enkele muzieknoten rond ‘een bruid in de morgen’ van hugo claus (4)

door johan_velter

hugo-claus_een-bruid_marie-laurencin

Bij die Franse vertaling is het nog interessant te vermelden dat de boekeditie van 1955 die door Maddy Buysse vertaald werd, als titel Andréa ou la financée du matin : pièce en 4 actes had en dat er bovendien sprake was van een adaption de Maddy Buysse maar dat de bewerking van deze adaptatie door Alain Van Crugten in 1990 de naam Andréa liet vallen en gewoon weer La fiancée du matin : pièce en 4 actes heette. Maddy Buysse stond op dat moment zeer dicht bij Claus (ze speelde o.a. zijn telefoniste) en Claus moet op de hoogte geweest zijn van die toevoeging aan de titel – tenzij dit door de uitgever Fasquelle gebeurd is, tégen het weten van auteur en vertaler in. Want de vraag is: wie is de bruid?

Nu valt mijn oog toevallig op de dankbetuiging in Toneel * (1999) onderaan de pagina van het stuk De getuigen, p. [7], daar staat ‘Voor Ton Lutz / met mijn dank / H.C.’ maar dat staat daar verkeerd. Gisteren lazen we dit dankwoord in de bundeling Acht toneelstukken, en de dankbetuiging stond daar vooraan het boek, p. [4], dus niet verbonden aan 1 stuk, de dank behelsde het volledige boek. De redacteur van De blunderende bluf heeft ook dit verkeerd begrepen en gedaan.

De taal van Hugo Claus blijft een heikele kwestie. Er is een onhandigheid, een ongemakkelijk hanteren van woorden en betekenissen, verschuivingen die niet zozeer door het Vlaamse of het dialect teweeg gebracht worden maar wel door een particulier gebruik door Claus, een overname soms ook van vreemde woorden die in het Nederlands een andere klank, toon en inhoud krijgen. Het stuk Een bruid in de morgen begint met regie-aanwijzingen, Claus wil de touwtjes vasthouden, getuige ook zijn ‘Nota’s voor de regisseur’: Claus vertelt niet zomaar verhaaltjes, hij wil juist begrepen worden en de eerste zin luidt: ‘Het decor is een grillige doorsnee van het appartement der Pattini’s.’ En dan volgt een concrete beschrijving van hoe het decor er moet uitzien: rechts een woonkamer die uitgeeft op de straat, achteraan (Claus schrijft “in de ‘fond’”) de ouderlijke slaapkamer. Links, drie, vier trappen op, de kamer van Andrea en dan nog boven de huiskamer het kamertje van de vader-muzikant. En dus blijft de vraag: wat is een ‘grillige doorsnee’? Elk theater werkt met een halve ruimte: er is immers publiek dat in de toneelruimte moet kunnen kijken. De doorsnee die Claus bedoelt is ook niet de ‘kleinburgerlijke doorsnede’, dus zoals de huizen er uit zien van een kleinburgerlijk gezin want Claus schrijft “van het appartement der Pattini’s”. Het gaat dus om een concreet appartement. ‘Grillig’ betekent willekeurig, nukkig, onregelmatig, zonderling van vorm, fantastisch. Maar een grillige lijn kunnen we onmogelijk associëren met wat op het theater te zien is. De opeenstapeling van kamers lijkt misschien veel maar is evident bestaanbaar. Bestaat de grilligheid uit de vele vormen die te zien zijn? Welnee, want het appartement is armoedig, al het waardevolle is verkocht en het gezin leeft van een werkloosheidsvergoeding. Maddy Buysse/Alain Van Crugten vertaalden dit met « Le décor est une coupe fantaisiste de l’appartement des Pattini. » Dit helpt ons niet echt verder.

