een meester van het laconisme

door johan_velter

jean-echenoz

Je m’en vais (Minuit, 1999) van Jean Echenoz begint en eindigt met dezelfde woorden. Driemaal scheepsrecht. De schrijver behoort tot dezelfde familie als Patrick Modiano, de stijl, de stijl en niets dan de stijl. Zijn er verhalen bij Modiano? Jazeker, maar is er een uitkomst, een begin en een corps? We kunnen er de hand niet op leggen. Elk boek van Modiano  is, zegt men, hetzelfde, maar dat is uiteraard niet waar, wat hetzelfde blijft is de mens, dus de stijl. Een uniforme stijl opleggen of propageren, is de mens doden. En ook die stijl verandert, lees maar terzelfdertijd een vroeg en een laat boek van Modiano, en toch hebben we de zekerheid dat het om dezelfde schrijver gaat. Het is de stem die niet te vatten is, de ondertoon, de humus die spreekt. Samuel Beckett in zijn stuk Peinture et regard (1966): « L’art n’est rien. C’est un souffle. Il passe par le souffle et reste dans le souffle. » En toch stoppen de barbaren de kunst in een economisch kader.

Bij Jean Echenoz hebben we eenzelfde ervaring. Alhoewel er bij hem wel een verhaal is (maar waar zowel begin als einde in het ongewisse blijven – een mensenleven begint toch ergens en eindigt ook op tijd), is dat verhaal werkelijk bij het haar getrokken. Niet zoals het Vlaamse realisme, alles blijft geloofwaardig binnen het boek maar zet een denkstap in de werkelijkheid en je hebt een ongeloof. Maar wat kan ons dat schelen? Echenoz schrijft in de medeplicht van de lezer, hij en wij zitten in het complot van de verbeelding én het plezier, de lach, de vreugde te kunnen vertellen en zich niet noodzakelijk aan de opgelegde logica te moeten houden. Dit plezier is leesplezier maar ook de vreugde van de schrijver die ons deelgenoot maakt van zijn complot, want elk boek is dat toch. Echenoz vervreemdt de lezer van de traditionele literatuur om zelf in het verhaal binnen te komen, hij schrijft dat hij de gebeurtenissen uitvindt maar dat hij ook niet alles weet. Hij laat ons perplex staan, hij neemt ons weer mee, hij ondergraaft zijn eigen tactieken (wat zijn eigen tactiek is) en er is vooral de stijl. Het laconieke, het langs de neus weg melden van toch niet-evidente feiten, gezegd met een samenzweerderige glimlach. De lezer wordt bedot maar schrijver en lezer hebben er plezier in. En zo staat dit oeuvre in de grote romantraditie die door Milan Kundera is uitgetekend en waarvan Denis Diderot de overheersende pater familias is.

Ook Envoyée spéciale (Minuit, 2016) begint met een zin als een klok: « Je veux une femme, a proféré le général. C’est une femme qu’il me faut, n’est-ce pas. » En het is helemaal anders dan men verwachten zou, zelfs de generaal verdwijnt uit het zicht – om pas later in het boek terug te verschijnen en dan wordt het verhaal snel afgehaspeld, dat verhaal dat onwaarschijnlijk is, tegenstrijdigheden bevat en psychologisch niet bestaat. De vreugde een boek te kunnen lezen zonder psychologische blubberbumbum !

De auteur is overduidelijk aanwezig, de laatste zin van hoofdstuk 2: « C’est qu’elle ne peut jamais se retenir, Constance, d’avoir ce genre d’idées, nous avons bien compris qu’amoureusement elle est insatisfaite. ». De ironie is duidelijk en maakt veel verklaringen en andere humperpeding overbodig. En het begin van het volgende hoofdstuk is dan: « C’est maintenant sur le mari de Constance que nous allons nous pencher, si vous le voulez bien. ». Echenoz steunt op (doet alsof) de orale traditie : hij schrijft literatuur alsof hij aan een keukentafel aan het vertellen is, hij betrekt ons als lezer en als toehoorder bij het verhaal. Maar het onthutsende is dat hij die deregulerende stijl niet agressief toepast maar op een welwillende, vriendelijke manier. Hij is de verteller die niet uitsluitend ex cathedra vertelt, maar ook zijn toehoorder bij het vertelde betrekt – die laatste heeft natuurlijk niets te zeggen: het is de valse wattenzachtheid. Op eenzelfde ‘zachte’ manier houdt hij er de spanning in: er is informatie nodig maar Echenoz stelt dit nog wat uit: « […], nous reviendrons sur ce point en temps utile. »

