hugo claus en de merel (3)

door johan_velter

In 2002 verschijnt het bundeltje De groeten. Hugo Claus had voor deze 11 gedichten een honorarium van het Bert Schierbeekfonds ontvangen. De uitgever was Poetry International, bijgestaan door De Bezige Bij – omwille van de fondsen. Dit boekje werd uitgegeven ter gelegenheid van Gedichtendag 2002. De opdracht was om 10 gedichten te schrijven, Claus voegde er 1 aan toe. Het Bert Schierbeekfonds is een onderdeel van het Fonds der Letteren. ‘De Stichting heeft als doel het literaire klimaat in Nederland te bevorderen door bijdragen voor het maken van bijzondere letterkundige projecten te verstrekken aan letterkundigen, schrijvers en vertalers die het literaire klimaat in Nederland dienen. Ook kan de stichting bijdragen verstrekken aan organisaties die ten doel hebben het literaire klimaat in Nederland te bevorderen. Deze bijdragen kunnen slechts worden verstrekt voor concrete projecten en voor zover zij ten goede komen aan individuele letterkundigen, schrijvers en vertalers.’

Het 8ste gedicht, daarover gaat het vandaag, is getiteld ‘Inch Allah’

A capella:
‘De dorsende os zult gij niet muilbanden
Gij zult niet van den os op den ezel springen
Gij zult nooit als een ezel tussen twee oppers staan
Het hooi zal niet vanzelf naar de wagen gaan
Geen vlees in de kuip want het vlees is zwak Geloof niet dat de winnende hand mild zal zijn!’

Te koop:
Een eigenhandig gerepareerde kalashnikov
Een zelf herstellende microwave
Goudgevlekte lapis lazuli van Afghanistan
Landmijnen met 10 procent korting

Voorradig:
Polychroom 9 merels in een regenboog
Een ongewassen bruid

Voilà, verklaar dit onmogelijke maar. Geen poging.

Dit gedicht werd opgenomen in de bundel In geval van nood (2004), de subsectie ‘De groeten’ (p. 159-167, 2 gedichten werden uit de bundel gehaald, ‘Objet trouvé in de tram’ en ‘Ontdubbeling’. Het gedicht ‘Inch Allah’ hier werd slechts met 1 verschil opgenomen: ‘Landmijnen’ uit 2002 werd ‘Landmijn’.

Het gedicht bestaat uit een sextet, een kwatrijn en een distichon, telkens voorafgegaan door een titelwoord als ‘verklaring’: ‘a capella’, ‘te koop’, ‘voorradig’. De eerste term is te situeren in de katholieke muzieksfeer, 2 en 3 zijn winkeltermen.

De titel van het gedicht betekent: alles is de wil van god, zoals god het wil, als god het belieft. Er is een vorm van determinisme aanwezig, theologisch is dit predestinatie. Inch Allah is een groet en even dubbelzinnig als de titel van deze reeks. De groeten kan immers op 2 manieren gelezen worden. Als het meervoud van het zelfstandig naamwoord groet: er zijn verscheidene groeten en zo zijn deze gedichten, elk een groet, een menselijke nadering. Maar het kan ook op een andere manier begrepen worden, bij het afscheid roept men elkaar toe ‘de groeten!’, wat dan betekent ‘het beste!’ maar dan wel op een ongelovige manier: we moeten toch voorzichtig zijn, er zit in de groet een ondertoon van ongeloof en sarcasme verborgen. De titel haalt ons de actualiteit in, maakt ons bezorgd.