In het appartement van de Pattini’s hoort men de muziek van de bovenbuurman. Deze speelt piano, geeft les en is dus een directe concurrent (geweest) van Pattini. De relatie wordt door Claus niet uitgewerkt, maar we weten wel dat hij spullen van de Pattini’s gekocht heeft, huisraad die men uit armoede heeft moeten verkopen. Nu en dan speelt de buurman een rol, hij protesteert tegen het lawaai van de Pattini’s (en ook Claus kloeg over zijn buren getuige een prent uit zijn laatste jaren waarin hij zijn buren en hun geknetterd lawaai vervloekt), maar de Pattini’s klagen ook over zijn lawaai (muziek) en het slot van het stuk haalt die muziek letterlijk binnen door ze te interpreteren. M.a.w. de onzichtbare muziekspeler en zijn muziek spelen een dragende rol in het stuk en het is die muziek die geduid moet worden om het stuk te begrijpen. De achtergrond is een betekenis. De man heet Alfred Wijnberg en hij is een ‘bekende Chopinvertolker’. Hoe karakteriseert Claus die muziek? ‘Zeer weke muziek.’ schrijft hij.

Een weke kunst, is een kunst zonder kracht. Het wordt gezegd van een beeldend kunstenaar op het einde van zijn leven: Raveel maakte weke prentjes in de laatste jaren van zijn leven. Zijn heks zei: ‘pak je kleurpotloden en hou je wat bezig’. De schilderkunst van Tuymans heeft van de weekheid zijn handelsmerk gemaakt. Zo week als een mossel, wordt gezegd van iemand die geen standpunten heeft, geen moed bezit, geen daden kan stellen. Een week beleid, is een onbeleid. Picasso maakte op het einde van zijn leven géén week werk. Weke muziek is slappe muziek. Van James Ensor wordt gezegd dat zijn late werk (en dat eigenlijk drie vierden van zijn carrière besloeg) week was, het had zijn harde vormen verloren, ook zijn muziek werd week genoemd: meisjes, bijtjes, dansjes. Week is niet meer hard en aanvallend maar teruggetrokken, in zichzelf gekeerd. Week als een slak. Slijmerig. Ook het late werk van Claus, zijn beelden en zijn  poëzie, werden week genoemd, onvoldragen, oppervlakkig, te amechtig. Maar het is maar de vraag of het late werk van Ensor week was: het onderwerp was veranderd en ook de stijl had zich aangepast. De wereld liet hem nu koud. Maar week kan ook de betekenis van teergevoelig krijgen, niet hardvochtig, snel tot tranen geroerd. (Zo heb ik een week hart en heb ik altijd een zakdoek bij de hand.) Zo is ‘week’ geen eenduidig woord, meervoudigheid is het kenmerk en het streven van Claus. De Chopinvertolker Wijnberg speelt dus weke pianomuziek en de lezer zou verwachten dat men op het toneel Chopinmuziek te horen zal krijgen.

Maar in de “Nota’s voor de regisseur” schrijft Hugo Claus over de 7 componenten van zijn stuk (Decor, Lichten, Muziek, Andrea en Thomas, De moeder, De vader, Hilda) en ik citeer nu de richtlijn betreffende de muziek: “Indien er geen speciale muziek gecomponeerd wordt, een passage van ‘Les Biches’ van Francis Poulenc, die steeds terugkomt als een leitmotiv. Vooral de muziek niet gebruiken om bepaalde sentimentele passages te onderlijnen.”.

Les biches is een kort balletstuk van Francis Poulenc. Het werd voor de eerste maal opgevoerd op 6 januari 1924 door Ballets Russes van Serge Diaghilev. Decor en kostuums van Marie Laurencin, choreografie van Bronislava Nijinska. In 1939-1940 heeft Poulenc het stuk bewerkt. Volgens Darius Milhaud lag het nieuwe van dit stuk in de betekenisloosheid ervan. Het domein van de fantasie. De muziek is vrolijk, het vuil van de straat wordt met de klanken weggespoeld. Poulenc staat voor een Franse elegantie, een mannelijkheid die met stijl bekleed, het vrouwelijke benadert zonder ooit vals of week te worden – maar daarover wordt juist gediscussieerd. Dit is muziek van een eeuwige jeugd.

