taalstenen

door johan_velter

sfcdt_ilse-aichinger

» Sie konnte nichts leichtnehmen. «, schreef Michael Krüger in de FAZ van 12 november 2016. Ilse Aichinger is gestorven, Ilse Aichinger die op zoek moest gaan naar de goede woorden die wilde weten waarom de taal ons bedrogen heeft hoe de taal het mens-zijn heeft weggenomen dat de zinnen heroverd moeten worden om de kwetsuur van de mens te tonen. De schone Ilse Aichinger, de door de nazi’s vervolgde, de na de oorlog door de nieuwe barbaren vernederde dichter, de door het leven neergesabelde Ilse Aichinger. Als zij al ons verlaat, wat doen wij hier dan nog?

De Duitse cultuur staat soms dichter bij de Franse cultuur dan vermoed wordt. Beide culturen zijn geïmpregneerd van het werk van Samuel Beckett en hebben een eigen genre gecreëerd: dat van het nadenken over taal, stukken tekst die als een kei in de rivier liggen, die door de schrijver geciseleerd worden, door het lezen glad en ondoordringbaar worden. Er is een bondgenootschap tussen schrijver en lezer: beiden worden in het schrijf- en leesproces getrokken. De verhalen zijn geen verhalen met een begin, een midden en een slot maar zijn taalstukken waar nagedacht wordt over het schrijven en het leven. Deze literatuur is op zichzelf betrokken, ze is gekwetst en radeloos. Ze verdraagt geen leugens meer, de illusies doorprikt ze, de grote woorden gelooft ze niet. Ze staat niet ín de wereld maar is wereldbetrokken. Het is een reflexief schrijven en lezen en daardoor benaderen ze de filosofie en de ethiek. De stijl staat niet ten dienste van de spanning of van de lezer maar dient om de waarheid (die van de existentie) te achterhalen.

» Den Untergang vor sich her schleifen, «, is een typische zin van Aichinger maar kon even goed van Beckett zijn, of van Bernhard, of Hohl, of Nizon, of Pascal Quignard, misschien. En dan gaat Aichinger verder, nadenken over deze zin, hoe die beter geschreven kan worden maar dat weigert ze omdat dit leven hier en nu ook niet het beste is. Schopenhauer blaast zijn adem over deze woorden. Aichinger dus: » Ich weiβ, daβ die Welt schlechter ist als ihr Name und daβ deshalb auch ihr Name schlecht ist. « Het kwaad zit ook in de taal, het is de cultuur die de taal moet heroveren.

Het platvloerse vertellen, de anekdote en de pointe, daar deed ze niet aan. Haar teksten werken op een hoger, abstracter niveau, de allegorie benaderde ze bijna, waarover ze schreef was niet de mens maar via een omweg was het toch weer de mens die haar onderwerp was, de omweg zijnde de taal, de taal die ons geselt. En daardoor zijn haar boeken schrijnender dan wat hier en nu gewoon is. Plaats het leed in de kosmos en het leed wordt kosmisch. Er is een levensconditie, een denken en een voelen die meer waard zijn dan wat de 20ste eeuw (en ik zwijg van deze marteleeuw) de mens gegeven heeft. Er is een hunkering naar het goede, het schone, het ware.  Dat het onmenselijke geworden is.

Niet hier, niet nu. De dood wenkt. » Doch doch Joan glaube wir kommen voran. « (Gare maritime)

Advertenties