hugo claus en de merel (2)

door johan_velter

merel_sfcdt

Belladonna is helemaal geen vaudeville, een sarcastische of een ironische roman. Hugo Claus overdrijft helemaal niet, wat hij in 1994 over de culturele wereld schreef, is vandaag nog minstens even geldig. Alles waarvan men dacht dat Claus overdreef of fantaseerde is meer dan waar (geworden). Conecu is een realiteit. Maar … niet hier. Dit land van grote geesten en creatieve intelligentie, van verdraagzaamheid en filosofisch scepticisme. Nee, Claus (en anderen) kunnen het niet hebben over dit land. Over welk land spreken ze dan wel? Het Land van IJs en Beer.

Een andere keer spreekt Claus over de merel in een andere betekenis, evenwel ook geplaatst in een cultuurhistorische traditie. In het niet genummerde hoofdstuk 49, in het zogezegd verzamelde werk, De romans IV (2004), is dit te vinden op p. 347, maar ik hoop dat u deze editie niet moet gebruiken, want de boeken zijn niet te lezen, enfin een tussenstadium tussen papier en digitaal lezen, het boek uit elkaar vallende immers, zoals de bits en de bytes die van de tablet vallen en kijk, daarom noemen we De Bezige Bij vandaag De Bazuinende Blaas en zoeken we voor u op waar deze passage in de eerste druk te vinden is, voilà pagina 162 alwaar we u nog een zoveelste argument zullen geven waarom de klungelachtigheid van De Bezige Bij, De Blazende Bazuin, terecht klungelig genoemd mag worden. Een andere keer hebben we al enigszins over deze roman geschreven.

In hoofdstuk 49 staat mevrouw Inge Gershwein centraal, zij is de vriendin van de eerste vrouw van Axel Den Dooven, maar kan hem niet uitstaan omdat hij zijn vrouw, Roberte (een naam die hoe dan ook aan Klossowski doet denken), mishandeld zou hebben. Gershwein legt zo nu en dan een hondendrol op de drempel van het huis van Den Dooven. Het scabreuze is in de cultuurwereld een kunstuiting. Gershwein is als Jodin tijdens de oorlog op transport gezet, in haar hoofd razen nog steeds de treinen voorbij. Dit hoofdstuk is een monoloog, het evoceert de reis naar de vernietiging. Zij, Gershwein, is er en daarnaast zijn er ook ‘schaduwen’, daaronder ook een vrouwelijke:

‘De schaduw trekt aan mijn haar. Haar van ebbenhout, zei zij, de schaduw, en streelde. Zij was onberekenbaar, als de gensters van de locomotief die vlakbij voorbijflitsten, de schaduw zei ook geleerde dingen, aangeleerde dingen, dat Kant nijdig was op vonken omdat deze de wetenschappelijke gedachte ondermijnde, dat onderwees de schaduw die mij streelde, en dat we naar eenheid moesten zoeken, eenheid veronderstellen.’

Ebbenhout is zwart, weer hebben we de droomfiguur van Claus die hij in zovele teksten heeft opgeroepen, voor ogen. Ook weer: een Jodin. Ze is uiteraard onberekenbaar, dat houdt de spanning er in. Gensters ziet Gershwein vanuit de donkere wagon voorbijflitsen. De schaduw, haar vriendin, heeft een opvoeding gekregen, ze weet aangeleerde dingen, niet alleen uit ervaring (de Joodse ervaring is die van het lijden en het aanschouwen van de vernietiging van cultuur en kennis). De filosoof Kant wordt geparafraseerd in zijn nijdigheid, nochtans een gelijkmoedige, humoristische filosoof. De passage van Claus maakt met de beschrijving van het strelen een cirkelbeweging die in de tekst (vorm en inhoud komen samen in deze alinea) ook gegeven wordt: er moet gestreefd worden naar eenheid, er moet eenheid verondersteld worden.

