enkele muzieknoten rond ‘een bruid in de morgen’ van hugo claus (7)

door johan_velter

hugo-claus_een-bruid_matisse_la-biche-1936

Er zijn uitdrukkingen, maar charmante uitdrukkingen, die geschrapt werden. In de eerste editie spreekt Andrea over nicht Hilda die om haar geld aan Thomas gekoppeld wordt (ook al is de moeder de schuldige, en al is de vader een medeplichtige: de moeder wéét welk goor zaakje ze bekokstooft): ‘[…] Zij heeft geld genoeg. Wat kost het haar om wat rommel mee te brengen en je daarmee warm te houden?’ (p. 27). In de editie 1999 blijft enkel ‘Zij heeft geld genoeg.’ (p. 32) over. ‘Iemand warm houden’ is een Nederlandse uitdrukking en in de eerste versie toont Andrea zich een scherpzinnige: cadeaus worden niet gegeven maar zijn bedoeld als ruilhandel. Op p. 47 van  de 1955-editie draagt Hilda een kleed, dat was ook nog zo bij de LP’s (Literaire pockets) maar is in 1999 veranderd in een ‘jurk’ (p. 43). Idem voor ‘Zij is er toch voor in staat?’ (1955, p. 50 en p. 53 voor de LP’s) dat in de 1999-editie veranderd werd in ‘Zij is er toe in staat.’ (p. 44) maar waar het vraagteken verdwenen is. Het woord ‘verduiken’ verdwijnt in de latere editie (p. 46, 1955: p. 54). Het woord ‘hospitaal’ blijft echter wel overeind in de 1999-editie (p. 57).

Een eigenaardigheid in de 1999-editie is het gebruik van de hoofdletters. Zo wordt bijvoorbeeld (dit geldt ook voor ‘Mama’, ‘Nicht’) op p. 58 geschreven: ‘Ga naar Pa’s kamertje.’ terwijl er in de eerdere edities gewoon ‘Ga naar pa’s kamertje.’ stond (1955, p. 77 en LP, p. 85), waardoor de 1999-editie typografisch een verouderde indruk maakt. Zo blijft het eigenaardig dat een woord als ‘Dierentuin’ (p. 83) met een hoofdletter geschreven wordt.

We hebben eerder geschreven over de bovenbuurman die nu en dan van zich laat horen wanneer het lawaai hem te gortig wordt. Claus schrijft op p. 67 (1999): ‘De man tikt met een stok heel hard tegen het plafond.’ De man tikt natuurlijk niet tegen het plafond maar tegen de vloer. Van het Pattini-standpunt is het dan wel het plafond. Gelijkaardig is de droom van Thomas een Simca te bezitten die later een Lancia (p. 78) geworden is.

Ongelukkige zinnen zijn behouden: ‘Henri mag dit huis bewonen tot zijn dood van de Muziekvereniging.’ (p. 97, 1955; p. 69, 1999).

De frustratie van de moeder wordt door Claus verklaard uit het feit dat ze vroeger verkering had met een baron maar dat ze uiteindelijk toch voor Pattini gekozen heeft. Verkeerde keuze geweest. ‘Pattini was toen leraar aan het Conservatorium en ’s avonds om zeven uur stond ik hem af te wachten. Maar ik was toen al verloofd met Baron Lemberecht en die was, omdat ik al enkele jaartjes ouder was, ontzettend jaloers …’ (1955, p. 61 en p. 66, LP). In 1999 zijn de rollen omgekeerd: ‘Pattini was toen leraar aan het Conservatorium en ’s avonds om zeven uur stond ik hem af te wachten. Maar ik was toen al verloofd met Baron Lemberecht en die was, omdat hij al enkele jaartjes ouder was, ontzettend jaloers …’ (p. 50).

Dat Hugo Claus met Een bruid in de morgen alweer geen realistisch stuk schreef, is te bespeuren in de enigmatische figuur van Mijnheer Alban, die zowel een droomfiguur is voor Thomas, als een vervangende vaderfiguur. Hij verlangt ernaar zijn chauffeur te mogen zijn: een typisch beroep voor een twijfelaar: zowel dienend als zelf sturend. De oude man is de vertegenwoordiger van de godenwereld, Hilda van de aardbewoners. Maar het is ook merkbaar in het spel met de dieren – ook dat, wat een essay zou ‘Hugo Claus en de dieren’ niet kunnen zijn – lees maar op p. 83 over de grijze aapjes of elders over het hert, het hazevel, de blinde mol, het pantertje, de vis op het droge, enzovoort.

In de 1999-editie wordt Thomas ‘kwilzilver-Thomas’ genoemd (p. 34), wat natuurlijk ‘kwikzilver-Thomas’ moet zijn. Is hij dan Mercurius/Hermes? De boodschapper (chauffeur) die de mens naar de overkant draagt: Thomas die Andrea ‘helpt’ sterven?

Er zijn ‘overbodigheden’, ‘herhalingen’ geschrapt. Als de moeder weer eens haar klaagzang tegen haar man laat horen: ‘En als je dan eens je mond open doet is het om partij te trekken tegen mij. Ah, ik ben hier alleen in dit leeg huis en sta voor alles en zodra ik iets in mekaar wil steken om jullie een ordentelijk leven te bezorgen, werken jullie mij allemaal met alle macht tegen.’ (1955, p. 33). In de editie 1999 wordt alleen de eerste zin overgehouden (in de LP-edities was de volledige quote aanwezig). De moeder speelt de pelikaan maar we weten dat dit vooral zelfliefde is. De uitdrukking ‘partij trekken’ wordt hier ‘eigenlijk’ verkeerd gebruikt. De uitdrukking betekent voordeel halen uit, Claus bedoelde echter ‘partij kiezen’. Het duidt er nogmaals op dat de uitgeverij zelf weinig redactiewerk verricht heeft. Buiten een aantal slordigheden natuurlijk, zoals een punt plaatsen waar er eerder een vraagteken stond: ‘Wat is er van gekomen.’ (p. 36) waar er in eerdere edities ‘Wat is er van gekomen?’ stond.

