enkele muzieknoten rond ‘een bruid in de morgen’ van hugo claus (1)

door johan_velter

een-bruid-in-de-morgen_hugo-claus

In de Hugo Clauslezing 2013, Lof van Sisyphus, beschreef Gerard Mortier zijn verhouding tot Hugo Claus – hij vertelde niet alles: het was een openbare lezing die aan de grondslag van het boekje lag, daardoor verbeet hij zijn tong. Hij vertelt hoe hij in de retoricaklas (dit is het laatste jaar van het middelbaar onderwijs – het middelbaar onderwijs is iets waar men vroeger leerde dat men boeken moest lezen) van zijn leraar Een bruid in de morgen te lezen kreeg. ‘Dat was in 1961, ik was zeventien jaar oud, nog minderjarig, en ik las met gretige ogen de karaktertekening van het personage Thomas. De uitgave die ik toen kocht, bewaar ik als een klein relikwie.’ (p. 4). Mortier gebruikte zijn lezing om het nationalisme aan te vallen, de ideologie van de dommerik die nu in klein en groot formaat als hip verkocht wordt. Maar laat ik die onnozelheden bewaren voor een andere gelegenheid – de Gestapo-Stasi leest mee.

Mortier haalt een interessant gegeven aan: ‘Mij heeft het altijd geïntrigeerd dat Een bruid in de morgen als leitmotiv Les biches van Francis Poulenc aanhaalt [sic], het ballet gebaseerd op Watteaus dubbelzinnige schilderijen van dartele jongedames in het ‘hertenpark’ van Louis Quinze.’ (p. 5). Maar hij doet niets met deze vraag: het intrigeert Mortier, hij suggereert geen oplossing of uitweg. De naam Watteau is belangrijk want dit legt (alweer) een verband met Raymond Brulez bloot: het kan zijn dat de ooit katholieke, vlaams-nationalistische jongen Hugo Claus in Watteau een welkome uitweg gevonden heeft: de wellustige, scherpzinnige, lichtzinnige figuren hebben een aangenamer aura dan het militarisme van de doders – ik weet waarover ik het heb. Het is het gaan van een hard, expressionistisch realisme naar een dromerig verwijlen. We weten dat de droom in het werk van Claus een belangrijke rol speelt, niet de freudiaanse droom maar wel de droom als theater in het theater.

Een bruid in de morgen was het eerste toneelstuk van Hugo Claus, het verscheen in boekvorm in 1955, met een fameus voorwoord van Herman Teirlinck. In Voor twaalf lezers en een snurkende recensent, de bibliografie van Hugo Claus worden de boeken op een rare manier beschreven, zogezegd analytisch maar toch niet echt volgens de regels en dus nogal verwarrend. Zo worden de ‘Nota’s voor de regisseur’ apart vermeld als onderdeel van het boek maar het motto wordt dan weer weggelaten, terwijl beide elementen onlosmakelijk bij het boek horen, het boek zijn en dus geen aparte vermelding behoeven, net zoals ‘Bedrijf 2’ dat is. Bij de eerste druk (16.1) staat als ‘Annotatie’: ‘Verschijningsdatum: Een bruid in de morgen (5e druk)’ maar dat is onzinnig omdat dit niets met het boek te maken heeft en de datum van verschijnen gewoon in het boek staat. (Dit is echter geen bevestiging van de kritiek die Gert Jan Hemmink op deze uitgave heeft want zijn gezichtspunt is zo mogelijk nog onzinniger.)

