peter schat, ook een personage, zichzelf

door johan_velter

hugo-claus_marina-schapers

Naast de roddels, staan er toch ook nog andere interessante zaken in de biografie Alles moest anders over Peter Schat.  Maar eerst de ergernissen wegwerken. De zoon van Jan de Ligte is geen roman van Louis Paul Boon, wel De zoon van Jan de Lichte. Het woord bij de daad van Harry Mulisch beschrijft hij op blz. 402 als ‘de prachtige kroniek’, maar op blz. 440 is dit plots ‘zijn haast verwarrend lyrische getuigenis van de revolutie op Cuba’ geworden. De schilder en beeldhouwer Wilfredo Lam is uiteraard Wifredo Lam.

De literaire karakteriseringen van Bas van Putten zijn niet erg inspirerend, consequent of inzichtelijk.

Die van het werk van Boon zijn nogal overtrokken en pathetisch – of omgekeerd: ‘Hij [Louis Paul Boon] is de woest meelevende chroniqueur van troosteloze en misdeelde mensen aan de onderkant, […]’ (p. 210) of omgekeerd: ‘Het is een uitzichtloos, voor Boon-begrippen ongebruikelijk pathetisch boek over een uitzichtloze, door kwaad en ijdelheid beheerste wereld, een hoofdstuk uit een ongeschreven heilig boek van Bijbelse proporties.’ (p. 211). Of over Het jaar 1901: ‘[…], Boons kroniek van grote wreedheden en kleine zonden in de afvoerput van de beschaving.’ (p. 212). De doos der clichés stond blijkbaar open. Bas van Putten noemt Wadman uit De paradijsvogel de ‘Patrick Bateman van de Vlaamse sloppen.’ (p. 214). Maar anderzijds dan toch weer: ‘De krampachtige zelfrechtvaardiging van de figuren vindt bij Boon haar uitdrukking in een pathetische klunzigheid die zich slecht verdraagt met het vocale.’ (p. 219).

‘De kwestie Peter Schat’ heeft natuurlijk ook te maken met de dood van zijn vrouw Marina Schapers in 1981 – ik verwijs u daarvoor naar de schandaaltjesliterette. Schapers was een nogal onevenwichtige actrice, uitbundig, gewelddadig, alcoholisch. Voor de literatuurgeschiedenis is ze belangrijk want ze speelde ‘Zij: een actrice die Mariken verbeeldt’ in het stuk Masscheroen (1967) van Hugo Claus. Over haar getuigt Barbara Meter: ‘Ik heb haar in een stuk van Hugo Claus zien spelen en dat was echt heel goed. Ze had iets tragisch en verscheurds, in welke zin weet ik niet.’ (p. 316). Het is de verdienste van Claus geweest om uit zo’n actrice een beest te kunnen toveren en haar binnen een welomlijnd kader te houden – en het toont aan waar de grote kracht van Claus lag – helaas heeft hij niet geleefd in een tijd waarin Griekse tragedies een culturele basis hadden.

hugo-claus_marina-schapers_masscheroen

Diezelfde Barbara Meter vertelt hoe het echtpaar Schat-Schapers het centrum van de Amsterdamse avant-gardecultuur was (beter was het ‘tegencultuur’ genoemd) waar alle belangrijke en bekende personen kwamen, zoals ook Kitty Courbois. Claus wordt een vriend genoemd. Alhoewel Peter Schat weinig affiniteit had met wat toen ook de jongerencultuur genoemd werd, is het belang van een hedendaags klassiek componist binnen die anticultuur een belangrijk gegeven.

Dat Schat zich afzijdig hield, kwam ook door zijn intellectueel verzet. Een citaat van hemzelf, woorden die vandaag meer nog dan toen waarheid bevatten (en ervaring moet u in het eerste deel begrijpen als het hedendaagse wanbegrip beleving): ‘Want orgasme- tot en met lsd-ervaringen zijn niet communicatief, de ervaring zèlf laat zich niet meedelen, je kunt hoogstens anderen in staat stellen deze ervaring voor zichzelf op te bouwen, door met hen te gaan eten, drinken, roken en slapen. […] Een ervaring laat zich niet via de Kunst meedelen, een kunstwerk is nooit de uitdrukking van een ervaring, hoe geweldig ook, omdat het zelf een ervaring, en wel een heel andere is. Wie bezig is met kunst en dit uit het oog verliest prostitueert zijn materiaal.’ (p. 416-417).