En zo kunnen we doorgaan, er zijn wijzigingen, kleine verschuivingen maar er worden nauwelijks essentiële zaken veranderd. Wel is er een verkorting, maar dat maakt de tekst zelf niet kernachtiger.

Het stuk van Claus wordt dikwijls teruggebracht tot The glass menagerie (1945) van Tennessee Williams. Dit is niet helemaal terecht: het indringers-/messiasmotief is ook in andere stukken aanwezig maar vooral is er het mededogen van Claus voor zijn personages. Bij Williams is Laura Wingfield zwakzinnig, zijn de andere personages pijnlijk karikaturaal. Claus waarschuwt zowel in het stuk zelf als in zijn nota’s achteraan het boek dat de personages niet belachelijk zijn. Op p. 45 (1955) over Hilda: ‘[…], een streng geklede vrouw rond de dertig, onhandig en verlegen, iets te veel gemaquilleerd. Maar niet belachelijk.’ [Let overigens op het ‘rond de dertig’ terwijl Claus eerder schreef dat ze 38 jaar oud is (p. 18) – een redacteur zou de auteur suggereren ‘rond de veertig’ te schrijven.) En in de nota’s over Hilda: ‘Niet belachelijk, hoe naïef haar gezegden ook zijn.’ Overigens is Hilda helemaal niet naïef maar weet ze van wanten en neemt ze seksueel het initiatief. Over de vader: ‘Zeker geen meubelstuk.’ Over de moeder: ‘Onderdrukte gevoeligheid.’ Over Thomas: ‘Hij is niet achterlijk, maar een beetje vreemd.’

Op p. 42 ziet Hilda volgens de moeder er ‘weer knap uit vandaan.’ wat volgens Claus toch ‘vandaag’ zou moeten zijn.

Het stuk is een proces van bewustwording, van zien – ook al wordt het donker, elk komt tot een kern van waarheid. Andrea zegt het duidelijk tegen Thomas (en we denken aan Thomas, de ongelovige): ‘Je zal zien, Thomas je zal zien.’ (resp. p. 80, p. 88, p. 59) – in de eerste editie stond na ‘Thomas’ terecht een komma, later is die weggevallen en weggebleven.

Wat is de conclusie van de moeder – en van de auteur zelf? Dit: ‘Maar toch, wij zouden gelukkig kunnen zijn indien wij ons schikten in ons lot, tevreden waren met hetgeen wij bezitten. Maar het gaat niet en echt waar, ik weet niet waarom. Waarom zijn wij niet gelukkig? Omdat de ongelukken in ons zitten, denk ik, Hilda, omdat wij ongelukken meedragen. Zoals andere mensen bruin of zwart of blond haar hebben, dragen wij ongelukken met ons mee. […] Vroeger was het niet anders. Alleen zagen wij het niet zo duidelijk. Maar het was steeds zo.’ (p. 69).

Andrea noemt Hilda een ‘kleine bruid’, dit gebeurt in de onthulling over het verleden van Thomas, een verleden dat ook toekomst zal zijn. Andrea is een Kassandra die de toekomst voorspelt, daarvoor haar leven moet geven. Door haar eigen moeder wordt ze uit het huis verbannen, ze moet naar de Kempen bij haar tante Lucia, p. 81 en p. 82, 1999, in 1955 was dat nog ‘Tante Marghareta’ (p. 119 en p. 121) maar in de edities van de Literaire Pockets was het ‘Tante Lucia’ op p. 133 en ‘Tante Margaretha’ op p. 135. O, het wonder der vrouwen, dat toch vooral het wonder van uitgeverij De Blatende Bluf is.

Haar moeder verwijt Andrea de mannen af te snauwen ‘als een bloedhond’ (een allusie op ‘bloedschande’) en concludeert ‘Dit mag het licht niet zien.’ (p. 72): er is enerzijds een verklaring (klaar worden) van relaties en anderzijds (en ook direct) een toedekken van die waarheid: wat is, mag niet gezien worden. De moeder verwijt Andrea (en onrechtstreeks Thomas) dat ze met ‘beide ogen wijdopen’ in de zonde leven en er niets tegen doen, en even verder (p. 72): ‘Je zal inzien waarvoor ik jullie behoed heb, voor dit moeras.’ (Maar de 1955-editie was veel pregnanter: ‘Je zal inzien dan, waarvoor ik jullie behoed heb, waar jullie blind zouden ingelopen zijn, in dit moeras, in dit giftig …’ (p. 105).

In de 1999-editie staat op p. 86 een rare opeenvolging, onder elkaar staat tweemaal een repliek ‘De vader’, terwijl eenmaal wel genoeg zou zijn. Vergelijken we dit met vorige edities dan kan het begrepen worden waarom dit zo is: daar staat immers een regie-aanwijzing van de auteur: hoe Andrea zich klaarmaakt om te sterven. Doordat dit verdwijnt, is het verloop van de handeling onduidelijk.

Het einde van het stuk. De bovenbuurman begint de dag met een paar akkoorden, in 1955 ook ‘enkele gamma’s’, ‘zoekt dan aarzelend zijn week liedje, speelt het.
Hilda: Daar heb je hem ook weer. Het is een treurig liedje, maar ik houd er wel van.
Stilte.
De moeder: Wij horen het elke dag.

DOEK.’

Beeld: Henri Matisse, La biche, 1936

Advertisements