Dat de muziek geen onderwerp zou hebben, is niet helemaal juist. Er is weliswaar geen verhaal, geen plot en geen geweld maar er is wel de liefde, de liefde die hier belangeloos bezongen wordt als een état d’âme, een fladderen, een rondzingen zonder dat er enige verbintenis tot stand moet komen, laat staan een huwelijk, deze vorm van moderne domheid, se marier is zich verenigen, niet een dwingelandij. De maatschappij wordt buitengesloten, er is geen contract te ondertekenen bij de notaris. Men is vrij, men lacht, men vlindert. Poulenc zelf legde een duidelijke relatie met de schilderijen en de sfeer van Watteau: een elegantie die aantrekt en afstoot, die het liefdesspel speelt en de doornen uitsluit. Maar hij betrekt er ook de onschuld bij: er is inderdaad een spel dat tot bedrog en misbruik kan leiden, maar de meisjes die dansen en gelukkig zijn, hebben daar nog geen besef van: zij leven in een illusie, een waanbeeld. Levend van dauw en honing. Francis Poulenc verbindt daar geen morele les aan: hij laat horen hoe de klanken leven, hoe licht het spel kan zijn, hoe vrolijk de lichtzinnigheid, hoe vrij het leven. En daar hoort de melancholie van de komende herfst bij.
 
We hebben dus een Chopinvertolker en we horen Poulenc. Maar Claus schrijft in zijn “Nota’s” dat deze muziek als ‘leitmotiv’ moet gelden, hij maakt niet eenduidig klaar waar en wanneer dit moet weerklinken. Wij gaan er van uit dat wanneer Claus schrijft dat er muziek weerklinkt dit muziek uit het stuk Les biches van Poulenc moet zijn. (De toevoeging van Claus dat de muziek zeker niet misbruikt mag worden door sentimentele passages te onderlijnen, weerspreekt dit enigszins: daar lijkt het alsof de muziek gelijk waar mag klinken.) We weten ook dat Hugo Claus de muziek van Poulenc hogelijk waardeerde en dat hij tranen in de ogen kreeg bij het horen van diens Aubade. Claus was week.

Voor de liefhebbers is het duidelijk dat Les biches ook verwijst naar het libertijnse verhaal L’école des biches ou Moeurs des petites dames de ce temps, gepubliceerd in afleveringen tussen 1860 en 1870 van Ernest Baroche (1829-1870), die tevens een vaderlandse held was, gestorven voor dat vaderland in de rue de Flandre te Bourget. De schilderijen van Marie Laurencin worden niet erg au sérieux genomen: ze zijn te … week. Ze zeggen te weinig, ze zijn te meisjesachtig, te dromerig. Denk ook aan Leonor Fini, en aan het werk van Cocteau. En Christian Bérard die in De hondsdagen van Claus genoemd werd. We hebben dus al een ‘familie’: Ensor, Fini, Laurencin, Cocteau, Bérard, Poulenc, Chopin. En voeg daar nu ook op zijn manier Paul Joostens, de geliefde schilder van Claus (in zijn woonkamer hing een werk van Joostens en hij heeft gedichten bij zijn werk geschreven),  aan toe, wiens figuren, madonna’s, eveneens week waren, een dromerige entourage verlangden, maar ook niet eenduidig: engel of beest? Er is steeds een roerloosheid aanwezig, een niet-bewegen, een ondoelmatig leven. Carrière maken en mensen afmaken behoort niet tot de geplogenheden, deze figuren zijn eerder passief-afwachtend. Vrouwelijk kunnen we hen noemen, als we nog de oude zienswijze mogen hanteren. Niet toevallig is de homoseksuele connotatie bij al deze figuren aanwezig, de vrouwen hebben iets androgyn.  (Andrea is een garçonette, Thomas een onvolgroeide jongen.) En voeg bij die passiefheid, ook wel passieloosheid, nog de naam Des Esseintes toe, ook hij een heilige van de luiheid, en dan zijn we waar we wezen moeten: het weke is een ander woord voor het decadente.

Beeld: Marie Laurencin, Les danseuses.

Advertenties