het lichaam, de macht en de lijn

door johan_velter

pablo-picasso_femme-sur-un-oreiller_10-juli-1969

En weer stond je voor dat schilderij dat overdonderend is in zijn onderwerp en zijn vormgeving. Weer besefte je wat het betekent als Pablo Picasso een iconoclast genoemd wordt.

Femme à l’oreiller of Femme sur un oreiller is geschilderd in Mougins, de laatste schuilplaats van de kunstenaar, gedateerd op 10 juli 1969, is bijna 2 meter hoog en 130 cm breed. Picasso heeft dit werk bij zich gehouden, er bestaat een foto van de ‘muziekkamer’ in Mougins waar het schilderij een prominente plaats innam. U moet zich voorstellen: de heer en vrouw des huizes ontvangen de bezoekers in een kamer waar een vrouw in al haar naaktheid overduidelijk aanwezig is, de aanstichter spreekt hen beminnelijk toe en de geportretteerde bekijkt het gewemel minzaam en vanop afstand. Er ontstaat een zeker ongemak.

picasso_mougins_la-piece-a-musique

De jaren 60 waren turbulent, niet alleen op maatschappelijk maar ook op kunsthistorisch gebied. De schilderkunst werd in vraag gesteld: het beeld leek niet langer een representant van de werkelijkheid te zijn, het was een politiek, onderdrukkend instrument: het beeld legde de dingen vast zonder een alternatief te kunnen geven. Ook was de kunstenaar als individu, als schepper niet langer een waardepunt maar moest hij anoniem blijven, opgaan in het werk en de ruimte. Zelfs iemand als Matisse meende dat de toekomst van de beeldende kunst niet langer met het ‘tableau’ te maken had, maar een collectief gebeuren zou worden én de ruimte zelf zou het werk worden – vandaar de ruimtelijke ingrepen in de gebouwen (al dan niet religieus). Men begrijpt dat wat de overheid vandaag zichzelf als bouwheer oplegt, slechts een decoratieve herinnering is aan een avantgardistisch idee. De groep Supports / Surfaces in Frankrijk leek op weg te zijn een nieuwe kunst te scheppen. Het canvas zelf, al dan niet bewerkt, was het nieuwe materiaal, de afbeelding zelf was overbodig en dit werd gepresenteerd in een witte ruimte. Het werk verdween in de niet-kleur.
Femme sur un oreiller is een bijna-monochroom schilderij: wit, grijs, zwart, ietwat geel hier en daar. Verwijder de lijnen van het personage en je hebt een schilderij dat een werk van Robert Ryman zou kunnen zijn. Het rood van Picasso’s naam behoort niet tot het schilderij, is er ook achteraf op gezet (Picasso dateerde zijn werk direct, maar signeerde het slechts en bloc, wanneer het de deur uitging of in de reserve belandde.), toch behoort de handtekening tot het werk. Een ‘normale’ kunstenaar signeert zijn werk in de kleuren van het schilderij zelf, hier zou dat een grijsachtig iets kunnen zijn. Picasso gebruikt een rood dat niet in het schilderij voorkomt en de naam is ‘eigenlijk’ te klein gezet voor dit werk. We zouden kunnen zeggen dat het rood het menstruatiebloed oproept, maar dat is misschien naast de kwestie.

Het schilderij van Picasso is bijna een grisaille en behoort daarmee tot de top van het kunnen van een schilder: met een beperkt gamma moet hij een volheid schilderen. Leen Huet schrijft in haar zogenaamde Bruegelbiografie dat deze op zeker moment uitrustte met het schilderen van een grisaille – wat toch duidt op een schilderkunstig onbegrip: een grisaille is moeilijker omdat de kleur niet langer kan verdoezelen of behagen. Hoe minder kleur een schilder gebruikt, hoe hoger de moeilijkheidsgraad wordt. Het is ook opvallend dat Bruegel géén naakten geschilderd heeft.)