Boven de eerste strofe staat ‘a capella’, het zingen van het koor ‘zoals in de (Sixtijnse) kapel’, onbegeleid door muziekinstrumenten, enkel de menselijke stem is te horen.  Het contrast met de titel van het gedicht is groot want de muziekterm is onlosmakelijk verbonden met het katholicisme. De eerste strofe bevat 6 ‘spreekwoorden’. Opvallend zijn de aanhalingstekens, daarmee wordt deze strofe als 1 geheel gezien, het lijkt 1 blok citaat te zijn. ‘Normaal’ zou je verwachten dat elk spreekwoord apart tussen aanhalingstekens staat, of dat die er helemaal niet staan. Nu worden deze zes regels niet alleen via de vorm (een strofe) bij elkaar gehouden maar ook door de leestekens en we moeten de woorden daardoor nog nadrukkelijker opeenvolgend lezen en begrijpen als een eenheid. Opvallend is de gij-vorm, plechtstatig maar ook hiërarchisch, het zijn bevelen, opdrachten, gedragsregels. In de tweede regel zijn de lidwoorden ‘den’ niet hedendaags. Dit alles laat vermoeden dat het om oude regels gaat, de oude tijd wil oproepen. Dit wordt versterkt door een agrarische wereld te evoceren. Binnen deze strofe zijn de eerste regels duidelijk opgelegde regels, het ‘Sollen’ van de morele voorschriften: ‘zult gij niet’, ‘gij zult niet’, ‘gij zult nooit’. De volgende 3 regels zijn echter beschrijvende morele regels: vanuit een werkelijkheid wordt een morele regel verbeeld, getoond, de toestand heeft een morele kern die afgeleid kan worden: ‘het hooi zal niet’, dus moet je zelf werken ; ‘geen vlees in de kuip’, dus moet je opletten (in deze regel is ‘het vlees is zwak’ nog geen morele regel maar een moreel oordeel) ; ‘de winnende hand’, vrees dus (ook het ‘geloof niet’ is geen morele regel).

De 6 regels verwijzen allemaal duidelijk naar een Nederlands spreekwoord. ‘Een dorsende os zult gij niet muilbanden’, iemand die hard voor je werkt mag je niet het zwijgen opleggen – hoe toepasselijk alweer. De bron van dit spreekwoord is Deuteronomium, 26, 4 : ‘Gij moogt een rund bij het dorsen niet muilbanden’. ‘Van de os op de ezel springen’ betekent hetzelfde als van de hak op de tak springen, steeds van onderwerp veranderen, als levensles: gij zult een rechte baan houden. In de tweede betekenis: afdalen van het hogere naar het lagere, maar dan moeten we het woord ‘os’ als een verkeerde vertaling zien, of als een navolging van het erasmiaanse ab equis ad asinos, van het paard op de ezel. ‘Hij staat daar als een ezel tussen twee oppers’, hij kan niet kiezen, hij is twijfelmoedig. Dit doet ons ‘de ezel van Buridan’ herinneren: hoe te kiezen tussen het een en het ander als beide aantrekkelijk zijn. (De paradox is er niet: men gooit eventueel kop of munt maar zeker is: men eet.) De keus tussen Charybdis en Scylla is het negatief van het probleem van Buridan. In beide gevallen kan er niet gekozen worden.

De 3 regels kunnen we parafraseren als: laat hij die bezig is, gerust, volg de rechte weg en twijfel niet.

De regels zijn met elkaar verbonden door een concatenatie: r. 1: os, r. 2: os-ezel, r. 3: ezel-oppers, r. 4: hooi-wagen, r.5: kuip-zwak, r. 6: hand-mild. Vanaf regel 5 klopt de concatenatie niet meer (in regel 4 werd die al wankel omdat er geen exacte herhaling meer was maar slechts in de betekenis: opper is een afkorting van hooiopper), bedoelt Claus daarmee dat het moreel systeem wankelt?

