enkele muzieknoten over ‘een bruid in de morgen’ van hugo claus (8)

door johan_velter

hugo-claus_een-bruid_marie-laurencin-decor-en-kostuums_1924

In het stuk Een bruid in de morgen lezen we een Hugo Claus die vol mededogen is met zijn medemens: hij is nog niet de bittere, hij heeft sympathie voor zijn personages. Toch weet hij dat dit leven geen leven is. Tegenover de grauwheid van de armoede, de kleinburgerlijke moraal en de hang naar autoritarisme, stelt hij de lichtheid van de Franse klassieke hedendaagse muziek. Net zoals hij in de Franse schilderkunst een tegenhanger vond voor de Duitse zwaarmoedigheid en het Vlaamse realisme, zo hoort hij in die muziek de mogelijkheid van een aardse hemel.

Het modernisme wordt geassocieerd met het abstracte, het betekenisloze en de ontkenning. Maar figuren als Marie Laurencin, Jean Cocteau en Francis Poulenc behoorden ook tot het modernisme en zijn van die stelling een ontkenning. Uit de tentoonstelling 21 rue la Boétie die nu in Liège te zien is, is af te leiden hoe Marie Laurencin een dragende figuur was in de galerie (en niet galerij zoals in de catalogus te lezen is, maar het Nederlands van die catalogus is een regelrechte ramp en schande), ook al wordt ze vandaag de dag niet meer zo gezien : onze blik op het modernisme is gedeformeerd.

Er is een parallel te trekken met de filosofie: men associeert de Verlichting met filosofen als Diderot en Voltaire maar de Verlichting bestond aan de ene kant ook uit een figuur als De Lamettrie (die tot de dag van vandaag misprezen wordt) én uit de anti-Verlichting (anti-denkers voegen immers meer toe dan meelopers). Het is de verdienste van Isaiah Berlin geweest om het denken over de ideeëngeschiedenis te verrijken met deze stellingname en aldus meer recht te doen aan de verscheidenheid van de fenomenen. Toegepast op de literatuur: de geschiedenis had een ander verloop gekend als niet T.S. Eliot de heraut van het modernisme genoemd werd maar wel Wallace Stevens. Of op de beeldende kunst: er is Malevitsj geweest, Picasso en Picabia. Het is de zwendelaar Marcel Duchamp, met in zijn kielzog de tricheur Broodthaers, die de kunstgeschiedenis gekaapt heeft en het zijn de metafysici die het visuele (en dus het aardse) ons gestolen hebben. Maar stel u voor dat niet Duchamp maar Picabia als de belangrijkste grondlegger van het modernisme beschouwd zou zijn, dan zou de negatie van de kunst binnen de kunst gebeurd zijn en zou het plastische niet verlaten zijn – of toch niet op de manier van Duchamp, die immers zijn eigen schilder-zijn heeft afgezworen.

In Picasso vind je zowel het decadente (kijk maar naar die circusfiguren én zijn toneelbeeld voor Parade) als de deconstructie die géén deconstructie in de hedendaagse betekenis is: Picasso bond de elementen met levenselixir. Zijn diepzinnigheid was niet het moerassig Duchamp-gratuite maar een actief denken.

Deze problematiek staat centraal in het werk van Hugo Claus én in de appreciatie ervan. Hoeveel hij ook gebruik gemaakt heeft van anderen, en omgekeerd, hij was een eenling omdat hij nooit tot een kamp te rekenen was, tot grote frustratie van bijvoorbeeld Jan Walravens of de 68’ers, steeds het tegendeel in zich droeg en dus het meervoudige was. Claus was modern maar ook oud(erwets), hij vertelde verhaaltjes, er waren verwijzingen naar het verleden (maar niet altijd de canon, voor hem was cultuur ruimer dan enkel de groten der aarde). Zijn werking was minder oppervlakkig omdat zijn modernisme in de vorm lag, ook in de tegendraadsheid van de taal. Hij ontsnapte aan de schema’s en zijn subversiviteit was veel gedragener omdat hij de worm in de kaas was, niet de rat die de kaas wegkaapte.

Claus gebruikte namen uit de cultuurgeschiedenis maar niet altijd is duidelijk wat hij ermee beoogde. Zo laat hij ook in de roman Schaamte de naam van Chopin vallen, maar is dat nu positief of negatief of neutraal? Het hoofdstuk ‘Slay now, pay later’ begint zo: ‘Hofman rolt een stick. Hij lijkt op Chopin, zonder de bloemkelk-lippen. Hij tuurt naar …’ (De romans, II, 2004, p. 191). Het minste wat we kunnen zeggen is dat klassieke muziek voor hem een referentiekader was. Ditzelfde geldt eigenlijk ook voor de personages: het is onduidelijk welke kant de auteur trekt. Thomas is al bij al toch te simpel, Andrea doodt zichzelf en ontkent dus het leven; iets van de apathie van de vader zit in de schrijver en Madeleine en Hilda komen niet in het spel. Als een groot auteur en een ruimhartig mens spreidt Hugo Claus zijn menslievendheid over verschillende personages en versplintert hij aldus de waarheid (want de moraal).

