tekst (12)

door johan_velter

 

Een oeuvre dat beeldt moet door woorden gejustifieerd worden: het woord duidt het beeld en trekt het binnen in een cultuur. Omdat men denkt dat de beeldcultuur nu overheerst, meent men het woord te kunnen laten vallen.

Zij die de behoeders van het vrije woord hadden moeten zijn, beknotten de vrijheid, het woord en het denken en ze doen dit onder het mom van het hedendaagse. De beeldcultuur is een onderdeel van de tirannie geworden – het analytische, kritische denken werd verlaten om een ‘concept’ (maar men bedoelt een pseudobegrip) in de plaats te stellen, een ‘beleving’, een ‘emotie’: drie maal een stilstand. Het is slechts het rationele denken dat vooruitgang mogelijk maakt, dat toont wat vrijheid, creativiteit, verbeelding en menselijkheid zijn.

Hugo Debaere had weinig geluk met zijn interpretatoren. In 1995, dus 1 jaar na zijn vroegtijdige dood, verscheen in Gent de monografie Hugo Debaere (Time Festival, n.a.v. een tentoonstelling in het MHK van 18 maart tot 30 april 1995) met een tekst van Dirk Pültau, in het Nederlands en het Engels. Er wordt een poging gedaan dit werk te beschrijven maar slechts vanuit 1 ‘idee’, eigenlijk een ‘concept’ (zie boven), ‘het verzet’ – onduidelijk blijft vanwaar dat verzet zou komen, waarom dat uniek zou zijn voor dit werk (zou niet elk leven een verzet tegen de domheid en de macht moeten zijn?), en hoe dit in dit oeuvre vorm krijgt. Het is niet omdat iemand een individuele toets bezit, dat dit als verzet begrepen moet worden. Er is een te gemakkelijke associatie tussen metamorfose en verzet. Er is een metafysica gaande die niet langer bij het werk verwijlt maar zichzelf interessant vindt: ‘Deze werken negeren geen vormelijkheid maar appeleren [sic] aan hun andere door de wijze waarop ze deze vormelijkheid op zich nemen. Het radicale beladen-zijn met vorm, weerkaatst (ook) in hun materiële kwaliteit: […].’ Het Engels is misschien duidelijker: ‘These works do not deny form but appeal to their otherness by the way in which that they take on that form of themselves. The radical form-loadedness is mirrored in their material quality: […].’. een bepaald soort intellectuelen (de morosoof-metafysicus) heeft het huidige maatschappelijke extremisme voorbereid door de inhoudelijke leegheid van de woorden en de herhaling van het zogenaamde radicale. Radicaliteit in de kunst is toch alleen maar een consequent uitvoeren van een idee en is dus helemaal niet uitzonderlijk. Is Rembrandt radicaal? Rubens? Goya? Ensor?

Het boek behoudt echter zijn waarde omwille van de vele foto’s en benadert daarmee bijna het levensoverzicht van een kunstenaar.

De vormen van Debaere komen voort uit de natuur maar zijn door en door artificieel. Hij gebruikte diverse materialen uit de consumptiemaatschappij, die toen nog niet zo genoemd en begrepen werden maar wel wist men dat dit kapitalisme afstevende op de eigen ondergang. Er was een beginnend besef van dood, achteruitgang en verraad aan het humanisme. De economie kwam op het voorplan te staan en doordrong al het esthetisch denken en handelen. Het basismateriaal waarmee Debaere zijn grootste, belangrijkste werken maakte was koemest, de grondstof die ons leven mogelijk maakt, die de rijkdom van de Europese gewesten geweest is en die tegelijkertijd een natuurvorm is en het product van een verwerkingsmachine. In het werk van  Debaere zie je de kern van drie andere kunstenaars: Wim Delvoye, Thierry de Cordier en Jan Fabre. De stront voor de eerste, het werk Boule Musée (1988) voor de tweede en Nimba (1990) voor de derde – er kunnen nog andere lijnen getrokken worden. Ook als je het niet verwachten zou: de tekenkunst van Debaere is in haar textuur verwant aan René Daniels, bijvoorbeeld in zijn tekeningen voor Zoo Krefeld (1993).