Vanaf regel 4 zijn de spreekwoorden niet meer eenduidig te herleiden tot gekende spreekwoorden, hier begint Claus te spelen, verlaat hij de letterlijke uitdrukkingen. ‘Als ‘t hooi het paard volgt, dan wil het geëten zijn.’ Of een variant ‘het hooi moet het paard niet volgen’. Het gezegde doet ook denken aan ‘het paard achter de wagen spannen’ – maar dan is de betekenis helemaal anders. Het spreekwoord is oorspronkelijk een morele richtlijn – een oude vrijster (associatief: hooi is dor gras) moet niet achter een man aan lopen – die Claus op een andere wijze gebruikt, de morele taal is niet prescriptief maar ‘voorspellend’. In de context van Claus kunnen we een andere betekenis begrijpen: het werk zal niet vanzelf gaan. Er is nog een ander spreekwoord: ‘als het hooi vanzelf naar de wagen gaat, dan zijn de vorken goedkoop’. Eenzelfde betekenis als de vrijster: men moet niet veel moeite doen als een vrijster gepakt wil worden – maar Claus waarschuwt: dit zal niet gebeuren, er moet wel degelijk gewerkt/verleid worden. ‘Weten wat voor vlees je in de kuip hebt’, wordt hier verbonden met de christelijke uitdrukking ‘het vlees is zwak’, en daarmee komt de reeks spreekwoorden in een ‘seksueel’-lichamelijk kader terecht. Het is goed (zoals Thomas More beschreef in zijn Utopia) dat man en vrouw elkaar voor het huwelijk naakt gezien hebben, zo weet men welk vlees men in de kuip heeft en komt men niet voor onaangename verrassingen te staan. Jezus Christus nam Petrus en twee zonen van Zebedeüs met zich mee naar het hof van Getsemani. Daar wilde hij waken en bidden als voorbereiding op zijn dood, hij ‘begon bedroefd en angstig te worden’. Hij vroeg de 3 leerlingen met hem mee te waken, maar ze vielen in slaap. Tegen Petrus zei Jezus: ‘De geest is gewillig, maar het vlees is zwak.’ (Matteus, 26:40). Hugo Claus verbindt de 2 gezegden met ‘want’, hij verklaart, geeft uitleg maar de uitleg is niet zo klaar als men zou mogen verwachten. Maar mogen we spreken van nonsensicaal? Men kan verklaren: men heeft geen vlees in de kuip want het eigen vlees of dat van de ander is zwak, waardoor men zo maar wat doet (zie versregel 2). ‘Vlees in de kuip hebben’ is een ander gezegde en betekent het goed hebben, er is immers voorraad aanwezig, er is zekerheid in het leven, de rust is welverdiend. In die betekenis wordt ‘vlees’ dan 2 keer anders gebruikt: er is geen ‘voorraad’ omdat de mens zwak is, gezondigd heeft, niet genoeg gewerkt heeft.

‘De winnende hand is mild’, betekent dat wie het goed gaat, mild is. Claus ontkent dit: de winnende hand is het tegendeel van mild. Staat het uitroepteken enkel voor regel 6 of voor de hele strofe? In het eerste geval is de laatste regel een culminatie, geloof de winnaar niet, wees op uw hoede. Strofe 2 lijkt dit toch te bevestigen. In het tweede geval wordt de hele strofe een uitroepen tegen wat volgt in de volgende strofe, terwijl dit inhoudelijk moeilijk vol te houden is: de spreekwoorden zijn landelijk, bijna landerig, en zijn leefregels. Er is niet noodzakelijk gevaar (buiten regel 4). De laatste regel is een ontkennen van het spreekwoord waardoor de hele strofe in een negatief licht komt te staan: ‘ze zeggen wel dit en dat, maar geloof het toch maar niet.’ Van een agrarische sfeer, zitten we in een oorlogsretoriek.

De eerste strofe met haar spreekwoorden, doet denken aan François Villon’s ‘Ballade van de kleine spreuken’: ‘Ik ken de vliegen in de room / Ik ken de mensen aan hun kleren / Ik ken de appel aan de boom / […] / Ik ken alleen mezelve niet.’ (in de vertaling van Wim De Cock). Ook hier heb je telkens in de laatste regel van de strofe, een ontkenning.

Boven de tweede strofe staat ‘Te koop:’, er wordt een opsomming gegeven van wat te koop staat maar niet wordt gezegd door wie of aan wie. De stukken zijn ook niet verkocht maar staan in afwachting.

