stelt en het beeld in zijn uiteindelijke vorm bevestigt.’

De hand maakt tekens, geeft inhoud en ís inhoud – de vorm is betekenis. Maar de hand is, i.t.t. de stem, stil en bescheiden. Zonder de hand geen schrift, zonder schrift geen civilisatie, zonder civilisatie geen mens. ‘Ik loof je om je onverstoorbaar geduld, gedweeë hand. […] Ik spreek niet van een morele eerlijkheid, maar van een echtheid, die boven elke moraal is verheven en nog bezield is van de goddelijke adem.’ Teirlinck beschrijft hoe er een kunst van het hart en een kunst van het hoofd is maar hij overstijgt dit domme dualisme door een ‘kunst van de hand’ te benoemen. ‘Je dwingt de geest zijn dwingelandij af te zweren.’ Maar tegelijkertijd beseft Teirlinck dat de hand die de machine heeft ontwikkeld door de eigen uitvinding verpulverd zal worden. Hij spreekt de hand aan: ‘Jouw perfectie is er een die door haar fouten menselijk is gebleven.’ En zo nadert de oude schrijver het nu en in zijn pleidooi voor de hand (de schoonheid), de ambachtelijkheid en de eerlijkheid lezen we in de knop het boek The craftsman van de filosoof Richard Sennett.

hand_lucebert_15-01-1963

Beeld: Lucebert, inkttekening oktober 1964 en 15 januari 1963

Advertenties