De agressiviteit, de rancune en de domwegge onnozelheid gaat Echenoz niet uit de weg, maar hij formuleert het zo dat men over de zin van de zin heen leest: men bewondert de spiraalvorm van de gedachte maar eens de zin begrepen, komt die des te harder aan. Over het gevaar allochtonen in de metro te bekijken: « […] : ce qu’il y a de bien avec les enfants, c’est qu’on peut les regarder tant qu’on veut, même dans les yeux, on peut aller jusqu’à leur sourire sans redouter de représailles. Croit-on. Croit-on car en réalité, sous leur masque d’indifférence et de candeur ils vous repèrent, ils prennent des notes, se renseignent sur votre état civil, vous identifient au moindre détail près grâce à leurs super-pouvoirs, vous mettent en fiche, vous inscrivent sur leur liste et un jour ou l’autre, une fois adultes ou même avant, dès qu’ils seront en âge de régler leurs comptes, vous comprendrez votre douleur. »
Het is natuurlijk maar om te lachen – alhoewel, wie de laatste zin van het boek leest, weet wat Echenoz over de blik én dus over de tragiek van het hedendaagse te zeggen heeft. Of als hij cafégangers beschrijft: « […] la clientèle est essentiellement chômeuse et immigrée, l’une n’excluant pas l’autre, […].»

De auteur maakt ons deelgenoot van het schrijverswerk en van een soortement poëtica: « […], car rien n’est ennuyeux comme les récits de rêve. » Of: « Or nous, qui sommes toujours mieux informés que tout le monde, savons très bien où se trouve Clément Pagnol. » Echenoz ondermijnt de hele tijd de prozaïsche regels, niet door structuren te breken, de taal te verwensen maar door op een vertellende manier te vertellen dat dit een manier van vertellen is en daardoor is ook dit boek weer een ode aan de verbeelding, aan het doorbreken van regels. Echenoz beschrijft plastisch, niet door ellenlange beschrijvingen maar door de ruimte op een tersluikse manier binnen te brengen, ook dit doet de nabijheid gevoelen. Het negende hoofdstuk begint met « Nous revoici dans le département français de la Creuse. ». Niet Creuse is belangrijk, wel het « Nous revoici ».

Is dit grote literatuur ? Welnee, maar toch groter dan de pseudovertellingen die we hier moeten verdragen. Is een uur in de zon liggen zinvol? Zo zinvol is het lezen van  dit soort boeken: gekoesterd worden in warmte.

Echenoz maakt dat ‘we’ problematisch omdat het we-gebruik altijd problematisch is: wie zijn wij? Gaat het om de schrijver? Om de lezer? Om beide samen? Gaat het om de schrijver in een bondgenootschap met zijn personages? Is de schrijver zelf een personage?  Of staat het ‘wij’ boven alle partijen? « […], voici qu’on sonne à la porte de l’appartement – pas le californien, le nôtre. » Natuurlijk is dit de deurbel van de roman, maar toch, het is ook de deurbel van de schrijver – en zelfs onze deurbel kan rinkelen. Of de verontwaardiging die van het personage is, maar ook van de schrijver en dus van ons allemaal: « Bref regard réprobateur de l’avocat – et de nous tous, d’ailleurs, qui n’aurions pas imaginé cet aspect déplaisant de sa personne ‒, ». Jean Echenoz toont ons de mogelijkheden van een roman, hij spiegelt ons iets voor, maar besluit het dan toch niet te doen, merkwaardigerwijs komt daardoor de fantasie van de lezer op gang: « Oui, ç’aurait pu être une scène pas si mal. Quitte à la couper ensuite au montage. Bon, oublions. » En omgekeerd: « Nous ne prendrons pas la peine de décrire Pak Dong-bol : il ne va jouer qu’un rôle mineur et nous n’avons pas que ça à faire. ». De onthutsing : « Dès cet instant, nous perdons leur trace. ». Ook de schrijver wordt door de verbeelding belaagd.

Advertisements