anti! (3)

door johan_velter

zwart-rood_17

(Overdenkend en n.a.v. Antoine Compagnon, Les antimodernes : de Joseph de Maistre à Roland Barthes, Folio Essais, 2016)

Julien Benda wordt door Antoine Compagnon « un réactionnaire de gauche » genoemd, uit het verhaal blijkt hoe het modernisme ook als een aanval op het intellect, dus op de inhoud, geschreven kan worden – vandaar het gemak van het samengaan tussen de moderne geest en het kapitalisme in de praktijk. Benda verzette zich tegen het modieuze, de leeghoofdigheid. Ter herinnering: de warenleer van Karl Marx.

Overigens. Men moet eens proberen in 2016 een boek van Karl Marx te pakken krijgen. En de taal. Hoe noemen we onszelf? Burgers. Wij. De mensen. (Zij. Het gemeen volk. De onderklasse.) Maar deze termen hebben niet de krachtige intelligentie van ‘het proletariaat’. Zelf noemen we ons nooit zo, ook ‘arbeiders’ kunnen we onszelf niet noemen. En toch worden we uitgebuit en toch buiten wij de anderen uit – en er is geen woord dat deze wereld beschrijft.

Roland Barthes noemde zichzelf soms Eleutherius, de vrije mens, ook Luther heeft zich kort zo genoemd. Vanuit een vrijplaats die een vrijdenken mogelijk maakt – ooit heb ik de bibliotheek zo beschreven, naïeve dwaas die ik ben – heeft hij als een striemende zweep zijn « La trahison des clercs » geschreven. Zijn opstand tegen het verraad toonde zich ook in zijn literatuuropvattingen: kunst kan niet vrijblijvend zijn, is geen truc of tijdverdrijf maar heeft iets te zeggen over de conditie van de mens. De unieke positie van Benda was dat hij zich tegen het zogenaamd modernisme stelde maar evengoed het antimodernisme doorzag. Hem bleef eenzaamheid als deel. Hij is nooit een van de onzen geworden, maar ook niet een van de hunnen.

Antoine Compagnon: « Benda fut – non pas seul, certes – l’incarnation de la mauvaise conscience antimoderne de Rivière et de Paulhan, mais d’abord de Gide, vrai moderne divisé contre lui-même. »

Het boek van Compagnon leest als een Franse ideeëngeschiedenis, de schommelende gang tussen Pascal en Descartes. Het hoofdstuk over Roland Barthes is intrigerend en verrassend – Compagnon toont zich hier een volwaardige mede- en tegenstander. Compagnon concentreert zich op de laatste colleges die Barthes gegeven heeft (1978-1980), « La préparation du roman », waarin hij een andere Barthes ontwaart.

Compagnon: « La découverte peut étonner, mais elle permet surtout de vérifier une dernière fois que la modernité, depuis Baudelaire, est faite d’antimodernes. »

Het verrassende is dat de antimodernist-modernist Roland Barthes in de poëzie de kern van het huidige bestaan legt. Over het manuscript gebogen, leest Compagnon een filosoof die vermoeid en treurig is.

Compagnon: « […] le manuscrit d’un ami, c’est comme retrouver une lettre restée en souffrance. Dans la couleur de l’encre, le tracé des lettres, on reconnaît un corps. »

Niet alleen het bestaan maar Barthes zocht in de poëzie een mogelijke redding van de literatuur, de titel van zijn conférences daarmee negerend. De literatuur is niet in crisis, maar is in een stervensproces beland omdat de band met het verleden doorgeknipt is. De huidige romans hebben niet de ambitie een « grand roman » te zijn, zoeken niet « la valeur ». Barthes is natuurlijk ook een ordinaire mopperaar – hij vergeet de groten die ook vandaag nog bestaan.

Roland Barthes: « Je n’aime ni ne comprends rien d’actuel, j’aime et je comprends l’inactuel ; je vis le temps comme une dégradation des Valeurs »
Gustave Flaubert: Mon Dieu! Mon Dieu! Dans quel siècle m’avez-vous fait naître? »
Roland Barthes: « Toujours cette pensée: et si les Modernes se trompaient? S’ils n’avaient pas de talent? »

In Godot leest Barthes de goedkeuring van de bourgeoisie omdat Beckett de allegorie afgezworen heeft, een stuk schrijft zonder ‘boodschap’, hij toont de naakte realiteit maar overstijgt die niet, legt geen verbanden. Barthes verwijt het modernisme dat het zich heeft laten inkapselen door die bourgeoisie – een teken van intellectuele en morele zwakte. Dit wordt gemaskeerd door een mengeling van verveling en hermetisme, een interessantdoenerij maar uiteindelijk is dit een nietszeggerij.

Compagnon: « L’avant-garde est impensable sans la bourgeoisie libérale, car elle ‘est fonctionnellement liée à une conformisme régnant mais non tyrannique’ ; elle conteste donc, mais dans les limites permises. »

Barthes zoekt, met Brecht, een literatuur van het engagement, een vorm van politiek realisme, een nieuwe gemeenschappelijke taal. Hij wil slechts de modernistische vormen behouden (de aliënatie). Het is in de poëzie (René Char) dat Roland Barthes een gemeenschappelijkheid ziet, een overstijgen van de stilte van Rimbaud en Mallarmé. De taal afwijzen is ook de geschiedenis afwijzen: de taal verbindt de elementen van het heden (daarom zullen tirannen steeds het schrijven verbieden, bang als ze zijn de terreur beschreven te zijn, de terreur in de dagelijksheid aangewezen te zien) en het nu met het verleden. De breuk van het modernisme is de breuk met het verleden. Het nu van het modernisme is de leegte van de avant-garde.

Antoine Compagnon: « L’avant-garde, c’est la misologie : Paulhan et Barthes s’accordaient sur cette thèse. »

Poëzie is de praktijk van het subtiele in een barbaarse wereld. Ze kan de wereld redden omdat ze een goedkeuring van de wereld is, discreet, particulier en een restfunctie. Poëzie is in zichzelf geborgen, is zichzelf een rechtvaardiging, is geen dienstmaagd. En dan de lucretiaanse idee:

Roland Barthes: « Ceci pourrait être la définition de la Poésie : elle serait en somme le langage du Réel, en ce qu’il ne [peut] plus se diviser ou ne s’intéresse pas à se diviser davantage. »

De laatste zinnen:

Advertenties