Een kalashnikov is een moordwapen waarvan de naam de ‘uitvinder’ is, de herkomst is Rusland. We zitten automatisch in een Koude Oorlog-sfeer, want kalashnikov staat voor terreur, blinde terreur, waanzin, moordzucht, de wraak van de overwinnaar. Maar toch: het wapen is eigenhandig hersteld, hij die de herstelling uitgevoerd heeft, weet van wanten, is daarom te vrezen.

In regel 2 heeft de microwave zichzelf hersteld, wat misschien nog vreeswekkender is. Dit woord is Engels en het opzoeken in het Van Dale-woordenboek (1992), levert weer een glimlach op. Van micro-wave word je verwezen naar microgolf; van microgolf word je verwezen naar midget-golf, dat gelijk staat aan minigolf, een gezelschapsspel. Claus bedoelt een magnetron. Maar niet een huishoudelijk toestel. Dergelijke golven kunnen ook gebruikt worden om het menselijk lichaam te verbranden. Ook dit is een moordwapen.

Lapis lazuli is de gekende blauwe kleur, de goud gevlekte steen is die van de beste kwaliteit. De steen verwijst naar het azuur, het blauw van de toekomst, het hemelse blauw, we hebben hier een voorbereiding op de laatste strofe, alhoewel deze regel vreemd staat tussen de andere.

Want ook de vierde regel spreekt van een dodelijk wapen: de landmijn wordt met 10 procent korting aangeboden.

Komt de derde regel hier te staan omdat het erts ontgind moet worden? Of is de verwijzing naar Afghanistan een hint om te spreken over de oorlogstoestand ginder, waar de zogenaamde supermachten hun onnozel spel spelen? Lapis lazuli is een steen die in de culturele wereld van de kunst betekenis heeft (ook in die van de esoterie) en dus haaks staat op wat er eerder in het gedicht geschreven werd. (De bundel De groeten had een blauwe omslag.)

Waar de eerste strofe a capella gelezen moet worden, dus zonder muziekinstrumenten, hebben we in de tweede strofe enkel met instrumenten te maken: een wapen, een magnetron (?), een steen, een landmijn. Wie steen zegt, denkt aan Kaïn en Abel, alhoewel het wapen niet expliciet in het Genesisverhaal vermeld staat. A capella heeft echter nog een andere betekenis: wat er niet toe doet, immers, al die stemmen. Dan is de 6de regel van nog meer betekenis: geloof de praatjes niet. Mao Zedong: ‘Politieke macht komt uit de loop van het geweer’. Er is geen mededogen.

De derde strofe begint met ‘voorradig’: wat aangeboden wordt, wat achter de hand gehouden wordt, wat nog komen kan. ‘Voorradig’ kan dan verbonden worden met het vlees in de kuip van regel 5. Deze regels zijn nog raadselachtiger dan de voorgaande – waar men wel regel per regel kan ‘verklaren’ of beter beschrijven maar waar de inhoud toch ontsnapt. Wat wordt nu bedoeld? En dit geldt des te meer voor de laatste twee regels omdat ‘normaal gezien’ hier een ‘boodschap’ moet verschijnen zodat retrospectief het gedicht verklaard kan worden. Maar is dit niet een te traditionele visie op het gedicht en moet het hier begrepen worden als ‘tonen’, niet ‘verklaren’ (wat steeds ook een troosten is)?

Polychroom 9 merels in een regenboog
Een ongewassen bruid

Polychroom, veelkleurig. In regel 9 hadden we het blauw van de steen lapis lazuli maar hier gaat het om iets anders. Merels zijn zwart. De regenboog bevat 7 kleuren. Er zijn 9 kleuren als we zwart en wit meetellen. Het getal negen staat voor volmaaktheid, de negen maanden van de menselijke zwangerschap, de negen manen van het leven. Negen staat voor de kleur wit, de merels staan voor het zwart. ‘Een ongewassen bruid’. Ongewassen verwijst naar het gemeen volk, mensen die als dieren leven en zich niet wassen. Maar ongewassen kan ook begrepen worden als ‘onvolwassen’, ‘onvolgroeid’. Een regenboog is het symbool van hoop: God belooft de mens dat hij hem nooit meer een zondvloed zal zenden – God is echter onbetrouwbaar gebleken. Maar hoe moeten we die verschillende elementen in 1 betekenisgeheel vatten?