Immanuel Kant is de filosoof die het domein en de grenzen van het wetenschappelijke denken wilde vastleggen: wat kunnen we weten, hoe kunnen we weten. Niet zoals de empiristen die alle kennis uit de ervaring lieten voortkomen, maar meer de rationalistische weg kiezend: het verstand moet de dingen samenbrengen. I.t.t. Wolff en Leibniz wilde hij echter geen luchtkasteel bouwen: het denken is geworteld in de wereld der dingen, dus ook in de ervaring. Maar de ervaring is slechts ervaring: kan slechts beschrijven wat is, geeft geen verklaring en is nog veel minder moreel gericht: het vertrekt niet van een ideale situatie, het kan geen normen uitdenken en toepassen. De eenheid van Hugo Claus is het synthetische oordeel bij Kant, dat wat verbindend is en een toevoeging biedt. Een analytisch oordeel is een beschrijving van wat is: ‘het haar is van ebbenhout’. De eenheid kan ook op een meer aardse wijze verklaard worden: de eenheid die twee mensen met elkaar kunnen vormen. De schaduw waarvan bij Claus sprake is, doet uiteraard ook denken aan de grot van Plato: de mens ziet niet wat echt is, hij ziet slechts schaduwen. Ook dit kan met Kant verbonden worden: het » Ding-an-sich « kan niet gekend worden, we kunnen slechts spreken van eigenschappen.

De vonken waarop Kant nijdig is in het stuk van Hugo Claus kunnen we verbinden met de voorbijflitsende gensters van de locomotief … maar welnee, idioot, dit is onzin. Hoe kan Kant nijdig zijn op vonken ‘omdat deze de wetenschappelijke gedachte ondermijnde’, het werkwoord zou dan toch in het meervoud moeten staan en vonken en wetenschap is een jongensexperiment, geen filosofie. Maar wat dan wel? Lezen we dan niet wat De Bezige Bij gedrukt heeft.

In de eerste druk van Belladonna lezen we in het 49ste hoofdstuk, p. 162:

‘…] dat Kant nijdig was op Hume omdat deze de wetenschappelijke gedachte ondermijnde, dat onderwees de schaduw die mij streelde, en dat we naar eenheid moesten zoeken, eenheid veronderstellen.’

Ik heb het woord Hume onderlijnd om u en de redacteur van De Bezige Bij attent te houden. Laat Beëlzebub dus het vuur opstoken, laat Lucifer de messen wetten, laat Moenen de kettingen rammelen. Nodig De Bezige Bij in het hellevuur uit.

David Hume is de opponent van Immanuel Kant, deze was echter niet ‘nijdig’ op Hume, bewonderde hem zeer omdat hij als Engelse empirist, samen met Locke, Kant uit zijn dogmatische sluimer gehaald heeft. Kant bekritiseerde Hume omdat voor hem wetenschap als objectief gegeven niet kon bestaan. De uiterste consequentie van Hume is immers een solipsisme en dat veronderstelt ook het niet kunnen aflijnen van geloof en wetenschap: beweringen kunnen niet uit de wereld zelf afgeleid worden. Dit alles kristalliseerde zich in de discussie rond de oorzakelijkheid (wat ook het probleem van de Humeaanse inductie is: het afleiden van het algemene uit het concrete – een zo dierbaar thema bij Hugo Claus): ‘elke verandering heeft een oorzaak’ werd door Hume betwijfeld omdat dit niet uit de ervaring voortvloeit. En dus is het wetenschappelijk denken onmogelijk, wetenschap is immers de vormleer van oorzaak en gevolg.

