enkele muzieknoten rond ‘een bruid in de morgen’ van hugo claus (5)

door johan_velter

hugo-claus_een-bruid_raoul-dufy-fenetre-sur-nice-1953

Het huis van Labdakos is een toneelstuk van Hugo Claus uit 1977 en begint als een concert : ‘Het stuk begint als een concert. Op het toneel, dat verder leeg is, staat een concertvleugel. Als het zaallicht dooft komt de pianiste op. Zij wordt met applaus begroet en begint te spelen. Een polonaise, een nocturne en een etude van Chopin staan op haar programma.’ (De Bezige Bij, p. 7). Een windhoos verhindert haar te spelen: er is een contrast tussen de bruutheid van de natuur en de Griekse ‘ziel’ en het geraffineerde pianospel. (Het zou ook een interessante studie kunnen zijn om de regie-aanwijzingen van Claus betreffende licht en donker te analyseren: men zou daardoor een beter begrip van zijn zogenaamd realisme kunnen krijgen.)

Alfred Wijnberg, de bovenbuur van het gezin Pattini uit Een bruid in de morgen, is een Chopin-specialist. Francis Poulenc moet voor Claus een reminiscentie geweest zijn bij dit stuk, een klank die het spel doordrong. Zelf identificeerde Poulenc zich met het werk van Raoul Dufy, een elektriserende schilder die het licht (ook lichtzinnig) bezong, niet het natuurlijke licht maar wel het artificiële, dat licht dat van Paris de lichtstad gemaakt heeft – provincienestjes houden lichtfestivalletjes en vallen juist daardoor licht uit. (Zonder Dufy geen Edgard Tytgat.)

Het motto van het stuk Een bruid in de morgen is van Robinson Jeffers (1887-1962), de Amerikaanse dichter die de mens als relationeel wezen bezong, niet als een eiland, maar die hem toch geen toekomst gaf. Bij Poetry Foundation lezen we: ‘Humanity had been spurned by an uncaring God, Jeffers believed, so each individual should rid himself of emotion and embrace an indifferent, nonhuman god. To develop his philosophy of inhumanism, Jeffers drew on his extensive reading in philosophy, religion, mythology, and science. Critics have connected Jeffers’s ideas to those of Schopenhauer, Nietzsche, Lucretius, and cyclical historians such as Giambattista Vico, Oswald Spengler, and Flinders Petrie.’ Lucretius, altijd weer Lucretius.

Het motto dat Claus voor dit stuk gebruikte is geen citaat uit een gedicht maar uit het toneelstuk Medea, after Euripides van Jeffers. Het is het commentaar van de vrouwen op de tweespraak tussen Jason en Medea. De eerste vrouw zegt: ‘Save me from the hateful sea and the jagged lightning / And the violence of love.’
Nummer 2 zegt: ‘A little love is a joy in the house, / A little fire is a jewel against frost and darkness.’
De derde vrouw repliceert: ‘A great love is a fire / That burns the beams of the roof. / The doorposts are flaming and the house falls.’

Liefde is pas liefde als er gevaar is. Als er geen gevaar is, is ze niet de moeite waard, als er geen storm, geen zee, geen woud is, ach ga toch winkelen. Maar is dat wel zo? Ja, volgens Claus ‘(Een grote passie moet je altijd volgen.’) maar niet in de praktijk: de liefde vernietigt.

Soms wordt het stuk van Claus geïnterpreteerd als een Antigone-variant: Andrea is dan de opstandige tegen de wet. Dit is een onjuiste visie. Claus wilde met dit stuk de liefde bezingen, ook en uiteraard de verboden liefde, de anti-burgerlijke. Het cynische is dat het stuk helemaal geen brandende liefde laat zien, er is géén Medea, ook geen wraak. Er is slechts een sluimerende liefde tussen Andrea en Thomas, het is Andrea die de liefde doet branden. Thomas is te oppervlakkig. Hilda, de toekomstige bruid van Thomas, is een oude tante, te droog om het vuur te doen laaien – ook al denkt ze van zichzelf vuur te bezitten.

Het stuk van Claus is ook anders dan het traditionele indringers-motief waar er van buitenaf iemand binnendringt en het daar op stelten zet. Hier werkt het omgekeerd: het is vanuit de beslotenheid dat een ‘vreemde’ gevraagd wordt dat gevang open te breken en minstens 1 iemand te redden (waardoor ook de anderen gered zullen zijn). Het indringersmotief wordt hier een Messiasmotief.