Polychroom verwijst niet naar de merels, die zijn immers zwart. De regenboog is veelkleurig: de merels zijn dus geborgen in de kleuren. Polychroom is een schilderkunstige term: in veel kleuren beschilderd. Zijn de merels dan toch beschilderd en veelkleurig? De regenboog moet dan symbolisch verklaard worden: de negen merels zijn beschilderd en vormen aldus een regenboog.

Merels board is een bordspel, waar de donkere vakken ‘merels’ genoemd worden, ‘merrils’. ‘The game of Nine Mens Morris (also called Merels or Mill) is played on a board consisting of three concentric squares connected by lines from the middle of each of the inner square’s sides to the middle of the corresponding outer square’s side.  Pieces are played on the corner points and on the points where lines intersect so there are 24 playable points.  Accompanying the board, there should be 9 black pieces and 9 white pieces usually in the form of round counters.’ Het spel wordt bij Ovidius wordt in zijn Ars amandi genoemd maar niet met p maar met 12 velden. In de vertaling van d’Hane-Scheltema: ‘En dan dat spel waarbij het bord door fijne lijnen / twaalf vakken telt, gelijk de maanden van het jaar; // aan elke zijde is een hokje met drie stenen / en wie ze daar het eerst weer bij elkaar brengt, wint.’ (Lessen in liefde, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2004, p. 114). Ook bij William Shakespeare is er een verwijzing naar dit spel (en Hugo Claus was een liefhebber van spelen, laten we nu maar voortgaan met dit spel, ook al brengt dit ons op een dwaalweg). In A midsummer night’s dream komt dit spel voor in de eerste scène van het tweede bedrijf. Titania: ‘[…] / The nine men’s morris is fill’d up with mud, / And the quaint mazes in the wanton green / For lack of tread are undistinguishable: / […].’ Willy Courteaux vertaalde dit als: ‘De kegelbaan is volgespoeld met klei, / De kronkelbaantjes in het welig groen / Zijn onherkenbaar, want geen mens betreedt ze.’ (William Shakespeare, Verzameld werk, DNB, 1987, p. 196). De vertaling van H.J. de Roy van Zuydewijn is iets beter: ‘Het morrisveld is volgestroomd met slib; / de padenwirwar in het kniehoog gras – / nu niemand daar meer komt – herken je niet.’, (William Shakespeare, Een middernachtdroom, De storm, De Arbeiderspers 2008, p. 31) maar moet wel een verklaring inlassen op p. 97-98: ‘The nine-men’s morris’, een in drie concentrische vierkanten verdeeld, door groeven in turfgrond aangegeven veld, waarop een wedstrijd voor twee personen werd gespeeld.’ Maar zelfs dit, hoe geliefd het spelen bij Claus ook was, is geen betekenisvolle verklaring. (Merkwaardig maar verder betekenisloos: in de monoloog van Titania is echter wel sprake van nijd, een os, van kraaien.)

