was alles maar bij het oude gebleven, het was al slecht genoeg, denken we voortdurend

door johan_velter

zwart-rood_18

Met De melancholie van het verzet (Wereldbibliotheek, 2016, vertaald uit het Hongaars door Mari Alföldy) heeft László Krasznahorkai ons 1 van de meest intrigerende boektitels gegeven. Ook wel 1 van die karaktertekeningen die alles betekenen én een juiste beschrijving geven: er is verzet, er is het noodzakelijk verzet – voor de schrijver tegen de tirannie van wat het oostelijk communisme geworden was, voor de lezer tegen de terreur en de intimidatie van de botteriken. Er is de melancholie, het weten dat het gevecht tevergeefs is, dat er alleen maar nederlaag kan volgen, maar vooral en altijd weer het verlangen gerust gelaten te worden. Men spreekt over dierenrechten maar men laat dit fundamenteel mensenrecht voortdurend geschonden worden.

Het boek (het oeuvre) van Krasznahorkai kan beschreven worden als het verslag van een antimodernistische houding. Het maakt de propaganda voor het nieuwe belachelijk maar weet tevens dat die belachelijkheid gevaarlijk is – benepen geesten zijn ook gevaarlijk. Maar staat het nieuwe gelijk aan het moderne en het doorzien van het modieuze gelijk aan het antimoderne? Nee, dat dacht ik niet. Het modernisme kan ook in filosofische termen beschreven worden en dan zou wel eens kunnen blijken dat degenen die het nieuwe propageren (een scherm van 700 inch! een zelfpratende lege doos! een onnozel logo!) juist het nieuwe niet propageren maar het oude restaureren, of beter nog, een nieuw kleedje willen geven aan een oud karkas. Als oma met haar buik bloot loopt, is ze nog altijd oma en geen meisje van 16 jaar; als een oude vrouw met een neusring wil paraderen dan ziet men alleen maar een oude vrouw met een ring in haar neus. Het nieuwe is noch het betere, noch het vooruitstrevende en het oude is niet noodzakelijk het betere. Wat we daarentegen nodig hebben, is de rede. Een aanhanger van Joris van Severen in 1942 of in 2016 blijft een achterlijk wezen, zelfs als ze hedendaagse managementtermen in de mond neemt. Het nieuwe is een ordinair machtsinstrument geworden: door steeds weer iets nieuws te introduceren, blijven de managers ‘vooraan’ lopen en verplichten ze het volk hen te volgen. Maar de dozen zijn leeg, de vaten hol, de trompetten vals. Er is wanhoop te bespeuren: in zwakke sectoren is het nieuwe ook zwak en is de creativiteit rap uitgeput. Dus kopieert en steelt men, dus moet alle redelijkheid gesmoord worden. Het vieren van het nieuwe is de botte heersende ideologie vrij spel geven.

Krasznahorkai lezen toont aan hoe ideologiekritiek correct werkt: de managementcultuur van  het kapitalisme is gelijk aan het staatscommunisme van Oost-Europa. We lezen hoe de maatschappij een moeras is (van verbittering, verwaarlozing, machtsmisbruik), hoe de chaos bezit genomen heeft van de mens, hoe de propagandamachine van de macht het nieuwe introduceert tegen het oude maar een nog dieper moeras doet ontstaan en een grotere chaos veroorzaakt. Was alles maar bij het oude gebleven, het was al slecht genoeg, denken we voortdurend. De naam van Thomas Bernhard is al meer dan eens gevallen. Er is niet alleen een gelijkenis in stijl, de lengte, de ritmiek, de melodie en het zingen van de zinnen (maar het zingen heeft niets met de orale cultuur te maken, hiermee ook alle bullshit over de zogenaamde Nobelprijs voor literatuur de deur uitvegend), de retorische middelen samenvoegend tot een ondoordringbaar taalgordijn maar er is ook de ambivalente houding tegenover de wereld, een illusieloos observeren en een terechte woede die haast onverdraaglijk wordt maar ook een weten dat het goede niet zegeviert. Er is de chaos van het oude, er is de chaos van het nieuwe. Krasznahorkai stelt dit alles bovendien nog in een kosmisch verband, hij spreekt over de eeuwige harmonie, de rust van de kosmos, de eeuwigdurende misère.

Het kwaad in De melancholie van het verzet wordt verpersoonlijkt door een vrouw, een teef, een tang, een wijf, een pastoorsmeid – oh, hoe zie ik haar voor me: steeds haar hoofd wegdraaiend, boven haar borst laten hangen dan een draai naar rechts, haar ogen neergeslagen, het hoofd in de lucht zodat je haar neusgaten kan inspecteren, de woorden die als haar uitwerpselen zijn, haar ene voet over de andere voet geslagen, stinkend naar nicotine en urine, wippend van het ene been op het andere – een wezen dat de wereld zal veranderen – oh, hoe angstaanjagend zijn haar woorden – oh, hoe herkenbaar zijn haar woorden: ‘Er liggen rauwere, eerlijkere jaren in het verschiet, met meer openheid. Er komen nieuwe tijden aan,  […].’ (p. 61). Haar glimlach die de glimlach van het onderdanige venijn is dat het nodig heeft zelf te bassen. ‘[…] want iets vertelde haar dat “de overwinning, die haar gelijk zou bevestigen, niet lang meer op zich liet wachten.”’ (p. 56). ‘[…] een kracht die in plaats van het bestaande te beschermen alles verwoest wat onherstelbaar dood is en niet meer tot leven gewekt kan worden, en de platte saaiheid van zelfzuchtig bezitten verruilt voor de ‘verheffende passie van de gezamenlijke daad.”’ (p. 55).  Ach, hoe dichtbij hun fascisme.

Advertenties