Er is het gezin Pattini, vader, moeder, dochter en zoon, er is de nicht Hilda die de bruid moet spelen. De bruid? Misschien lezen we in het stuk van Jeffers ook een aanwijzing voor de betekenis van de titel: want kunnen we Andrea nog als een bruid zien, hoe kunnen we dan ‘in de morgen’ verklaren? Claus is een symbolist (nu en dan), zijn woorden hebben een betekenis. Tegenover Kreoon belooft Medea: ‘[…] and I will go my sad course and vanish in the morning quietly as dew / That drops on the stones at dawn and is dry at sunrise.’ Net als Medea zal Andrea verdwijnen, geen last meer bezorgen, geen woord meer uiten, de liefde zal met haar verdwijnen, daarmee ook de onrust, het leven en de waarheid van het gevoel. In het stuk speelt Claus met licht en donker: de ene kamer verdonkert, de andere klaart op. Maar in de gesproken tekst wordt ook gealludeerd op het donker worden, er is daarnaast ook een reëel tijdsverloop. Het is in de ochtend dat Andrea zal sterven. De nacht brengt de waarheid aan het licht. En net zoals in het overige oeuvre van Claus gaat het in dit stuk ook weer over weten en niet-weten, over zien en blind zijn –het gaat over kennis en inzicht, er is ook hier geen sprake van een inwijding of van rituelen.

Volgens het motto van Jeffers is het de liefde die het huis doet instorten, maar bij Claus is het het weten dat de illusies doorprikt: op het einde van het stuk is iedereen op zichzelf teruggevallen. Andrea is dood, haar droom aan diggelen; Thomas is gevlucht maar zal wel terugkeren; de vader is ontmaskerd in zijn naam (Pattini is gewoon Pattijn) en in zijn kunst (hij is mislukt); de moeder heeft haar troeven verloren en is ontmaskerd in haar vulgaire hebzucht en Hilda is een oude vrouw die slechts wachten mag op haar jong brokje. Natuurlijk zal Tomas met haar trouwen, natuurlijk zal er geld vloeien, natuurlijk zal er geen genezing zijn: de klem zal de klem blijven. De klem? Paul Claes schreef een essay waarin hij het werk van Hugo Claus typeerde met het klemwoord en dat zette Claus ertoe aan om ‘hier en daar’ het woord klem te schrappen. In Meester Claus (Huis clos, 2015) schrijft Paul Claes in een voetnoot bij het stuk ‘De claustrofoob’: ‘De dichter [d.i. Hugo Claus] heeft in de verzamelbundel Gedichten 1948-1993 veel ‘klemwoorden’ geschrapt, nadat hij het manuscript had gelezen van het artikel ‘Claus ontsloten’ dat verscheen in het Jaarboek voor de Claus-studie 1994, p. 175-186.’ (p. 68).

In de eerste editie van Een bruid in de morgen, verweert de vader zich tegen de moeder: ‘Omdat ik verplicht ben, in de klem zit hier in dit huis. En dan nog werk ik. Ik ben bezig, de hele dag door ben ik met mijn concerto bezig, zelfs al lijkt het dat ik niets doe. Ah. Als ik rust had, stilte, afzondering, ik heb het zo nodig.’ (Tweede bedrijf, p. 53 ; idem in LP 45), maar veranderd in Toneel *: ‘Ik ben bezig, de hele dag door ben ik met mijn concerto bezig, zelfs al lijkt het dat ik niets doe. Ah. Als ik rust had, stilte, afzondering, ik heb het zo nodig.’ (p. 46). Claus heeft dus gewoon een zin met een kernwoord geschrapt – terwijl hij inhoudelijke fouten niet aangepast heeft. Dit is een auteursingreep en toont aan dat Claus wel degelijk zijn ouder werk ter hand nam. En dat hij zijn eigen problematiek wilde verdoezelen.

