homo bulla, een foto van maurice antony

door johan_velter

maurice-antony_oostende_garage

Er is een verschil tussen een stadsfotograaf en een straatfotograaf. De eerste wil schone prentjes maken, is sentimenteel tegenover gebouwen en luchten. Zoekt niet de schoonheid op maar het pittoreske, wil speciaal zijn en staat in dienst van de macht – ook als hij kritiek heeft op die macht, want daarboven staat ‘de stad’ als opperste verering. X. is zo’n fotograaf. Een voorkeur voor breedbeeld, ‘machtige zichten’, de mens moet neerknielen. De foto een objectief medium? Het katholicisme blijft er in. Het meest sentimentele ja. Zelfs als er geen mens te zien is, zijn de foto’s moraliserend op een fletse wijze. Onderpastoorachtig.

Maurice Antony was een straatfotograaf, hij stond met zijn voeten op de keien. Hij maakte foto’s van wat later het pittoreske Oostende genoemd zou worden maar in werkelijkheid een vuile, stinkende, open riool was. Hij deed zijn werk zonder sentiment. Hij fotografeerde op een droge manier, weergeven wat er is. Hij fotografeerde mensen en wat voor sommigen nu aandoenlijk en authentiek is, was voor hen bittere noodzaak, klederdracht was een veroordeling om te blijven wie men was. De Oostendse bevolking heeft Antony op een droge manier vastgelegd: zo is het, geen tierlantijnen en ook geen moraliserend praatje. Antony had geen lessen te leren, hij registreerde maar gebouwen, gebeurtenissen moesten steeds aan mensen gelieerd worden. Niet om ze te kleineren, belachelijk te maken. Hij toonde de mens zoals hij was. Dit is het humanisme.

Kijk, daar komt hij binnen met zijn grote doos voor zijn buik. Hij is niet groot, zoals mensen vroeger allemaal klein waren, met één handbeweging trekt hij zijn alpin (baret) van zijn hoofd, zijn schedel glimt. Hij zet zich achter het ‘aambeeld’ in de garage, daar worden de rubberen banden met hamer en beitel en koevoet losgeklopt, om de band te kunnen herstellen of ‘renoveren’, het rubber een nieuwe snijbeurt te geven. Het zigzaggen gebeurde met een machine die elektrisch aangedreven werd, nog het meeste leek ze op een tondeuse maar moest het toch vooral van mankracht hebben. Er waren buitenbanden, die moesten om de zoveel kilometer weer ingesneden worden. Er waren binnenbanden en die konden opgelapt worden, zoals men een fietsband nog oplapt. Een stuk rubber werd op de zwakke plek gekleefd, rood op zwart was geliefd. In de garage stond een witte verfpot met een kapotte, oude borstel erin. De verfpot stond altijd open. De geur van rubber, benzine, verf is nu nog steeds de geur van verwachting, vrijheid, nabijheid. Patrick Modiano beschrijft in zijn herinneringen hoe deze geurwolken ook hem wegtrekken van het nu. De oude man doopte de borstel in de verf en met een soepele beweging schilderde hij een witte band op het zwarte rubber. Telkens weer de trots van de schoonheid, de overbodigheid en de noodzaak.

Op dat ijzeren aambeeld zet hij zijn fototoestel. Ha, Valentijn, ge zijt hier ook. Het gaat schoon worden. Zet gij je daar, Roger moet daar staan en de kleine in het midden. Rustig blijven en naar mij kijken. Voilà, het is gedaan. Je weet me wonen hé. Ja, hij woonde om de hoek in de Euphrosina Beernaertstraat. Na zijn dood, herinnert de kleine zich, verkochten zijn dochters nog foto’s van hun vader.

