anti! (2)

door johan_velter

zwart-rood_16

Een basisgedachte is dat een systeem de vrijheid belemmert. Als het modernisme uit voorschriften bestaat, dan belemmert het de vrije gedachte en stimuleert het de leugen – wie niet vrij kan denken, kan slechts gebonden handelen. Elke ideologiekritiek is op deze gedachte gebaseerd: de vrijheid beknotten is niet alleen de mens doden maar ook het systeem laten doodbloeden. Terreur en intimidatie bestaan slechts omdat men de leugen wil/moet bestendigen, de waarheid is een gevaar voor de eigen positie. Men gaat er van uit dat de vrijheid in het Westen gerealiseerd is, in de praktijk blijven de kleingeesten aan de macht.

Antoine Compagnon, « Les antimodernes, ce sont des modernes en liberté. »

De antimodernen zijn voor Antoine Compagnon die denkers die weerwerk leveren en de ambivalentie van het modernisme onder ogen kunnen/durven zien. Ze hebben argwaan tegen wat nieuw genoemd wordt, zij doorzien de strategieën van macht en leugen, ze geloven niet in de grote omwentelingen, de romantiek is een oude vrouw, de taal een wonderspel. Zeker is er een vorm van anti-intellectualisme: de argwaan tegen het systeemdenken. Het merkwaardige is, dat Compagnon wel de anti-lumières beschrijft maar niet ten volle beseft hoe de grote Verlichtingsdenkers zelf al afstand namen van wat ze in gang gezet hadden. Diderot, d’Alembert, de Jaucourt hadden een denken ontwikkeld dat niet noodzakelijk rechtlijnig was maar met hinkstapsprongen genomen werd: het ja poneren, het nee alle rechten geven. (Ten onrechte zegt men dat ze reeds de romantiek in zich droegen. Dit is een gemakkelijkheidsdenken: niet de romantiek, het spirituele, het spel van het denken was aanwezig.)

Joseph de Maistre: « C’est l’esprit du XVIIIe siècle contre les idées du XVIIIe siècle. »

Antoine Compagnon: « L’anti-moderne […] a du mal à composer : son œuvre est toujours un peu monstrueuse. C’est aussi ce qui persiste à faire de lui un moderne. »

De anti-modernen stellen het concrete voorop en maken nogal graag het abstracte, het universele belachelijk. De mens is niet in hun systemen te vatten, er is ruimte nodig voor het andere, voor het niet-gladde, de luiheid, de lach. De mens bestaat niet, er zijn Fransen, Engelsen, Duitsers. Helga, Helen, Honorine. Schopenhauer: ‘het betere is de vijand van het goede.’ De vooruitgang is pas mogelijk als men in abstracte termen denkt en het individuele overboord gooit. De mens is een detail.

Charles Baudelaire: « La croyance au progrès  est une doctrine de paresseux, une doctrine de Belges.’ »

De anti-vooruitgangsidee van de anti-modernen is gebaseerd op een beperkt empirisme, op een gemakzuchtig scepticisme en is insluitend omdat ze slechts rekening houdt met ‘de menselijke ziel’: in wezen [sic] blijft de mens gelijk. Het is blindheid niet te zien dat de mens van de zestiende eeuw anders is dan die van de 21ste eeuw. De maatschappij wordt in simpele metaforen gepakt: de maatschappij wordt gezien ofwel als een boom ofwel als een gezin. De goede huisvader doet zijn intrede. Mama zorgt. Tegelijkertijd is het pessimisme aanwezig: dit conservatisme wordt slechts nodelings omarmd: er is immers niets anders. De anti-modernen geloven het anti-modernisme niet.

Antoine Compagnon: « De Maistre et Chateaubriand, théocrates et ultras, défendirent avec acharnement – avec l’énergie du désespoir – la cause de la contre-révolution, mais ils ne crurent jamais à son succès : c’est ce doute essentiel qui les rend antimodernes et fait le charme de leurs propositions les plus tranchantes et scandaleuses. »

De Maistre was een meester in het bespelen van de taal – het is modernistisch te zeggen dat de taal met de spreker/schrijver/lezer aan de haal gaat. De Maistre toont zich de temmer: hij gebruikt woorden in een betekenis die we nooit zo gelezen of begrepen hebben, hij zet het ene woord tegenover het andere en daar is, als een bliksemschicht, een inzicht. Gebruik die woorden in een andere context en je valt door de mand. De Maistre, nomen, de meester, omen. Compagnon citeert hem over de Franse Revolutie: nee, zegt hij, het is geen événement, het is een époque,

De Maistre: « et malheur aux générations qui assistent aux époques du monde. »

De antimodernen ‘geloven’ aan de erfzonde, zelfs als ze niet geloven –er zijn veel ongelovige gelovigen onder de antimodernen. De mens is zwak, doet het kwaad, hij is niet zo maakbaar als de modernen willen geloven. Het poneren van de erfzonde maakt het mogelijk om veel te aanvaarden (maakt het mogelijk al te veel te aanvaarden). De misstap is niet zo uitzonderlijk. Dit kan leiden tot een grenzeloze misantropie, maar evengoed naar een mededogen. Opvallend is hoe Compagnon niet de misogynie in zijn analyse opneemt – ook hij het slachtoffer van zijn tijd.