hugo-debaere_zoo-krefeld

Het werk Chichi dodo (1992) is verwant met Het puttertje van Carel Fabritius – er is een tederheid aanwezig die het werk licht maakt en daardoor troostend.

hugo-debaere_chichi-dodo

In het werk wordt met de zwaartekracht gespeeld. Het vogeltje hangt aan een draad en de tak is aan het vogeltje vastgemaakt – het is overigens die tak die het werk zijn grootsheid geeft. Ook Borst, Nimba, De neus van Afrika, enzovoort zijn hangende werken en daardoor keert Hugo Debaere de traditionele beeldhouwkunst om: de sokkel is weggeblazen; het werk blijft overduidelijk aanwezig maar zonder de heiligheid van het zware onderstuk en zonder zichzelf weg te cijferen (zoals in het werk van Didier Vermeiren). Het materiaal blijft zeer aanwezig zwaar (mest geeft een degelijke indruk) maar is ook intrigerend: het is stront die vorm geeft.

Het thema van het hangen is cultuurfilosofisch interessant omdat de hangende vorm (denk aan hangouderen) een tegendraadse vorm van leven is. Natuurlijk benijd elke mens de vleermuis en de luiaard omdat zij de wereld omgekeerd en dus juist zien. Hangen is wachten, is passiviteit, het activisme aanziend. Hangen is rust maar vooral ook de zekerheid van het niet-verplaatsen. En daarom mag ‘Afrika’ in het werk van Hugo Debaere niet als een exotisme gezien worden: Afrika is een metafoor voor het niet-Westerse leven, een omkering van de beheersingsmachine, de onderdrukking en het gedachteloze razen. Koemest is, zonder een cultuurproduct te zijn, geld waard een rijkdom en een bron van leven. De afvalmaatschappij wordt omgekeerd. We zien dit ook in de prent Melancholia nigra et amara (De zwarte en bittere melancholie), zie verder. De melancholie komt bij de rust te staan, rust die dan stilstand en vruchteloosheid wordt.

hugo-debaere_borst

Het hangen is het leven aanvaarden. Borst (nogmaals, omdat dit het iconische werk is) heeft de gladde vorm verloren, is bijna vormeloos geworden (vorm volgens de verwachting, de vorm van het kijken) en hangt daar. Maar niet hulpeloos, niet vernederd. De borst hangt in zichzelf, is louter in zichzelf gekeerde vorm geworden. Calder maakte zijn objecten licht en bewegend (K. Schippers deed hem dit na in zijn proza en poëzie), die hebben slechts een zuchtje wind nodig om de rust te verlaten. Maar hier is de beweging niet die van het razende Westen maar van het spel, het fladderen van de vlinder.
De hangende rust van Hugo Debaere is zwaarder dan dit, meer verzonken in de donkerte, ze vraagt geen kijkend en spelend oog. De werken van Calder kunnen in een doos geborgen worden en zijn dan dood. Zelfs hangend in de reserve van het museum is het werk van Debaere levend.

hugo-debaere_titelpagina

In 1987 is bij Galerie Oude Gracht 380 in Utrecht n.a.v. een tentoonstelling een catalogus verschenen, die we hier al te veel eer aandoen door het als een kunstenaarsboek te beschouwen. De titel van het boek is Hugo Debaere en de auteur is Paul Willemarck, althans zo moeten we boektechnisch de titelpagina lezen. De tekst van de boehmiaan Paul Willemarck is echter ‘Getuigenis’ getiteld – een inhoudelijk warrige, onzinnige, onbegrijpelijke en vermicellisoep-achtige verzameling woorden. Een citaat: ‘Deze passiviteit van de passiviteit vindt plaats in het zeggen (dat Levinas opponeert aan het gezegde). In tegenstelling tot het gezegde dat zichzelf fixeert, en een idool wordt voor zichzelf, herleidt het zeggen zichzelf tot een teken in een ongereflekteerde passiviteit. De authentieke uitdrukking is een getuigenis, zegt Levinas.’ Dit alles is in rode kapitalen gezet en de ondergrond is een foto met een korrelig raster. De door Willemarck geciteerde auteurs: Heidegger, Levinas, Kant, Nietzsche, Plato. Dit is een uitstekend rijtje om het morosofiegehalte te beoordelen: wie in een artikeltje deze namen (altijd dezelfde namen, steeds dezelfde clichés) noemt, schaart zich in de rij van  woordloze praters. Willemarck slaagt er in om geen enkel woord over Hugo Debaere of diens werk te zeggen, dit is een ratel die in zichzelf over zichzelf praat.