Hoe dan verder? Er is sprake van ‘een ongewassen bruid’. Moeten we dit met de titel van het gedicht, ‘Inch Allah’, in verband brengen? De profeet Mohammed had vele vrouwen (minstens 9), 1 van die vrouwen was Aïsha en ze was 9 jaar toen Mohammed haar, na haar eerste menstruatie, nam. Sommigen prijzen haar om haar intelligentie, voor anderen is zij de oorzaak van de broederstrijd tussen soennieten en sjiieten. Ze vervult bij de moslims een bijna gelijkaardige functie als Maria, beiden zijn de ‘moeder der gelovigen’. Nemen we ongewassen als ‘onvolgroeid’ dan kan het inderdaad over Aïsha gaan. (Claus had geen internet maar wel Jef Lambrecht.) En dan zijn de 9 merels, de 9 jaren van een kinderleven dat toch steeds vrolijk en veelkleurig is (al weet de schrijver uit ervaring dat dit niet zo is). Maar hoe betekenis te geven? Is dit nu de ‘anekdotische’, ‘gemakkelijke’ poëzie van Hugo Claus of is dit de hermetische Claus?

‘Voorradig’ en ‘regenboog’ doen denken aan een belofte voor de toekomst, een verbetering van wat is (te koop is). Hoe moet dit alles gelezen worden? Strofe 2 is duidelijk negatief (met uitzondering van lapis lazuli), strofe 1 kan gelezen worden als een levensfilosofie (al dan niet negatief), is strofe 3 dan de oorzaak van dit alles? De kleine bruid die een oorlog veroorzaakt heeft en ons tot werken gedoemd heeft? Maar dat is dan een verarming van het geschrevene. Te simpel.

In diezelfde reeks, De groeten, is er in het gedicht ‘Verdwaald liedje’ ook sprake van een bruid. We kunnen dit gedicht lezen als een bijdrage van Claus tot de filosofische antropologie die zich afvraagt wat de mens is. ‘De mens dat arme beest / hij is er en hij is er geweest’ – waarbij de laatste woorden hier dubbelzinnig te begrijpen zijn: ‘hij is er geweest’: dit is het einde. De mens heeft de goden uitgevonden omdat hij bang is, hij heeft ‘torens opgericht’ waar de goden wonen.

En ik ben de kleine bruid
van het goede en het boze
Ik maai het onkruid
en ik maai de rozen.

Ik hoor de mensen dromen
Amaai zijn dat seringen die ik ruik
of groeit het gras al op mijn buik?

En ik, godin van de nacht
omhels het jonge kind en de oude kraai
amaai amaai amaai

De versie van 2002 in de bundel De groeten is iets anders, daar is als voorlaatste regel toegevoegd ‘zeer zacht onder de torens’ en wordt in de eerste geciteerde regel ‘ik’ herhaald : ‘En ik ik ben’. Er is dus sprake van een kleine bruid – die de dood is. Het ‘amaai’ moet begrepen worden als een echo van het maaien. In de laatste regel is er een jong kind en een oude kraai (een zwarte vogel), maar kan evengoed begrepen worden als een jonge bruidsvrouw en een oude man. De godin van de nacht is Nox (in het Latijn), Nyx (in het Grieks). In diezelfde reeks is er het gedicht ‘Eris’, de godin van het conflict, de ruzies, Discordia. Zij is, volgens Hesiodos, de dochter van Nyx. De laatste strofe van dit gedicht is zwartgallig, zoals overal in het oeuvre van Hugo Claus de ondergrond diep pessimistisch is:

Als je haar ziet is het te laat.
Sterf terwijl je zoals altijd
staat te groeten.

Het groeten, het vriendelijk zijn, het begroeten, dat steeds een positief element is dat naar de toekomst verwijst, is hier verworden tot de dood. In het leven is de dood aanwezig. De dood is vals en scheurt het leven van het niet-leven, de dood is het conflict zelf, de onmogelijkheid van een eenheid. De dood overvalt de mens onverwacht.

Hugo Claus was een godsontkenner, het is dan ook onmogelijk het gedicht ‘Inch Allah’ positief te lezen. Claus was ook niet politiek correct, men kan zijn werken uitpluizen en de passages aanwijzen waar ‘de ander’, de gastarbeider, de allochtoon, optreedt. Niet in een positieve context. Moet het gedicht dan gelezen worden als: zie de gepredikte moraal, zie de feiten, zie wat komen zal? Dan zijn de merels rampvogels.

Advertenties