In deze tijden moet er een seculiere erfzonde gecreëerd worden: elkeen is medeschuldig, niet aan het verleden maar aan wat vandaag gedaan wordt. Wijzelf houden het kapitalisme in stand. De film « L’avenir » van Mia Hansen-Løve, met in de hoofdrol de goddelijke Isabelle Huppert, heeft in die zin een kans laten liggen om een werkelijk beklijvende film te worden. Die is nu oppervlakkig dualistisch, sterker zou de film geweest zijn als de zogenaamde anarchist getoond zou worden als een ordinaire bezitter van een huis, een automobilist en roker bovendien en hoe hij door in deze tijd te leven niet anders kan dan binnen het systeem te functioneren. Sterker zou de film geweest zijn als zou blijken dat het filosofiehandboek, dat het hoofdpersonage geschreven heeft en dat de uitgeverij geen nieuwe druk gunt, vervangen zou worden door dat van de anarchist en zijn medestanders: zij die het auteursrecht ook bekampten. Het is pas wanneer men beseft welke ecologische, intellectuele en morele schade men zelf berokkent, dat men het systeem kan veranderen. (Tegelijkertijd: de nadruk op het individuele is een blindheid voor het sociologische.) Het systeem is immers niet langer de ander, maar wijzelf. Het is het streven van de managementmaatschappij om de misdaad te democratiseren. Daarom is voor de antimodernen de democratie een uitvinding van de duivel. Wie is de beul? Wie het slachtoffer?

De democratie is de wet van de meerderheid, dus van de domheid – maar uiteindelijk heeft de buik altijd gelijk. Wat nu denigrerend populisme genoemd wordt, is de terechte opstand tegen de corrupte elite. De wanhoop van de buik is er omdat er geen alternatief is – het resultaat zal dus een allesverslindende zelfvernietiging zijn. Deze domheid toont zich ook in de kunstvormen – het socialisme heeft nooit een eigen esthetica kunnen ontwikkelen (en heeft daardoor getoond dat de ideologie zelf te zwak is: een sterk idee, toont een sterk beeld – vandaar de degeneratie van de religieuze kunst). Het sociaal-realisme, het naturalisme zijn slechts verhevigde vormen van een kleinburgerlijk verlangen naar reproductie, elke creatie is immers verdacht voor:

Charles Baudelaire: « des esprits, non pas militants, mais faits pour la discipline, c’est-à-dire pour la conformité, des esprits nés domestiques, des esprits belges, qui ne peuvent penser qu’en société »

De dandy is de figuur die binnen de maatschappij staat maar rebel is, die de vormen schijnbaar aanvaardt maar door ze verder te ontwikkelen de grijze muizen belachelijk maakt. Hij is het individu die los staat van de wereld, die met minachting heerst. De societas der individualisten is niet langer gebaseerd op arbeid of geld maar op levenswijze. De verachting voor het dagelijkse bestaan, de minne beslommeringen, de roddel en achterklap. In de modder de sterren zien.

Oscar Wilde: “We are all in the gutter, but some of us are looking at the stars.”

Het schelden is antimodern. Compagnon geeft prachtige exempels, Seneca weer het voorbeeld. Het is het geloof in de taal, het woord. Wat uitgesproken is, is waarheid. Wat neergeschreven wordt, is de wereld vormgeven. Het is de taal die het individu maakt en doet leven, de taal die het denken is, het spirituele, de verfijning. Er zijn cultuurfunctionarissen die de taal verbieden.

Antoine Compagnon: « Esprit, vivacité, ingéniosité, imprévu, impertinence, paradoxe : voilà une excellente description de l’ironie, typique de l’antimoderne, qui sera celle de Baudelaire. »

Joseph de Maistre : « Le paradoxe est la méchanceté des hommes bons qui ont trop d’esprit. »

(Overdenkend en n.a.v. Antoine Compagnon, Les antimodernes : de Joseph de Maistre à Roland Barthes, Folio Essais, 2016)

Advertisements