O nee, Antony was geen moralist maar een levenskenner, een man met cultuur. Hij fotografeerde nauwelijks mensen zoals beroepsfotografen mensen fotograferen in de studio. Dat had hij gedaan voor de Eerste Wereldoorlog, die smakeloze opdrachten waren nu voorbij. De moderne fotograaf is een kunstenaar. Hij kiest zelf zijn onderwerpen, hij arrangeert, hij wacht op het licht, hij gebruikt de nacht en de dag zoals hij het wenst. Hij kijkt de mens. De eigen omgeving, daar zie je de mens, niet het masker moest hij vastleggen. Antony schikte de mensen als objecten, ze komen schoon in beeld, de foto moet in een artistieke traditie staan. Bewust zijn is belangrijk.

De foto toont een werkplaats, rommelig, de banden staan in rekken opgesteld. Elk merk had een eigen band. Er liggen ook binnenbanden op de grond, op elkaar gestapeld. Wie weet kunnen die ooit nog gebruikt worden. Er is een ladder want op de ‘zolder’ liggen er nog banden, de ladder werd ook gebruikt om banden uit de stellingen te halen. Daarboven stond in grote letters ‘Verboden te roken’ geschilderd, nogal normaal. Rubber, benzine, reinigingsstoffen: alles wat licht ontvlambaar en direct brandbaar is. Maar natuurlijk werd dat niet gedaan. Het zijn de naoorlogse jaren, de Duits is verdreven en we laten ons niet doen. Wij doen hier onze goesting. Daarachter was er ook een diepe put, daar werden de oude banden in geworpen, wanneer de put meer dan vol was, werd ze leeggehaald. Pas op, dat je niet in de put valt want die is zo diep dat zelfs een ladder er niet in kan. Bangmakerij.

Maurice Antony fotografeerde mensen zoals August Sander het niet deed. Antony nam de mensen in hun dagelijkse doen en fotografeerde ze zoals ze waren. Als Sander het portret van een metselaar nam, liet hij hem eerst de stenen schoonmaken en borstelen. De kok moest een kraaknette schort omgorden. Antony niet. Er is chaos en laat die wanorde toch gerust – mensen zagen ook niet dat er chaos was. Het was en is ook onbelangrijk. Rechtsonder zien we een kwartband en linksonder zien we een vage, wazige plek. Daarnaast ligt een opengesprongen band: de luchtdruk was te hoog of het rubber te zwak geworden.

Er is niet echt een midden. De foto is, omwille van het magazijn, ietwat schuin genomen. De grote binnenband domineert de foto. Het is grappig, wat in vergelijking met het gewone te klein is, wat te groot is. Mensen lachen omdat ze zich ongemakkelijk voelen bij wat ze niet kennen, wat hen overweldigt.

Binnen de band zit de oude man te monkelen. Hij heeft zijn hemdsmouwen opgestroopt, maar we denken niet dat hij nog het zware werk doet. Zijn broek valt in plooien – de tijd toen kleren nog met meters stoffen gemaakt werden. Rechts staat een man van middelbare leeftijd, alhoewel iedereen toen ouder leek dan hij was. Zijn rechterhand rust op de grote band, hij is meester. Hij voelt zich baas – de echte baas laat zijn handen werkeloos in zijn schoot vallen. De andere hand steunt zijn zijde. Daardoor komt de buik wat naar voren. Zijn overall is vuil en grijs. Het borstzakje staat open, daar zitten die vuile sigaretten in, altijd bereikbaar. Zijn voeten staan stevig op de grond, het linkerbeen uitgestrekt, de voet haaks op het lichaam. Zijn hoofd houdt hij wat naar beneden, zijn ogen schieten over zijn bril heen. Die fotograaf daar is een vreemde, hij staat daar maar omdat de oude en Antony elkaar kennen. Het schijnt dat Antony James Ensor gekend heeft, Ensor, dat wandelend standbeeld op de dijk.