Het boekje is vormgegeven door Hugo Debaere en Dirk Imschoot, deze laatste heeft de catalogus ook gedrukt. Op de omslag staat de naam van de kunstenaar in blinddruk. Het bevat vooral foto’s van de kunstenaar zelf, een aantal atypische werken, een dwaalweg van Debaere, een poging modern te zijn zonder de moderniteit te begrijpen. De tekst is daar ook een aanduiding van: het was de tijd dat de beeldende kunst dacht gered te worden door de filosofie (eeuwenlang waren schilderkunst en literatuur zussen van elkaar) maar dan wel een filosofie die woorden als zachte aardappelen nodig had. Jawel, altijd verleden tijd. Het tijdschrift De witte raaf is nog altijd ziek in dat bedje, het laatste nummer opent bijvoorbeeld met een ‘essay’ over psycho-analyse: hoe achterhaald kan men zichzelf maken? Hoe kan het woord avant-garde meer misplaatst zijn?

hugo-debaere_onzin

Er zijn twee materiële ingrepen waardoor deze catalogus toch ook weer als kunstenaarsboek kan gelden: op de tweede bladzijde (de titelpagina) is een driehoek uitgesneden waardoor de ogen van een zwarte vrouw zichtbaar zijn. En enkele pagina’s verder is het blad links en onderaan schuin afgesneden waardoor de vormen op de pagina zelf gevolgd worden.

Door de vormgeving van het boekje, zo modieus dat het op het moment zelf al achterhaald was, wordt de toegankelijke kunst (weliswaar mits enig kijken en denken) van Debaere een esoterisch, hermetisch en banaal oeuvre. Of hoe de kunstenaar zichzelf onbelangrijk maakt door zich te vergapen aan anderen. Hij doet dit ook door een tekst (fragmenten van een tekst) van hemzelf op te nemen. Deze zijn eenregelig onderaan een aantal pagina’s afgedrukt. Ze ontkennen niet alleen de tekst van Willemarck, maar ook zichzelf en het hele project. Het is geen spel met paradoxen maar een intellectuele onmacht.  Na elkaar gezet luidt dit zo: ‘De teksten (spreuken,) binnen de geometrische structuren werken verstarrend. Ze werken als conclusies, maar lossen niets op. Ze determineren de figuur en het kijken ernaar, maar zeggen er niets over. De figuur zegt ook niets over de betekenis van de tekst. Het wordt tot een statisch moment (fait accompli). Je dient alles over te doen, maar steeds kom je tot hetzelfde punt. Het enige dynamische zit in bepaalde facetten van het figuur. Het zou volstaan ze in een ander en zinvol licht te plaatsen. (Een meer hoopvolle tijd?) Mijn figuurtekeningen liggen tussen het citaat en de oorspronkelijkheid (geschiedenis en ervaring …?). Individu-individualiteit … enkeling…’

Het was des tijds om het figuurtekenen te rechtvaardigen met onzin. Maar als we deze tekeningen (maar het zijn acrylschilderijen op groot formaat – ongeveer 2 op 3 meter) bekijken, zien we de nu zo geroemde Rinus Van de Velde verschijnen, of hoe regressief een vorm kan zijn en hoe het geld de kunst misleidt. Het is jammer (en ook nog een ander woord) dat het SMAK, dat immers het oeuvre van Hugo Debaere ‘bewaart’, deze tekeningen niet getoond heeft op de tentoonstelling van Rinus Van de Velde. Het is soms pijnlijk iets te weten en zich te herinneren.

De woorden Sic transit gloria mundi (Zo vergaat de wereldse roem) op de tekening hebben een omineuze betekenis gekregen en op het graf van Hugo Debaere op het kerkhof van Gentbrugge gelden ze nu voor ons als een memorie. Of ging het over de kunst? Of over de macht die het denken versmoort?

Advertenties