abstract oostende

door johan_velter

abstract-oostende

Het museum in Oostende heeft een keuze voor de abstractie gemaakt en daarvoor een groot aantal schilderijen en tekeningen in de magazijnen weggestopt, net alsof men beschaamd is figuratie te tonen – nochtans zijn de video’s van Carsten Höller die nu getoond worden alsof het kunst is allemaal figuratief. Ook de hedendaagse schilderkunst wordt niet meer getoond. Een museum heeft slechts bestaanswaarde als het een canon aanbiedt, als het kunstkenners en -liefhebbers een constante confrontatie met een aantal werken aanbiedt. Het stoffige van een museum is niet altijd onaangenaam; de stilte niet een vloek, intelligentie (ook die van het oog) is noodzakelijk.

Musea in Vlaanderen groeien naar elkaar toe: wat je in het ene museum ziet, is er ook in het andere. Hoe de Ensor-collectie over verschillende musea verdeeld is, is kortzichtig. Het Oostendse museum gaat prat op het bezit van de volledige etsproductie van James Ensor, maar wat heeft dit voor zin als het museum ze niet toont (en hoeveel instellingen en banken hebben niet de volledige collectie?).

Wat je in de musea van Antwerpen weet, wordt ook aangekocht door andere musea. De dubbeltentoonstelling van Lili Dujourie in Mu.Zee en Smak was ook op organisatorisch en intellectueel vlak een dieptepunt. Als alles toch één pot nat is, waarom dan een beleid? Men volgt toch de markt en er is nauwelijks nog verrassing – net alsof de wereld een voortuin is die overzienbaar is.

In Oostende zijn er nu twee tentoonstellingen, een over abstracte kunst en een over Jules Schmalzigaug (1882-1917), de vroeg overleden Belgische kunstenaar. Om met deze laatste te beginnen: de expositie is er gekomen n.a.v. een recente aankoop door het museum van een werk van de kunstenaar. Het is geen meesterwerk, ook geen sleutelwerk, noch een onverwachte wending. Men kan over de zinvolheid van zo’n aankoop discussiëren, zeker als men weet dat er nog andere en belangrijkere lacunes te vullen zijn. Dit oeuvre is in België zeer goed gekend: er is werk in de musea van Brussel en Antwerpen aanwezig. De documentatie die getoond wordt, zijn kleurenstudies. Ze wordt gepresenteerd als kunstwerken maar is slechts documentatie. Een overzichtstentoonstelling was in 1985 te zien in de KMSK te Brussel. In datzelfde museum was er in 2010-2011 een overzichtstentoonstelling en beide exposities werden voorzien van een catalogus. Er zijn kunstenaars die minder aandacht krijgen en relevanter werk gemaakt hebben. Schmalzigaug wordt steeds als een futurist voorgesteld, hij stond echter dichter bij het impressionisme en het luminisme, dat tonen ook zijn kleurstudies aan. Men moet niet enkel kijken naar de scherpe vormen en daaruit het futurisme afleiden, men dient ook rekening te houden met het contextueel streven van een kunstenaar. Schmalzigaug werd gedreven door een zoektocht naar het licht, de weerkaatsing en de sensibiliteit van de kleuren, minder was het hem te doen om de beweging en de vooruitgangsidee. In de wirwar van zalen heeft het Mu.Zee ook nog aparte ‘kotjes’ gemaakt waardoor een overzicht onmogelijk geworden is. Het prismatische van de schilder hoeft niet verbrokkeld te worden in het parcours. Dit alles staat los van de waarde van dit oeuvre: de schilderijen van Schmalzigaug zijn direct herkenbaar en een vreugde om te zien.

In de ‘Venetiaanse gaanderijen’ op de Zeedijk (blijkbaar is het Mu.Zee in de Romestraat niet groot genoeg, ah nee: deze tentoonstelling is georganiseerd door de ‘culturele dienst’ van de Stad Oostende) is een tentoonstelling over ‘verschillende generaties’ (drie) abstracte kunstenaars te zien. Deze tentoonstelling is samengesteld door Gino Braet, de catalogus is onnoemelijk lelijk, bevat nauwelijks tekst en kost bijna 50 euro. In het reclameblaadje over de Ensor- en Spilliaert-vleugel’ schrijft Phillip Van den Bossche: ‘De expo B.Last geeft de bezoeker een perfect beeld van het volledige parcours dat abstracte kunst heeft afgelegd en beantwoordt aan de hedendaagse kunstnoden van de mens [? sic]. De tentoonstelling spreekt hierdoor een breed publiek aan, want je hoeft geen kenner te zijn om er ten volle van te kunnen genieten. Alles wordt van begin tot einde haarfijn uitgelegd. Het enige [sic] wat de expo van de bezoeker vraagt, is een uitgangspunt.’ Dit is wat er op de tentoonstelling niet gebeurd: er wordt géén uitleg gegeven, de werken hangen noch chronologisch bij elkaar, noch thematisch, noch chromatisch, noch conceptueel, noch enzovoort. Er is ook heel wat bochtenwerk nodig om de keuze te verantwoorden. Het werk van Alechinsky wordt abstract genoemd terwijl dit figuratief is. Weer worden ‘lyrisch-expressionisten’ als Louis Van Lint bij de abstracten gegroepeerd, terwijl dit onjuist is. Het zou logischer zijn dat, als men over verschillende generaties abstracten spreekt, men de conceptuelen en niet de lyrisch-expressionisten toont. Merkwaardig is ook dat er verhoudingswijs weinig Walen te zien zijn, alhoewel men van ‘Drie generaties Belgische abstracte kunst’ spreekt. En alhoewel er een aantal namen te zien zijn, die weinig getoond worden (omdat ze niet in de musea aanwezig zijn) missen we toch werk van Jozef Mees, Philippe Van Snick, Freddy Van Parys, Jus Juchtmans, Noël Drieghe, Georges Meurant, enzovoort, enzovoort.

