ach, james (1)

door johan_velter

oostende_ach_james_11

Musea willen geen museum zijn, maar kunsthal spelen; galeries willen museum en onderzoekscentrum zijn, maar willen niet meer afhankelijk van kopers en kunstenaars zijn – zoals andere cultuurinstellingen speelholen en kijkdozen willen zijn, allemaal bang de eigen taak te moeten vervullen. Onkunde en destructiedrang heersen in de culturele sector.

In Mu.Zee is er een tentoonstelling te zien die door de Klaratisten tot iets uitzonderlijks uitgeroepen  werd. Je kunt er gif op innemen: het is dus protserig, lawaaierig en uit de tijd. Je wordt vooraf gewaarschuwd: er kunnen aanstootgevende beelden te zien zijn. Aanstootgevend zijn echter domheid, lawaai, geweld en kitsch.

Je baant je letterlijk een weg door de vervuiling, men zou toch het fatsoen moeten hebben om geciviliseerde mensen niet te moeten confronteren met achterhaalde onnozelheid, de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik letterlijk langs de randen van dat uitstulpend geval gelopen heb,  om te belanden in een ruimte die je herkent van vroeger, het museum is dus met een zaal vergroot maar andere zalen zijn dan weer afgesloten. Het lijkt een doorzichtige truc te zijn: in het Oostendse museum wil men een impressie van James Ensor geven om aldus het kunstenaarshuis zelf te kunnen sluiten.

Er zijn een aantal vergrote foto’s van de fotograaf Maurice Antony te zien, veel boeken in kijkkasten die toch niet gemakkelijk toegankelijk gepresenteerd zijn, er zijn een paar gekende schilderijen te zien, wat etsen. James Ensor wordt gepresenteerd als evenwaardig aan Léon Spilliaert. Een pas verschenen boekje van het Mu.Zee is getiteld Ensor en Spilliaert : twee grootmeesters van Oostende. Laten we eerlijk zijn: in vergelijking met Ensor is Spilliaert slechts een kleine meester.

Dat boekje is geschreven door Inne Gheeraert en Mieke Mels. Waar kunst universeel is, wordt het oeuvre van beide schilders nu herleid tot een verkoopscitisme: ‘Hoewel Ensor en Spilliaert dag en nacht van elkaar verschillen, vertoont hun oeuvre een sterke aantrekking tot het licht van Oostende, het ritme van de zee, de vissers en het strandleven.’ Men kan ook schrijven: ‘Hoewel Ensor en Spilliaert dag en nacht van elkaar verschillen, vertoont het oeuvre van de een een sterke afkeer voor het kleinburgerlijke, en dat van de ander zwelgt in die typische melancholische opgeslotenheid van het kleinburgerlijke. Voor beiden is de geboorteplaats een toeval, beiden hebben op een andere manier dat toeval tot hun leven gemaakt.’ Iemand anders kan iets anders zeggen.

In dat boekje wordt alweer aan mythografie gedaan. Over Ensor: ‘Het licht fascineert hem al bij zijn eerste probeersels. […] Na drie jaren academie beslist de kunstenaar om voortaan zijn eigen fantasie te volgen. Ensor keert voorgoed terug naar Oostende op zoek naar licht en een uniek kleurenpalet.’ Ha, Ensor de moderne Diogenes, daarom liep hij zoveel op de dijk: hij zocht licht en een kleurenpalet, pardon, een uniek kleurenpalet. Wie zou dat verloren hebben? Geen enkele zin over Ensor die Gheeraert en Mels geschreven hebben, bevat een sprankel intelligentie, oorspronkelijkheid of fantasie. Spilliaert is dan weer een ‘dwingende zoektocht naar zijn identiteit’ begonnen en daarmee zijn de zelfportretten verklaard. En over Henri Storck schrijven de auteurs in een omgekeerde logica: ‘Met een amateurfilmcamera ontdekt hij het filmen.’.

De auteurs moeten veel herhalen om hun boekje, dat toch al uit halve pagina’s tekst en foto’s bestaat, vol te krijgen. Niet alleen parafraseren ze zichzelf, de woorden herhalen zichzelf. ‘[…], het is een broeinest van nieuwe ideeën. Haast alle gasten zijn vrijdenkers. De gasten discussiëren […].’ ‘Beeld je de zomerse drukte in, wanneer het toerisme na een eenzame winter langzaam terug op gang komt in Oostende. Voor Ensor is het een bron van verbeelding die langzaam doorsijpelt in zijn werk.’ Men zou haast wensen dat de auteurs die bron zouden aanwijzen en hen horen verklaren hoe die langzaam doorsijpelt. De auteurs vinden het niet nodig voorbeelden te geven. De auteurs van dit boekje willen het leven van de jonge Ensor beschrijven: ‘Wanneer het even kan, neemt hij een schetsboek en tekent de passanten: silhouetten in de regen, een trekpaard, dames in elegante jurken, mannen met hoge hoeden.’

In het overigens hilarische boek van Eric Min, James Ensor : een biografie, lezen we op pagina 52: ‘[…] en wanneer James de winkel openhoudt, is er altijd nog het schetsboek waarin hij gestalten van passanten krabbelt: silhouetten in de regen, een trekpaard, dames in elegante jurken, mannetjes met hoge hoeden.’ (Bij de drie auteurs wordt een trekpaard overigens tot passant gepromoveerd.)

