woorden tellen : de brieven van samuel beckett (deel 4) (a)

door johan_velter

samuel-beckett_drawing_1

Met het vierde deel, The letters of Samuel Beckett 1966-1989 (ed. by George Craig, Martha Dow Fehsenfeld, Dan Gunn and Lois More Overbeck, Cambridge University Press, 2016), is het project van de briefwisseling van Samuel Beckett ten einde. De redactie waarschuwt in het voorwoord dat we niet meer de grote, inhoudelijke brieven met een dominante correspondent moeten verwachten, (zoals in vorige uitgaven) maar dat we een auteur zien verschijnen die overstelpt wordt door aandacht en zich tracht te verdedigen tegen die buitenwereld. Tevergeefs. In 1969 krijgt Beckett de Nobelprijs en dat genereert weer een ander soort briefwisseling, korte briefjes, dankwoorden, vriendelijkheden. Tegen zijn vroegere correspondenten klaagt hij – maar toch, plichtbewust beantwoordt hij de post.

De brieveneditie in 4 delen is niet de volledige correspondentschap. De redactie heeft een keuze gemaakt en we kunnen alleen maar veronderstellen dat men een evenwichtige en intelligente selectie gemaakt heeft. Het is inderdaad onzin om alle geschreven afspraken te publiceren, of de zoveelste herhaling, of de louter plichtmatige. Toch lezen we een groot aantal van deze brieven, dan verlaten we de inhoudelijkheid en zien we een biografische bezigheid aan het werk. Ook dat is een doelstelling van een brievenuitgave.

Net zoals in de vorige delen wordt in het voorwoord een kader geschetst: wat we mogen verwachten, hoe we dit moeten duiden, hoe aangrijpend de teksten zijn. Soms laat de redactie iets doorschemeren van de emoties: hoe men lezen kan dat het lichaam van Beckett aftakelt, hoe hij de dood aanvaardt, de pijnen doorstaat. We lezen ook zijn vertwijfeling over de achteruitgang van zijn  zicht, hoe zijn schouder geblokkeerd raakt, hoe zijn handen klauwen worden.

De editie maakt Beckett niet kleiner (‘hij is ook maar een mens’), ook niet groter (‘de grote schrijver’) maar toont hem zoals hij (waarschijnlijk?) was: een mens die alleen maar schrijven kan (zoals hij zelf zei) en dat zo goed mogelijk wilde doen – die telkens weer moet zien hoe dit mislukt. De intelligentie van deze redactie is groot, we lezen respect en bewondering maar ook een menselijke relativiteit. De redactieleden zijn kenners van het werk, ze willen dit werk eren en houden Beckett verborgen in de zin dat ze hem beschermen, ze beschouwen hun ‘onderwerp’ niet als een object maar als een subject.

De Nobelprijs wordt niet bijzonder geproblematiseerd door de redactie alhoewel we moeten inzien dat de toekenning ervan voor Beckett een verlies was: door de prijs, werd deze ‘literatuur van het verlies’ geprezen als een ‘literatuur van de overwinning’ en dus kreeg dit oeuvre een andere weerklank: dat van het succes. Applaus is geen argument.

Er is schamper gedaan geweest over de laatste teksten van Beckett, omdat ze zo schraal waren, omdat de boeken die uitgegeven werden, nauwelijks meer dan de omvang van een a4 waren. De brievenuitgave maakt dit alles echter duidelijk en aannemelijk. De ernst van de schrijver mag niet onderschat worden, ook de existentiële betekenis ervan blijft overeind.

De redactie is bijzonder teruggetrokken, hoe paradoxaal dit ook moge klinken, over het werkelijke leven van de schrijver, daarmee doelend op zijn relaties met vrouwen – meerdere. Dat pleit voor hun intellectuele ernst: het gaat om het werk, niet om de persoon. We lezen in een aantal brieven echter ook de grote en gevoelige affectie die Beckett voor hen had. We lezen eveneens een andere cultuur, niet die van hen en van nu. Hoe dan ook was de vrijheid groter en was de zichtbaarheid van het persoonlijke nog niet verworden tot voer voor mestkevers.