Het abstracte wordt niet uitgelegd, wordt niet op deze tentoonstelling verklaard. In dat reclameblaadje van het Mu.Zee staat: ‘Volgens Phillip Van den Bossche moet de bezoeker ver terug in de tijd gaan om de oorsprong van abstracte kunst te achterhalen. De eerste rotstekeningen waren al abstract en net die lange tijdsspanne, de idee dat alles hedendaagse kunst is, intrigeert de kunstkenner.’ Volgens de museumdirecteur was er eerst abstracte kunst, daarna heeft de mens een dwaalweg ingeslagen om in de 20ste eeuw weer het licht van het abstracte te zien. Dit is intellectueel bedrog. De rotstekeningen waren uiteraard niet abstract in de betekenis die Mondriaan of Malevich er aan gaven. Als men het intellectuele ontkent, kan men geen intelligente tentoonstelling inrichten.

Ook de titel van de tentoonstelling, B.Last, is een valse voorstelling van feiten. De naam verwijst naar het tijdschrift BLAST van het vorticisme (Wyndham Lewis). Dit heeft niets te maken met wat op de tentoonstelling te zien is. De ondertitel van de expositie, ‘de naschok van het abstracte’ is onbegrijpelijk: wanneer is die naschok er gekomen, bij wie en hoe? Wat getoond wordt ís immers ‘het abstracte’? Of bedoelt men dat deze Belgische kunst slechts een afgeleide is, een lichte nabootsing? Of moet het weer sensationeel zijn: als het maar schokt.

Omdat men geen intellectueel discours wil houden, gaat men de heideggeriaanse toer op: ‘De tentoonstelling B.LAST […] brengt een eeuw Belgische abstractie bekeken vanuit de ziel [sic], zonder het kunsthistorische pad te volgen. Het is een passioneel [sic] parcours zonder gebondenheid, spelend met een bevrijdende gedachte waarmee de eerste avant-gardegroepen overtuigend het begrip abstractie kneedden.’ De niet-bestaande ziel vervangt hier de hersenen. Maar als we de herkomst van de werken bekijken, dan lijkt het wel alsof het om het geld gaat: de inbreng van galeries is opvallend. Men misbruikt het woord ‘bevrijdend’.

Doordat men geen helder begrip van het abstracte heeft/geeft, is deze tentoonstelling een ratjetoe geworden – maar een bijzonder mooie tentoonstelling van individuele werken. Er zijn enkele parels van Paul Van Hoeydonck te zien, kleine haast onooglijke werken maar bijzonder krachtig en vaardig. Verheugend is het werk van Kurt Lewy te zien, (behoort hij strikt genomen tot een Belgische generatie?, Joods vluchteling in België beland) er zijn van hem twee emailwerkjes te zien, charmant en aantrekkelijk. Een tentoonstelling zou echter duidelijk moeten maken hoe dit oeuvre zich verhoudt tot dat van Georges Vantongerloo of Jozef Peeters. Er is op de tentoonstelling ook werk van ‘jongere’ kunstenaars te zien. Ilse D’Hollander behoort niet tot de abstracten, het werk van Wannes Lecompte valt te licht uit. Er is werk van Antoine Mortier te zien, Hilde Van Sumere is er gelukkig bij, alhoewel ze toch vooral beeldhouwer is. Maar ook het werk van Raoul De Keyser behoort niet tot de abstractie. En het werk van Paul Gees kan misschien speels maar niet abstract genoemd worden (een steen is niet abstract, een lat ook niet).

Hier zien we eens te meer geïllustreerd wat het anti-intellectualisme in de culturele wereld betekent en hoe dit de weg tot het barbarisme opent. Alles kan, alles mag, we denken niet, we volgen de geur van het geld. Het gaat om een sensatie, een beleving, een spektakeltje.

Beeld: Dwaas genoeg mag er niet gefotografeerd worden – dan maar de zee, die volgens de organisatoren ook wel abstract zal zijn.

Advertisements