Het verzameld toneelwerk in 2 delen (Toneel, 1999) dat geen verzameld werk is en ook een nogal klungelige bedoening is (zoals hier al eerder aangetoond) vermeldt geen drukvermelding, de bibliografie vermeldt uiteraard dit werk maar zet er geen druk tegenover. Nummer 16.24 is Een bruid in de morgen uit 1997, en dat was toen de 24ste druk. Het stuk in Toneel * zal dus de 25ste druk geweest zijn. Een toneelstuk dat 25 drukken kent, men vergeet in Vlaanderen hoe uitzonderlijk dit is. Je zet je aan het lezen maar alras overvalt je weer de moedeloosheid. Je leest op p. 26 (Toneel *): ‘Elke dat is het zo, week in week uit.’ Natuurlijk moet dit ‘Elke dag’ zijn, zo slim zijn we ook wel. Maar waarom is de uitgeverij dan zelf niet zo slim en attent? En dus pak je weer een aantal edities vast en je annoteert – en je valt van de ene verwachte verbazing in de andere zekerheid.

In de bundel, Haar nijlpaard optillen, (Querido, 2012) staat het gedicht ‘Op het toneel’. In de ‘Aantekeningen’ achteraan het boek, is geschreven dat dit gedicht verscheen voor het 50-jarig jubileum van Annet Nieuwenhuijzen en Hans Croiset, het verscheen eerder in het gelijknamige boekgeschenk van ‘Het Toneel Speelt’.

De ‘thematiek’ van het gedicht van Tomas Lieske is de paradox van Denis Diderot: een authentieke toneelspeler is een valse toneelspeler: hij doet alsof. Daarvoor gebruikt hij technieken, trucs, kennis. Niet empathie, wel gedrag. Toneel is de triomf van het behaviouristisch denken (maar ook alleen maar daar). Het gedicht van Lieske bestaat uit 4 strofen. 1 en 4 beschrijven de tweespalt tussen de mens-toneelspeler en de toneelspeler-mens. Strofen 2 en 3 spreken over de kosmos en lijken niets te maken te hebben met het thema van het toneel – maar ook het universum is een theaterstuk. En omdat buiten de storm woedt, jagen wij onszelf naar binnen, naar het pluche in de theaterzaal.

Strofe 2:

Buiten woedt de ernstigste storm sinds jaren;
bomen drijven ontworteld in de golven.
Wij dolen als walvissen naar binnen
waar het groen en stil is, waar alles
in omgekeerde vorm weerspiegeld wordt.

De theaterbühne dient als spiegel, niet voor de kosmos maar voor onszelf: onze daden, gedachten en gevoelens. Strofe 3 is een evocatie van het oceaanleven – het ongekende, het echt vreemdsoortige. Lieske beschrijft de tover van het toneelspel: hoe in de donkere theaterzaal, duizend vreemdsoortige ogen kijken naar hoe op de bühne een vreemde wereld getoverd wordt en wij worden opgevoerd als planeten die afstoten en aantrekken, die levend zijn.

De vierde strofe beschrijft meer in concreto (net zoals de eerste strofe) dat vreemde spel van zijn en niet-zijn, van realisme en fantasie.

Zij is de meid van Biedermann en tegelijk een dame.
Hij is achterlijke Thomas en tegelijk scherpzinnig.
Zij moet een dochter offeren die zij nooit gekust heeft. […]

De eerste regel verwijst naar Biedermann und die Brandstifter van Max Frisch. Regel 2 en 3 naar Een bruid in de morgen van Hugo Claus. Het Rotterdams Toneel speelde de première van dit stuk op 1 oktober 1955. De boekuitgave van 1956 toont op de omslag Ina van Faassen en Hans Croiset, als broer en zus. In 1974 speelde Annet Nieuwenhuijzen de rol van de moeder in datzelfde toneelstuk,  nu gespeeld door ‘Zuidelijk Toneel Globe’ maar ook weer in een regie van Ton Lutz, die hier dus een reprise opneemt. De twee regels geven een interpretatie van het werk van Claus dat zeer dicht bij dit werk blijft (en niet zoals het nogal eens anders gebeurd is): Thomas is zowel achterlijk als scherpzinnig en door het woord ‘offeren’ te gebruiken, verzacht Tomas Lieske de hardheid van de moeder: zij offert, zoals een man zijn zoon geofferd heeft. Het zijn krachten boven ons die het lot in handen hebben.

Advertenties