Want ook dat behoort tot de kern van het stuk Een bruid in de morgen : het weggaan. Al op de eerste bladzijde vraagt de moeder aan de vader : ‘Of wil je weg? Is het dat? Krijg je weer de jeuk in je oude knieën wil je de straat op?’, typische chantagetaal want hij wil wel weg maar zij moet het allemaal oplossen. Claus heeft goed naar zijn vader en moeder geluisterd. Belangrijker is dat ook Thomas de straat op wil (dat er dus een gelijkenis ontstaat tussen vader en zoon), maar dat ook Thomas zal terugkeren. Het stuk is geschreven in de vroege jaren 50 en zowel de radio als de auto doen dienst als metafoor voor de buitenwereld. Het is de droom van Thomas chauffeur te zijn van de oude meneer Alban (een soort god-figuur die als een boeddha boven dit stuk/dit gezin zweeft, Thomas als een gemankeerde Hermes). In die droom verenigt Claus twee opposities: die van een binnen- en een buitenwereld, maar ook die van de roerloosheid en de beweging. Ook de radio is zo’n element: de muziek en de woorden stromen rijkelijk binnen, maar de vader is (binnen de kooi) onmachtig te componeren. Het gezin is in de visie van Claus dood. Zoals Hilda, de nicht, de redster moet zijn en uit de buitenwereld komt, zo is mijnheer Alban, de redder van Thomas en het gezin, eveneens vreemd aan deze kern. Beide keren moet Thomas het werktuig van de redding zijn; in beide gevallen is Andrea het slachtoffer. Zij heeft alleen maar een vage droom die ze op Thomas projecteert en als die verdwijnt, verdwijnt ook haar liefde en dus zijzelf.

Op de tweede bladzijde al klaagt de vader: ‘Elke dat [sic] is het zo, week in, week uit. Geen ogenblik, geen minuut tijd heb ik om aan het werk te gaan. Mijn tijd gaat voorbij, vloeit weg als water onder mijn neus en ik zit er naar te staren. Ik hou het niet meer uit.’ (p. 26). En op het einde van het stuk geeft de moeder Hilda raad: ‘Kleed je aan, Hilda, en vertrek met Thomas naar je huis. Ga meteen met hem weg. Zodra hij aankomt. Zo gauw mogelijk. Laat er geen tijd over gaan. Neem het geluk met beide handen vast, zo gauw mogelijk, klem het vast, laat niets door je handen glijden, het is als water, lopend water …’ (p. 88). In bovenstaand citaat staat het ‘Zodra hij aankomt’ raar, betekenisloos of de lezer moet een hinkstapsprong maken. De eerste editie maakt deze zin echter wel verstaanbaar – de auteurs- en/of redacteursingreep is dus weinig doordacht gebeurd (zoals ook elders overigens): ‘Kleed je aan, Hilda, en vertrek met Thomas naar je huis, stel hem heel vriendelijk voor aan je moeder, maar ga er meteen mee weg. Zodra hij aankomt. Zo gauw mogelijk. Nu direct. Laat er geen tijd over gaan. Neem het geluk met beide handen vast, zo gauw als mogelijk, klem het vast, laat niets door de vouwen van je handen glijden, het is als water, lopend water …’ (p. 134). De watermetafoor, het vloeiende, vlietende leven wordt zowel door de vader als door de moeder gebruikt: voor hen is het voorbij, de moeder geeft een levensles door.

De ruzie tussen vader en moeder gaat door (we lezen verder de eerste bladzijden), plots is er sprake van een broer die verder niet meer in het stuk voorkomt. De moeder verwijt de vader dat hij het gezin in armoede gestort heeft. Zijn zuster, Myriam, mag niet bij hen binnenkomen want dan zal zij zien hoe haar broer de erfenis van de moeder verkwanseld heeft – Hilda is de dochter van Myriam, Thomas en Hilda zijn dus neef en nicht. Ik citeer de Toneel *-versie, met ‘liefste’ bedoelt moeder Pattini, ‘liefste Myriam’: ‘En dan zeg ik: En dit alles, liefste, is zoals je broer voorspelde twintig jaar geleden toen hij met mij wilde trouwen.’ Voorspelde Pattini zijn eigen ondergang of is er sprake van een andere broer?
Welnee. De secretaresse zag in het tekstverwerkingsprogramma een rode lijn staan onder ‘je je’ en schrapte een volgens haar overbodige je.
Maar nee, Claus had gelijk: de zin moet wel degelijk als volgt te lezen zijn: ‘En dan zeg ik: En dit alles, liefste, is zoals je je broer voorspelde twintig jaar geleden toen hij met mij wilde trouwen.’ Het is Myriam die haar broer voorspelde wat gebeuren zou. Tekstredactie heeft te maken met inhoud. De Blunderende Bok weet dit niet – of heeft slechts minachting voor auteur en lezer.

Beeld: Raoul Dufy, Fenêtre sur Nice, 1953

Advertenties