Picasso staat ver van het minimalisme van de 20ste eeuw dat al begonnen was bij Malevich (de Russen hebben in 1 decennium alles gedaan wat later zogezegd uitgevonden werd): bij Picasso heb je een beeld dat vol leven zit en waar de achtergrond slechts achtergrond is. Een negatie van de abstractie dus (we zouden de naoorlogse, abstracte kunst ook als een regressieve kunst kunnen bestempelen: de laatste stuiptrekkingen van het metafysisch denken en als een poging het louter decoratieve te bewaren – het denken is uit de kunst verdwenen, ook al doet men zich voor als filosofen, het zijn toch maar pseudo-filosofen.) Het kussen is voor iemand als Picasso nog redelijk sterk in detail uitgewerkt, normaal gezien is er bij hem slechts een suggestie nodig. (De tierlantijnen van het kussen lopen rechts door op het lichaam van de vrouw.) De vrouwenfiguur is expressionistisch geschilderd, karikaturaal is echter een betere benaming. Het begrip karikatuur mag bij Picasso echter niet verstaan worden als een uitlachen maar wel als een verheviging van wat reeds bestaat én als een zichtbaar maken van de waarheid. Iconoclasme nummer 1 en tegelijkertijd een fundamentele Westerse waarde: er is geen heiligdom, met alles kan gelachen worden, de vervorming is een vorm van realistisch denken zonder aan essentialisme te moeten doen, maar de lach is niet de vernedering of de vernietiging maar een bewust poneren van kenmerken. Dat de macht de karikatuur nog steeds niet begrijpt is evident, dit is niet alleen een gebrek aan intelligentie maar vooral aan stijl en botweg aan niveau. De lijdensweg die Charlie Hebdo week na week moet ondergaan, duidt erop hoe de islamistische geest reeds de rechtspraak heeft overgenomen: de karikatuur, de grap, het beeld worden niet meer begrepen als wat ze zijn maar vernederd tot een gevoel, een belediging. De intelligentie is uit het beeld verdreven.

De vrouw zit neer en vertegenwoordigt daarmee een typisch topos: de vrouw wordt bekeken, haar lichaam toont ‘ze’ aan de kijker, er is een esthetisch genot. De naaktheid is een typisch kenmerk van de Westerse cultuur, maar dan toch vooral de vrouwelijke naaktheid, Sebastiaan wordt bijna naakt getoond maar hij verwijst naar een homoseksueel zich tonen en kijken en daarmee verwant aan de ‘mannelijke’ blik – wat echter evengoed een verkeerd benoemen is, de vrouw behoort tot de Westerse cultuur en ook zij heeft die mannelijke, observerende, oordelende blik (de naaktheid van Christus is niet de naaktheid van het lichaam, maar de grootheid van het offer, de schamelheid van de mens). Picasso toont deze vrouw in haar naaktheid maar zonder een estheticisme. Iconoclasme nummer 2: de vrouw is vrouw zonder relatie met de traditionele schoonheid van evenwicht, pudeur, symmetrie, ingetogenheid. Christelijk gezegd: deze vrouw is eerder Maria Magdalena dan Moeder Maria.

Iconoclasme nummer 3: de naaktheid is werkelijke naaktheid. De borsten zijn prominent aanwezig, opvallend is hun asymmetrie, hun ‘vervormdheid’ en hun ‘onaantrekkelijkheid’, althans volgens de traditie – de illusie van het levenloze ‘echte’ vlees wordt niet geschilderd. Iconoclasme nummer 4: het idee vrouw is niet aanwezig, we zien een concrete vrouw, die ook geen personage is. Ze is lijfelijk aanwezig. Iconoclasme nummer 5: Picasso toont deze vrouw in haar rauwheid: er is okselhaar te zien (Picasso is 1 van de enige schilders die okselhaar weergeeft), we vermoeden klieren, afscheiding, vocht. De vrouw is geen etherisch of metafysisch wezen maar vlees, bloed, water.
De vrouw wordt zittend tegen een kussen afgebeeld maar ze is geen passief wezen. Ze kijkt ons frontaal aan met ogen die ons onderzoeken, de manier waarop ze geschilderd is, toont haar vol leven, onrust, verlangen. Ze toont een seksualiteit die niet zal ontvangen maar zal geven, veroveren: de vrouw is een wezen met een actief verlangen. Iconoclasme 6: Picasso is geen misogyn schilder, integendeel hij zet de vrouw op hetzelfde niveau als de man: wezens van verlangen. Het verlangen mag ook niet begrepen worden als het ‘verlangen’ van Deleuze en andere leuvensestoofkwakzalvers: het gaat wel degelijk om een lichaam dat voldoening zoekt én vindt.