Het merkwaardige is nu dat we Kant, Hume en vonken toch met elkaar kunnen verbinden. In de » Vorrede « van de Prolegomena schrijft Kant: » Er [David Hume, jv] brachte kein Licht in diese Art von Erkenntnis, aber er schlug doch einen Funken, bei welchem man wohl ein Licht hätte anzünden können, wenn er einen empfänglichen Zunder getroffen hätte, dessen Glimmen sorgfältig wäre unterhalten und vergröβert worden. « (Immanuel Kant, Die Kritiken, Zweitausendeins, 2008, p. 510). (In vertaling: „ Hij bracht geen licht in dit soort kennis, maar sloeg toch een  vonk waarmee men wel een licht had kunnen ontsteken, indien hij een licht ontvlambare tondel gemaakt had waarvan het vuur zorgvuldig was onderhouden en aangewakkerd.”, Prolegomena, vertaald door Hans van de Velde en Frans Montens, Boom, 1979). Kant is een Verlichtingsfilosoof en de stafhouders van de Leuvense of de Mechelse stoof hebben brandhout willen maken van de Verlichting (en dus van alles wat met intelligentie en moraal te maken heeft) door de Verlichting verantwoordelijk te maken voor de Shoah. De referentie door Claus naar Kant wordt daardoor nog ietwat ‘pikanter’.

Overigens is de stijl van deze alinea opvallend a-clausiaans. De zinsnede ‘dat onderwees de schaduw die mij streelde’ valt op als een Fremdkörper. Ook het ‘geleerde dingen, aangeleerde dingen’ valt vreemd, alhoewel Claus de retoriek van de herhaling graag gebruikte, wat we ook zien in het laatste deel met de herhaling van eenheid. Het vreemdste is de herhaling als verklaring: ‘Zij was …, de schaduw zei’. Normaal gezien laat Claus een taalkundige en logische onduidelijkheid bestaan. Het ‘zij’ moet niet verklaard worden.

De daaropvolgende alinea:

‘Soms nu, rijden de treinen aan de horizon. Dan is de weg vrij en dan ga ik toch, niettegenstaande hun bezorgde stemmen, ga ik toch, alhoewel de stemmen die mij verplegen en die mijn ziel kneden het mij verbieden, ga ik toch naar die dove, naar die gore vijand die op zijn drempel naar de merels kijkt, niet naar het spoor kijkt wat ik achterlaat op de drempel, kijk, hij slaat zijn ogen aardewaarts, ik moet hem straffen al is het het laatste wat ik doe, ik moet als een goederentrein over hem rijden.’

Ook hier weer herhaling: ‘ga ik toch’, ‘niettegenstaande/alhoewel’, ‘stemmen’, ‘drempel’. De alinea begint met een ‘trein’ en eindigt ook zo – zoals de voorgaande alinea begint met ‘schaduw’ en ook zo eindigt. ‘Die dove, die gore vijand’ is Axel Den Dooven. Vogels, en ook merels, zwart als deze zijn, worden soms gezien als de boodschappers van de dood, zij die de ziel komen halen om die naar de Hades te brengen, de hel, het vagevuur eventueel. De drempel is de plaats die de overgang markeert van leven naar dood. De treinreis is voor haar een drempel geweest (een drempel is tevens een grens: Kant: hoe het denken af te bakenen?, wat is waar, wat verzinsel? waar is de werkelijkheid: in het Ding-an-sich of in het Ding-für-sich?) De merel is, zoals we al gezien hebben, de aardse vogel (daar tegenover de nachtegaal of de leeuwerik), de vogel van de filosoof, niet van de metafysicus. De merel is de vogel van Hume, het spoor waarover Gershwein spreekt, verwijst naar Kant (Claus ís cynisch): het is het surplus van wat is, het is het denken, de razernij ook – Claus nadert daarmee Adorno en Horkheimer. Maar Claus transformeert het hoge in het lage: ‘het spoor’ is ook de hondendrol die Gershwein op zijn drempel legt. De merels worden door Gershwein geassocieerd met het slechte, het aardse. Het verhevene is elders. Een troost – Inge Gershwein is geen sympathiek personage. Van slachtoffer wordt ze dader. Ook hier een metamorfose.

(Een ander project. Hugo Claus en de filosofen, het is immers opvallend dat Claus in zijn tweede periode, die van het materialistisch denken, naar filosofen verwijst. In zijn eerste periode was hij een ‘metafysische natuurschrijver’ die binnen de natuur/de werkelijkheid blijft, later evolueert hij naar een intellectualistisch wereldbeeld waar de filosofie een noodzaak is.)

Advertenties