In het midden, ongeveer, staat een manneke. Hoe oud zou het zijn? 3 jaar. Wat men noemt een bengel, blond haar, een klein lijf, roetvlekken in zijn gezicht, waar heeft dat weer gezeten?, een deugniet, altijd bezig, altijd nieuwsgierig, alles horend. In zijn handen houdt hij de luchtmeter vast, voor zo’n klein manneke toch best zwaar. Hij omklemt het toestel niet, het is hem te onwennig. Kijk naar zijn voeten, zijn rechtervoet zet hij scheef, kinderen die zich slecht op hun gemak voelen. Zijn mond trekt hij al, hij is gespannen, bang dat ze zijn ziel zullen grijpen. Hij draagt pantoffels, hij is van boven gekomen, van het appartement van zijn ouders, naar beneden gevlucht, gesprongen, gelopen. Hoe zo’n kind holt en van de trappen dendert en niet valt, het is een raadsel. Als hij de garage binnenkomt, blijft hij staan en kijkt hij verwonderd rond. De ogen groot van verwachting, wachtend op het woord van erkenning: hij bestaat. De garage is telkens weer anders, andere auto’s, andere mensen, andere geluiden. Onbegrijpelijke wereld. Ha, daar hebben we hem. Waar is zijn overall? Ah, altijd dat moeilijke moment, zijn tenen krullen, zijn ogen staan angstig, als hem maar niets gevraagd wordt. Het woord dat hij niet begrijpt en dat hem angstig en hulpeloos maakt. Overal is toch geen kledingstuk, dat is waar God is. Telkens weer denkt hij dat hij het woord niet goed verstaan heeft en dat hij overall verstaat als overal maar dat de volwassenen toch een ander woord zeggen, onbereikbaar voor hem, dat de volwassenen maar met hem lachen, dat klein kind dat verstaat toch niets. Hij weet nog niet dat overal en overall twee verschillende woorden zijn en kon hij maar lezen, dan was zijn argwaan tegen de taal en de volwassenen niet zo vroeg begonnen. De woorden zijn hem een raadsel maar dat weet hij nog niet – later, en altijd weer, zal hij vragen om op te schrijven, altijd de woorden wantrouwen, nooit de stemmen vertrouwen. Woorden en dingen die niet overeenkomen.

De overall ligt altijd ergens maar nooit op de plaats waar hij achtergelaten is of waar hij de vorige keer lag. De oude man steekt het kind in de overall, doet de knopen dicht, nu is hij een echte werker. Hij loopt rond, neuzend, zoekend, vindend, zichzelf te zijn. Wat doet een kind toch godganse dagen met niets?

En dan roept zijn grootvader hem, kom eens mee naar het bureau. Grootvader doet gewichtig en haalt een foto boven. Daar ziet hij zichzelf, zijn grootvader, zijn oom. Zijn hart springt en bonst. Het is de eerste keer dat hij niet als kind wordt gezien. Grootvader glimlacht, het gelaat van de liefhebbende.

De foto van Maurice Antony is een allegorie van het leven. De oude man die mag rusten en terugkijken op het levenswerk. De volwassen man die zelfbewust het leven beheerst, zich bewust is van zijn kracht en levenslust, niets zal hem tegenhouden. Het kind heeft de luchtpers vast, hem zal de toekomst gegeven worden. Hij is het geloof en de hoop: het jonge leven zal bestaan. De drie leeftijden samengenomen is het een loflied op de gang van het leven dat verder gaat, dat arbeid en rust kent. De ogen van het kind kijken onderzoekend, het weet nog niet. Het wantrouwt al.

De foto van Maurice Antony is ook een vanitas. De mens is een luchtbel, schreef Erasmus in navolging van de klassieken. Het leven is zo voorbij. Links op de foto ligt al zo’n uiteengespatte band. De zekerheid, het meesterschap is een illusie. Als de kleine iets te veel druk geeft of als de band lek is, verschrompelt alles. De band mag groot zijn, majestatisch, overdonderend: dit, en er is geen band meer, de laatste ademfluit van de lucht.

Het engeltje in het midden is schrijver dezes, was schrijver dezes, is schrijver dezes.

Beeld: een foto van Antony (getekend in de plaat en met blindstempel, achteraan gedateerd 180759-20)

 

Advertisements