boon, claus en de verloren schat

door johan_velter

Je hebt een muziekjournalist die altijd gedegen stukken schrijft, je leest die niet alleen omwille van de informatiewaarde maar ook voor het inzichtelijke kennen: iemand die over muziek kan schrijven, heeft mijn hoogste achting. Als Bas van Putten een biografie over Peter Schat (1935-2003) schrijft, dan begin je met vreugde en verwachting aan het boek. Je kijkt wel verbaasd als je ziet dat de biografie uit 2 delen zal bestaan en dat het eerste al 560 blz. telt. Alles moest anders : biografie van Peter Schat, is echter een ontgoocheling. Niet omwille van de informatie, maar wel door de stijl van de schrijver waardoor de gedachtegang en de kritiek ondergesneeuwd geraakt zijn. Van Putten hanteert de kreeftengang, zo geliefd bij hedendaagse componisten, en dus ook bij Peter Schat maar een boek is geen muziekstuk. Het is schamel om het te zeggen maar wie de eerste 40 bladzijden gelezen heeft, moet niet verder lezen: een herhaling en een bevestiging.

Daar komt bij dat Bas van Putten zijn onderwerp niet ernstig neemt: hij vindt hem maar een mineure componist en citeert met graagte Boulez over Schat. Met alle respect: Boulez was dikwijls ideologischer dan scherpzinnig. En passant sabelt Van Putten het Connie-verhaaltje neer – blabla, sensationele kefferzucht.

Toch bezit het boek ook zeer interessante passages wanneer het een tijdsbeeld schetst. De jaren 50, de jaren 60 en de ideeën over maatschappij en kunst, maar ook hoe klassieke muziek in het brandpunt van de cultuur stond en een breekijzer was om de regenten te doen buigen. Peter Schat was een cultfiguur, als societyman en als opstandeling. Bas van Putten nuanceert maar nuances doen niet altijd recht aan de werkelijkheid – wat van ver niets lijkt, is van dichtbij heel wat.

Bas van Putten heeft Schat nog gekend, beiden hielden afstand: de een zegt doorzien te hebben en geeft de indruk dat de ander dat wist. Hij rekent Schat bij de mislukkelingen: al te tomeloze eigendunk die het beetje talent naar de vaantjes geholpen heeft. Iemand die het modernisme niet heeft doorgedacht maar stappen terug gezet heeft en zich daarom verbrand heeft – de oekaze van Pierre Boulez over zich heen geroepen.

De auteur komt ook veel te veel tussen in het verhaal, met denigrerende, zijdelingse, pseudo-ironische opmerkingen die toch allemaal in dezelfde richting wijzen – die van de branie, het onbenul en de overschatting. Nogmaals: dit is ten onrechte: de muziek van Peter Schat is nog steeds te beluisteren en heeft weinig van waarde verloren. Maar Van Putten verwijt Peter Schat vooral zijn levensstijl, zijn windvaanheid, zijn huik. Het wordt natuurlijk wel komisch als de biograaf Harry Mulisch, het windmolenpark bij uitstek, laat opdraven om het zogenaamde non-talent van Schat te doen uitkomen: ‘Intussen maakt zijn [d.i. Peter Schat] voormalige vriend Louis Andriessen wereldwijd furore, wordt Reinbert de Leeuw als dirigent steeds beroemder, en vergelijkt de Amerikaanse pers Mulisch met Homerus, Dante en Goethe.’ Maar Van Putten spreekt hier slechts over succes, niet over waarde en iemand die Homeros, Dante en Goethe gelezen heeft, beschouwt het werk van Mulisch slechts op stripverhaalniveau.

In De gouden jaren van het linkse levensgevoel : het verhaal van Vrij Nederland (Balans 2016) heeft John Jansen van Galen Peter Schat een kleine rol toebedeeld. Hoofdstuk 13 vertelt dat er in Reconstructie bloot te zien was. Jansen van Galen over het auteurschap ‘Mulisch en zijn kornuiten’ (p. 253). En over het stuk zelf schreef Konrad Boehmer: ‘Het is de revolutie van verwende burgerkinderen, meer niet.’ (p. 256).