De redacteurs wijzen ook op een grote lacune in de brieven van Beckett. Zelfs tijdens ‘Mai 1968’ lezen we nauwelijks iets over het oproer, terwijl de straatgevechten praktisch voor zijn deur plaatsvonden. Voor Beckett was dit alles natuurlijk geen hoop – wat interesseerde hem die smeerpijperij? Dat betekent niet dat Beckett niet weldenkend was (weldenkend is het tegenovergesteld van het politiek correcte denken): natuurlijk verafschuwde hij de oorlog, Nixon en had hij geen fiducie in de Franse politiek. De eisen van de studenten waren volgens hem gerechtvaardigd, hun acties belachelijk.

Het werk van Samuel Beckett wordt dikwijls geassocieerd met armoede, net alsof hij de lagen onder de burgerij wilde tonen. Dat is uiteraard onzin. Hij toonde integendeel de wereld van de overbodigheden, de rommel, de nutteloosheid. In Happy days (1961) is dit bijvoorbeeld duidelijk. Willie leest de krant (tijdverlies, trivialiteiten), Winnie heeft een draagtas met een parasol, een borstel, een revolver. Allemaal dingen die ze niet nodig heeft en waaronder ze ook begraven wordt: verzinkend in de heuvel van moeras. En men kan de proef op de som nemen. Verbeeld je Donald Trump als Willie, en zijn vrouw Melania als Winnie – de kracht van cultuur als ontmaskeraar – en je beseft hoe waar dit is.

Er is als karakteristiek van dit oeuvre, de naaktheid maar men kan ook de dingen die de personages omringen, als een karakteristiek zien: het zijn instrumenten tot menswording, het zijn instrumenten tot mensvernietiging. De opkomende consumptiemaatschappij is in dit werk te lezen. Die naaktheid is ook een ‘romantische’ karakteristiek van het oeuvre. Beckett toont de naaktheid als de natuurlijke mens, hij die ontdaan is van cultuur, vooral echter van maatschappij. Zijn figuren zijn voorbij goed en kwaad, ze ‘doen’ niets – de grote maatschappelijke zonde. Maar waar de romantiek open is, is het werk van Beckett gekarakteriseerd door densiteit, het is gesloten, in zichzelf gekeerd, de grappen hebben betrekking op dat wat daar en dan gebeurt. Het heeft een spiraalvormige schelpvorm (de romantiek heeft een horizon als eindpunt): er wordt geëxploreerd naar binnen, niet naar buiten. Het innerlijke leven heeft bij Beckett echter niets te maken met psychologie (Hugo Claus heeft hetzelfde gedaan – beiden zijn antimodernisten) maar beschrijft situaties, toestanden.

Beter is – en het werk van Beckett heeft meer met dat van Descartes te maken dan enkel maar het gedicht ‘Whoroscope’ – te spreken van een beschrijving van mentale toestanden – en ook daardoor verwijdert Beckett zich van de (traditionele) romantiek. De paradox is deze: de traditionele romantiek gaat over daden, handelingen (het mogen ook wandelingen zijn), emoties, gevoelens. Er is een ik-betrokkenheid, een zelfverdediging, de maatschappij staat tegenover het ik, zij zijn kwaad en ik ben goed. Bij Samuel Beckett gaat het enkel over woorden (De stukken Acte sans paroles I en II lijken hierop een uitzondering maar zijn dit niet omdat de afwezigheid van woorden en geluiden die juist weer bevestigen, ook omdat deze stukken binnen een oeuvre geplaatst moeten worden). Er is geen sprake van zelfverdediging maar van beschrijving (Beckett staat dichter bij de sociologie dan bij de psychologie) die tot inzicht moet leiden (dat inzicht kent echter geen perspectief: het is de dood – de nabijheid van Thomas Bernhard). Bij Beckett zijn de lichamen bijna verdwenen en houden we enkel de woorden over – het stuk Not I toont enkel een mond. De naaktheid van de mens is het bewustzijn, is de geest waarin alles gebeurt én niet gebeurt. De taal is bij uitstek het cultureel gegeven. De naaktheid, de oervorm van de mens, is voor Beckett daarmee de taal, dus de cultuur. De mens is geen rede-loos wezen, hij raaskalt niet, wat hij te zeggen heeft, is zinvol. Dat ‘driestuiversverstand’ praat, spreekt, analyseert, constateert, is altijd aanwezig.

Advertisements