Niet alleen zijn materiaal maar ook zichzelf en de anderen: men is de heilige drievuldigheid zelf: hoer, hondsvot en hoerenloper.

Nog een ander belangrijk element dat uit deze biografie gedistilleerd kan worden, om het werk van schrijvers (als Boon en Claus) te begrijpen, is de ‘citatencultuur’. Bas van Putten toont aan hoe het stijlcitaat een ‘constructief element’ van het muziekstuk werd, dat er collage-achtige vormen ontstonden, waarmee de parodie gevoed werd en dialogen aangegaan. Hij noemt o.a. Berio, Stockhausen, Ives, Andriessen en vermeldt dat Pierre Boulez ‘smetvrij’ was – wat geen compliment is. Wat denigrerend (p. 479) spreekt Bas van Putten over de gelaagdheid van de werken (de niveau’s), dat dit ‘schattiaans’ is, maar het tegendeel is waar: dit is wat een intelligente cultuur doet. Wat Hugo Claus gedaan heeft, is ook een tijdselement geweest.

Buiten het stuk Reconstructie moet er ook nog een ander stuk van Hugo Claus geweest zijn waaraan hij en Peter Schat gewerkt hebben: ‘Het is verdwenen in de mist van de tijd’ schrijft Van Putten (p. 434). Het hele verhaal rond Reconstructie heeft Claus in een gemythologiseerde verpakking gestoken – misschien moet iemand maar eens een ‘ware reconstructie’ ondernemen: achteraf zijn er nogal wat mensen beschaamd geweest over hun aanhankelijkheid aan de terreur van Guevara en Castro, anderen hebben niet verpinkt, de meesten namen zichzelf achteraf niet ernstig. Maar achteraf is geen waarheid. Bas Van Putten herinnert er ons ook aan dat Claus ooit de opdracht gekregen heeft om de Lof der zotheid van Erasmus te bewerken maar dat hij die opdracht teruggegeven heeft – wat voor Claus redelijk uniek is. En ach, wat een mooi project zou dat niet kunnen zijn: Het niet-oeuvre van Hugo Claus.

Een ander belangwekkend getuigenis is dat van Jacqueline de Jong, de beeldend kunstenaar die een relatie gehad heeft met Peter Schat en Asger Jorn maar toch vooral zelf een creatieve bijdrage geleverd heeft met haar artistiek werk en de oprichting van The Situationist Times dat tussen 1962 en 1968 verscheen. Er wordt altijd geleuterd over het belang van de jazz (maar men vergeet dat de oude jazz iets anders is dan het behangpapier dat nu jazz genoemd wordt door gezapige, dikbuikige Klara-middenvelders) maar men vergeet dat de klassieke muziek een veel geschakeerder beeld kan geven van de wereld en ook een andere, belangrijkere rol gespeeld heeft in de jaren 50-70 van de vorige eeuw dan de jazz, dat er m.a.w. constant aan geschiedenisvervalsing gedaan wordt. Er was de geboorte van de rock-‘n-roll en zoals ik een onderscheid maak tussen hen die punker kunnen geweest zijn en de anderen, zo was er ook toen een onderscheid tussen de oude jongeren en de jongeren die het licht gezien hadden. (Helaas heette dat licht Elvis.) De Jong getuigt: ‘Wij hebben de muziek uitgevonden, wij hebben helemaal niets meer te maken met de jazz en de Franse liedjes van onze ouders met hun flauwekul.’ (p. 247).

Beeld: het gedicht van Claus via peterschat.nl ; Marina Schapers in Masscheroen van Hugo Claus, foto van Ed van der Elsken en (?) Suzy Embo

Advertisements