een spottend gevezel

door johan_velter

hugo-van-der-goes

‘En hoe hij daarna, bij die opkratering van wellust, den God van goedheid en barmhartigheid om redding smeekte, en zijn van droomzoenen nog sidderende lippen aan de Christus-wonden drukte, en in die ure van den nood, den Heiland hopeloos aanriep, toch rukten de verleidingen steeds geweldiger op hem aan, vooral in ’t schemeruur, als de voorwerpen in lijn wegstierven en overgingen tot vreemde wezens, tot helsche verschrikkingen en opdoemingen, die hij in starheid neergekneld, aanstaren moest met wijdopen oog, tot hij dan, van vlijmende pijnen aan de hersenen verplicht was de oogen te sluiten. Maar niettemin, door den geest, bleef hij dan toch die zwoelpaarse en roode visioenen ontwaren.’

‘Zijn hart werd opengereten van twijfel ; weemoed omfloersde zijn ziel en hij huiverde voor de ontzettingen des levens, voor de onttooveringen in zijn idealen, voor den kortstondigen duur der wereldsche vreugden, voor de nietigheid en de vergankelijkheid van al wat is op aarde. En in zijn oog donkerde dan de angst, en die blik schitterde vreemd van wanhoop.’

‘Thans, vroomstille, zweefde de nacht aan.’

‘Wend uw gelaat niet af. Neen, mijn droeve passie heeft u niet genageld aan het kruis ; ik heb u niet gehoond en bespogen, niet gegeeseld en met dorens gekroond! Zwakheid is mijn naam, daar ik mensch ben, en om dies wille verdien ik geen veroordeeling, wel ontferming.’

‘Zij glimlachte hem toe, fluisterde zijn naam. Onbeweeglijk stond Hugo, zijn hart klopte forsiger. Maar zijn ziel beefde van angst.’

‘En wezenloos liep hij voor zich uit, bang voor de donkere boomen. En in ’t gelooverte hoorde hij een spottend gevezel. Schaduwen ontwaarde hij, arglistige wellustduivelen. Links en rechts zag hij kwelgeesten omdwalen of hem uit het zwarte gebladerte met vurige oogskens begluren. Zij hurkten schelmsch neer op wortelkrallen of aan stamknobbels. Dwergduiveltjes met apesnoeten zag hij, die de langnagelige handen uitstaken om hem aan te grijpen en mee te slepen naar zwavel en vuur. Hij hoorde ravengekras, ’t geroep van uilen, ’t gekwiek van aardmuizen. Hij zag dwergventjes die op horens toetten, vliegende visschen, waggelende zwijnen waarop heksengebroed zat ; reusachtige hagedissen, padden die hem star aankeken, jonge en oude vrouwen die hem wenkten. Hoofdgebogen ijlde Hugo verder. Hij slaakte kreten van ontzetting. En heksen en demonen, vleermuizen en visschen en nachtgebroed holden en hinkepatjinkten, rolden voor zijn voeten, trokken aan zijn pij, spotlachten en grinnikten, piepten en knorden, blaften en miauwden…’

‘En in volle zomerschoonheid dacht hij soms aan den dood als aan een verlosser, hoewel hij huiverde voor den dood dien hij, langzaam en loensch, onmeedogend op zich voelde inwerken en zijn krachten slopen.’

‘Uit de boschdichtheid kwam de roep van den koekoek. Een goudhaantje zong op den tak van een den. Het woud prevelde.’

‘Laat me toe u deze woorden te zeggen, hier waar de ziel huivert vóór de wonderen der schepping. Laat rusten mijn oog in uw oog! Oog waarin schittert de luister der sterren, waarin rust de fluweelige schoonheid van parelen en safieren, en robijnen vlammen! Me-lieve, laat uw bloesemzachte armen me nog eens omgeven, armen zoo slank als de hals van sneeuwwitte zwanen, donzig als de blaadjes van witte leeljen…O gij de vrouwe, die ik niet vergeten kan ; […].’

‘Ging de dag rustig voorbij, zoo keerden rond den avond de beelden van ontzetting en de wezens van vermaledijding terug.’

‘Wanneer de wind wat al te baldadig in de schouwpijp roefelde, zwegen de monniken om naar het woudgejammer en het tempeestgeloei te luisteren.’

‘Bang blikte hij soms in ’t rond en tuurde, als ware hij van vijandige machten die hij niet weren kon, omgeven. ’t Zweet brak hem uit aan de slapen en met de bevende vingers wreef hij over ’t voorhoofd. Hij beeldde zich in, dat de geesten van hel en nacht om hem huilden, duivels en heksen, vrouwen van vermaledijding, die aan wellust geofferd hadden en verkocht hun lichamen, die stonken naar ontbinding en dra met hem in zwavel en vuur hun zonden zouden moeten uitboeten.’

‘Zijn oog werd dieper van blik. Hij luisterde naar ’t gefluit van den merel, naar den woudroep van den koekoek, naar ’t geneur van sijsje en distelvink in de elzenboschjes. […] Ik zie de leeljen, en de angelica, en het ijzerkruid, en de zoo zoet geurende witte pioen. Hoor, ’t gezang der vogeltjes. Vink en sijsje, merel en nachtegaal.’

‘Weer voel ik de booze geesten ; zij spoken om en in mij … Ik hoor ze. Van uit het zwarte loover begluren ze mij. Ik zie ze neergehurkt aan de wortelkrallen der boomen. Hun oogen schitteren lijk deze van hagedissen en nachtvogels, van hongerig-huilende wolven ! Hun kralvingers steken ze uit om mij te sleuren naar ’t eeuwige vuur !’

‘In het trillende licht lagen de kloostervijvers, zilverwit en grijsblauw beschelpt, te glinsteren. Van de overdadige hitte zaten de vogelen stil weggedoken tusschen het loover te hijgen. Het kloostervee lag in het dal, luiloom gehurkt in den schaduw van popels en wilgen.’

‘ ‒ ’t Vuur voel ik bijten aan ’t hoofd, vuur dat niet uitdooven wil … ’t vuur der vermaledijding …
En uit huiveringwekkenden afgrond, zag hij rotsen oprijzen, bonkig-zwaar en scherp van naalden ; roodvlammende granietblokken, waaronder er waren die op andere neergebeukt lagen ; enkele, aan den bovenkant afgerond, die op reusachtige sfinxen geleken.
En uit de diepte spoelde een zee van vlammen omhoog, rolde aan met ontzettend gehuil en onder die roode golven werd Hugo begraven.’

‘Aan het raam, op den tak van een perelaar, zong een roodborstje, en een merel floot.’

‘En terwijl de vleugelen van den dood over Hugo donkere sluiers weefden, boven het woud glorievlamde de zonne.
Vóór het raam, op een zilverrank berkentakje, zong een roodborstje, zooals naar vertelt de legende, ten tijde toen op Golgotha Jezus stierf voor het heil der menschheid.’

Piet Van Assche, De waanzin van Hugo Van der Goes, Gust Janssens, uitgever, 1927

Advertenties