Voor Spilliaert spreken de auteurs van ‘de oorverdovende stilte en de onmetelijke diepte van de nacht’: de auteurs hebben nog nooit ’s nachts langs de zee gedwaald. Weer moeten we de oppervlakkigheid van een biografische benadering van het plastische verdragen en het kleinnationalisme van de bodem, dat citisme is, dulden. Maar waarom? Waarom moeten we doof en blind worden om te kunnen leven?

En weer wordt dus het cliché van de maskers bovengehaald: Ensor schilderde maskers omdat die in de souvenirwinkel van zijn ouders (en van hemzelf) aanwezig waren. Oh ja, duizend keer waar, maar Ensor schilderde toch in de eerste plaats maskers omdat hij de kracht van de karikatuur in boeken gevonden had. De maskers zijn gemakkelijker in geschriften en prenten terug te vinden dan in de resten  van de winkelwaren. ‘Zijn fantasie kent geen grenzen.’, schrijven de auteurs. De fantasie van Ensor kende wel degelijk grenzen want we kunnen zijn werken terugbrengen naar andere werken en naar een gelijkgestemde groep kunstenaars – hoe is overigens met die ‘grenzeloosheid’ zijn kopieerlust te verklaren? De uniciteit van Ensor lag in het samenstellen van zijn werken (het samenbrengen van heterogene elementen), in zijn kleurbehandeling, in zijn aarzelende lijnen en later in zijn klare lijn. (Nog zo’n project: ‘De tegenstelling bij James Ensor tussen licht (kleur) en vorm (lijn) en hoe hijzelf van de kleur naar de lijn evolueerde maar het anders besprak en de zogenaamde Ensorkenners die hem nawauwelen maar niet kijken en dus het werk niet begrijpen’, dat nooit geschreven zal worden – alleen maar het plezier van het weten.) En dus spreekt men ook weer in dit boekje van de angsten van Ensor, zijn frustraties en het schilderen werkt voor hem ‘bevrijdend’ – een Ensor-interpretatie die al jaren achter ons ligt, men heeft vandaag de dag toch wel een betere kijk op Ensor. Maar niet in Oostende.

Op pagina 93 van de minne biografie over James Ensor (Meulenhoff-Manteau, 2008) lezen we: ‘James Ensor heeft zich in het woelige jaar 1886 op het etsen gestort. Zijn atelier slibt langzaam dicht met onverkochte doeken. Misschien kan de etstechniek ervoor zorgen dat zijn werk eindelijk de erkenning krijgt, die het verdient.’

Inne Gheeraert en Mieke Mels schrijven: ‘James Ensor is zesentwintig wanneer hij zich stort op het etsen. Zijn atelier slibt langzaam dicht met onverkochte doeken. Misschien kan de etstechniek ervoor zorgen dat zijn werk eindelijk de verdiende erkenning krijgt?’

Ah, het storten ook … Men wil misschien een introductie-boekje schrijven maar zelfs dat kan ook zonder in platitudes te vervallen, zinnen van anderen over te schrijven en achterhaalde interpretaties als eigen vinding te presenteren. Zelfs een inleidend woord kan intelligentie bezitten.

Léon Spilliaert wordt dan weer in hedendaagse meisjestermen beschreven: ‘Door nieuwsgierigheid gedreven en met een drang om zijn eigen grenzen als kunstenaar af te tasten, experimenteert Léon Spilliaert met kleur, vorm, onderwerp en techniek.’ Men gebruikt woorden als clichés, men doet alsof deze praktijk van Spilliaert uniek is, men doet alsof de oude schilder als een Facebookgeval ‘zijn grenzen aftast’. Niet te verwonderen dus : ‘Spilliaerts werk springt in het oog van Paul-Gustave Van Hecke en André De Ridder.’ Nu nog er uit springen.

Over de Oostendse galerie Studio lassen de auteurs plots een zin in: ‘Een opmerkelijke gast is de jonge Madeleine Spilliaert, die eigen werk uitvoert.’ Bij Eric Min lezen we: ‘Een opgemerkte gast aan de piano is de veertienjarige Madeleine Spilliaert, die eigen werk uitvoert.’ (p. 281)

In de tentoonstelling is een ‘sectie’ gewijd aan het werk van Henri Storck, nogal onbegrijpelijk omdat Storck beide schilders maar gekend heeft in hun ‘na-gloei’ (hoe discutabel en onterecht die term ook is bij James Ensor). Ook in het boekje wordt Storck dus opgevoerd, maar blijkbaar kennen de auteurs toch niet heel veel van het medium film in die jaren. Ook Storck wordt nu beschreven als een uniek geval. Over Images d’Ostende: ‘Het is een louter visuele kortfilm, zonder anekdotes. […] Tussen de beelden is er geen logische overgang of structuur.’ Dat zouden zelfs wij durven betwijfelen. Even verder wordt geschreven dat Storck de stichter is van de Club du Cinéma in Oostende en dit ‘telt onder zijn leden ook de drie grootmeesters uit Oostende, […].’ Plots zijn er drie grootmeesters. Storck toch niet?

Beeld: de pop, de reus, ‘James Ensor’, in Oostende op 7 oktober 2016 voorafgegaan door fanfare, personaliteiten, omringd met maskers zonder masker.

Advertenties