Het interessantste in dit eerste deel van de biografie is echter de geschiedenis rond Labyrint, een stuk dat Peter Schat opgebouwd heeft rond de roman De Paradijsvogel van Louis Paul Boon. De ontstaansgeschiedenis van deze opera, dit ‘gesamtkunstwerk’, dit ‘multimediaal braniestuk’ wordt in geuren en kleuren (2-, 3-, 4-maal) verteld maar eigenaardig genoeg wordt de reactie van Boon op dit stuk helemaal niet vermeld en lijkt dit ook niet belangrijk te zijn.
Maar veel merkwaardiger nog is dat in het 13de deel van het ‘verzameld werk’ van Boon (Arbeiderspers, 2010) , waarin De Paradijsvogel (1958) reeds opgenomen is en zogezegd wetenschappelijk verantwoord wordt door zogezegde wetenschappers, over deze adaptatie helemaal niets gezegd wordt, terwijl er wel een soort stukje over de ontvangst van De Paradijsvogel opgenomen is (p. 277 en volgende). En op de wikipedia-pagina van Louis Paul Boon, dat ongetwijfeld ook door wetenschappers opgesteld is, wordt Labyrint … niet vermeld.

Als we kijken naar de website van het Louis Paul Boon Documentatiecentrum dan is ‘het laatste nieuws’ dat van 6 maart 2013 (vandaag 3 oktober 2016), een boekpresentatie van deel 20 van dat Verzameld werk. De hele website is overigens nog steeds een rommeltje en een schrijver als Boon onwaardig. Wanneer zal het volk zijn schrijvers terug opeisen? Ook in de culturele wereld moet er heel wat schuiven en moeten de amateurs de zogenaamde professionelen van de macht verdrijven – pas dan zal de cultuur weer kunnen ademen en de vrijheid kunnen bestaan.

Nochtans is deze kwestie belangrijk. Het zegt iets over de status van Boon (op dat moment dé experimentele, geëngageerde schrijver) en het zegt ook iets over de rivaliteit tussen Boon en Claus en dus over de ‘gretigheid’ waarom Hugo Claus meewerkte aan Reconstructie, de meer bekende opera van Peter Schat. Het toont ook aan hoe Boon in het centrum van de toenmalige contemporaine cultuur stond (en Claus minder (Boon leidde, Claus volgde)) en dat Boon helemaal niet een idiot savant was, zoals hij door anderen en zichzelf voorgesteld werd. De tragedie van Boon was dat hij in zijn eigen val van het Boontje getrapt is en zichzelf voordeed als een halve onnozelaar. Maar Boon, en dat heeft Claus ook over hem beweerd, was iemand die veel (alles) las wat gelezen moest worden en dat ook op een originele manier heeft kunnen toepassen. En zoals Boon zich door Boontje heeft laten meesleuren, heeft hij zich ook mispakt aan het etaleren van zijn eigen frustraties – die met hem op de loop gingen. Daar begreep hij niet dat het losbandige iets anders is dan vrijheid.

Heel deze zaak wordt nog interessanter als we de hedendaagse Boon-visie van de zogenaamde wetenschappers bij deze kwestie betrekken. De zogenaamde Boon-kenners laten Labyrint vallen omdat dit niet past in hun ideologisch geconstrueerd beeld (dat door Boon en zijn omgeving geschapen en in stand gehouden wordt) van Boon als eenling, die uit de lucht gevallen, un esprit brute is maar in werkelijkheid een diepe intelligentie bezat die echter niet intellectueel-cultureel-historisch gevormd was maar de vlam van het genie bevatte. Wat in deze biografie ontkend wordt: Boon stond in het centrum van de cultuur en hij had contacten met de progressieve kunstenaars die hem waardeerden.

Er is ook een antilinkse verklaring: de Boon-propagandisten, -gelovigen, interpreteren het werk van Boon vanuit de schrijver zelf, psychologiseren er op los, lezen alleen maar autobiografisch en reduceren Boon daarmee tot dat raar manneke dat ook een genie is. Maar Boon was een cultuurmens en -schrijver, misschien stond hij wel veel verder van het volk af dan Hugo Claus.

En het wordt nog interessanter omdat Boon’s zwarte cultuurkritiek haaks staat op het beeld dat nu nog bestaat van de zestiger jaren (bloemen en borsten) – een cultuurkritiek die door Claus gevolgd werd maar op een minder betrokken en persoonlijke manier. (Zag Boon zichzelf als Isengrimus dan was Claus wel zeker de Reinaert – hij die met de beste brokken (mokken) ging lopen.)

Advertenties