Wat is Een bruid in de morgen nog meer? Het onvermogen gevoelens te uiten, nee, te hebben. De ouders hebben zichzelf al eerder gedood en het is vooral de moeder die, al is zij de enige die van  in het begin wéét, haar kinderen in de val lokt omdat zijzelf de meeste kansen gehad heeft maar de verkeerde man gekozen heeft. Het toneelstuk is voor de zoveelste maak het bewijs van de slechtheid der moeders.

Er is natuurlijk de poëzie maar vooral de poëzie van een vertrouwelijke, intieme, verboden relatie. Voor Thomas en Andrea bestaat het taboe niet, ook de vader ziet die niet: enkel de moeder en Hilda beseffen wat een ‘onnatuurlijk’ koppel dit is. Wat doet Claus? Hij brengt mensen in een situatie en dat leidt tot een inzicht, ook al is dit inzicht dat men blind is. Dit is geen psychologie, maar ook geen ‘inwijding’: het is de situatie die hen in een nieuwe rol brengt, niet een godsdienstige macht of een ritueel – Claus plaatst de liefde in een verband dat onmogelijk is, wat blijft er dan over? Geen liefde.

De figuur van Thomas zou beter uitgespit moeten worden – maar kan die consistent gemaakt worden?: het rijden over een nat tapijt van bladeren, het opgejaagde hert (Thomas als ‘une biche’), zijn droom met kikvorsen, zijn verlangen naar mijnheer Alban, de prinsen, de dieren, het autorijden. Er is een cultureel net over hem gespannen waardoor híj de bruid is. Andrea lijkt misschien de sympathieke maar is dat niet: ze gaat op zoek naar het absolute en dat is per definitie niet het meervoudige – een weerspiegeling van het conflict (zuiverheid/droom tegenover het vette) dat Claus niet opgelost gekregen heeft. Andrea is ook niet de onschuld (en dat is Thomas ook niet want hij ‘bekent’ Andrea dat hij Hilda manipuleert en bedriegt) want ze manipuleert Thomas. Er is een keten van bedrog en leugen. Wat slecht is, kan ook goed zijn. De moeder verkoopt haar zoon aan nicht Hilda – wat als slecht en kleinburgerlijk overkomt (het geld) maar ze wil haar zoon ook redden uit de macht van Andrea – wat als positief geïnterpreteerd kan worden.

De naam Tennessee Williams is hier ook al gevallen. Dit is wat hij in het voorwoord schrijft over de muziek bij het stuk (Penguin, 2013, p. XVII-XVIII): “It expresses the surface vivacity of life with the underlying strain of immutable and inexpressible sorrow. When you look at a piece of delicately spun glass you think of two things: how beautiful it is and how easily it can be broken. Both of those ideas should be woven into the recurring tune, which dips in and out of the play as if it were carried on a wind that changes.” En is dit niet wat Les biches van Francis Poulenc in Een bruid in de morgen is? Claus, de aandachtige lezer.

En zoals Tennessee Williams het schrijft over zijn eigen The glass menagerie:  “The play is memory. […], it is not realistic. In memory everything seems to happen to music. That explains the fiddle in the wings.” (p. 5) en dat is ook de sfeer van het Vlaamse: op het toneel de werkelijkheid, boven de scène, in de sfeer, de hemelse muziek.

hugo-claus_een-bruid_partituur-poulenc-laurencin

Het stuk kan ook gelezen worden als het einde van een mannentijdperk: de vader is geen man, de zoon zal nooit een man kunnen worden. Het stuk is een zaak van vrouwen: zij beredderen het leven, zij maken het leven kapot.

Wat als we Mijnheer Alban gelijkstellen aan Alban Berg, is Pattini dan Poulenc en als Pattini in de klem zit, is Poulenc dan Claus? Een wensdroom?

Het thema van het stuk is enerzijds naar de vorm een poëtische schets van wat onmogelijk is en in zichzelf toch ook het verderf bergt, anderzijds naar inhoud een groeiend weten dat ‘het’ niet kan, dat we allemaal verloren zijn. Geen eenduidigheid toch: men is niet gek, men is normaal, men is vreselijk. Het stuk is een ontluistering van illusies. Andrea gelooft dat Thomas niet van haar houdt; Thomas ziet zichzelf de ander manipuleren en hij zal geen chauffeur (dus geen ridder) worden; Hilda weet dat Thomas haar niet kan liefhebben; de vader zal geen piano krijgen en de moeder, alhoewel haar machinatie mislukt, maakt ze er toch nog een vrouwenonderonsje van: Hilda wordt haar hartsvriendin.

De auteur die zichzelf bevraagt. Op p. 66 (1999), een regie-aanduiding bij wat Hilda zegt: (spreekt zij over iemand anders?).

Beeld: Les biches, muziek van Francis Poulenc, decor en kostuums van Marie Laurencin, ‘1924’ ; oorspronkelijke partituur van Poulenc, met een prent van Marie Laurencin. En een link:  Hugo Claus over Een bruid in de morgen

Advertenties