In haar schoot kunnen we een lendendoek vermoeden, maar dat is misschien onze braafheid. Er is immers ook een vermoeden van een vrouwelijk geslacht en het kan dat Picasso hierop het licht laat schijnen of zelfs het geslacht als een lichtbron ziet. Normaal gezien wordt de vrouwelijke pubis gesuggereerd of geschilderd maar Picasso gaat verder, hij toont het spleetje, de bolronde vorm van de buik wordt niet verdoezeld. De witte strepen in de schoot komen ook op andere delen van het schilderij voor – er zijn ook schildertechnische redenen waarom een schilderij is wat ze is.

Dit is iconoclasme 7: de vrouw wordt in haar lichaam volledig getoond – er is geen schaamte over wat de mens als mechanisch wezen is. Er wordt niets verborgen. Dit is het leven: het actieve en het passieve komen samen, het leven als biologie wordt aanvaard en verheerlijkt. Er is ernst, niet het lachje van de verleiding, niet de openheid van het zich verkopen, niet de valsheid van de belofte: de vrouw is in zichzelf. Iconoclasme nummer 8: Picasso viel de bourgeoisie aan maar hij wilde ook de godsdienst vernietigen. Hij was een atheïst en hij verzette zich tegen het katholicisme van Franco, van het Spaanse verleden. Tegen de vroomheid: het lichaam.

Iconoclasme nummer 8 is de verhouding van het detail tot het geheel. Normaal is het detail een onderdeel en hoe evenwichtiger de details zijn hoe grootser het beeld wordt. Bij Picasso kan elk detail (of onderdeel) uit het beeld gehaald worden en elk deel zal vloeken met een willekeurig ander deel. Er is geen eenheid, er is een geheel. Het monotheïsme, het politiek correct denken, de pensée unique wordt door Picasso vermorzeld. Hij toont ons de leugen van de orde.

De naaktcultuur van het Westen is een fundamenteel gegeven en hangt samen met een verzet tegen de macht en de blik die wil beheersen en vernietigen. De ogen van Picasso zijn een spiegel: ze weerkaatsen en roepen op. Picasso schildert de heidense trots, de materialistische levensroes – tegen de verdrukking van de macht en de kleinburgerlijke moraal.

En pas dit toe op het boerkini-schandaal, de IS-valstrik waarin de ideologische bovenbouw van het Westen, dus de verachters van het intellect, trapt. De boerkini is géén symbool van levensroes maar een bevestiging van de dood. Wie het lichaam beknot en bedekt, prijst niet het lichamelijke leven maar de verdrukking. Wie het lichaam minacht door het op een slechte manier te voeden, doet niet aan lichaamscultuur en gaat ook niet op het strand liggen. Arme vrouwen die door hun fundamentalistische mannen aan de wereld getoond worden. De boerkini is slechts een provocatie. IS publiceerde een foto van nonnen die in klederdracht hun voeten natmaken en omdat zij die de media in handen genomen hebben, het consumentenkapitalisme dienen en dus niet analytisch denken, zag men niet dat de ene foto het verleden was en dat de boerkini de toekomst beoogt. Zij die de klederdracht van de islamisten slechts een lapje stof noemen, hebben noch ogen, noch kennis van wat cultuur en intelligentie zijn. De Westerse feministen hebben hun mantra gevonden: emancipatie kan niet opgelegd worden. Mag dit dan ook uitgebreid worden naar de discussie over het ‘glazen plafond’, de positieve discriminatie en de zogezegde noodzaak van quota? En verbazen zich nooit over hoe verschillend islamistische mannen en vrouwen zich in de zomer kleden.

Maar Picasso is tegelijkertijd een exponent van de Westerse cultuur én een opposant ervan – de karikatuur staat daarmee in de kern van het Westen (de ontkenning van het Westen is het Westen en daardoor is de democratie mogelijk geworden) – en dus ook het lachen en de kennis (want waarheid). Want kijken we naar andere iconische beelden van de vrouw, dan is de vrouw van Picasso veel lijfelijker, minder etherisch (Cranach) of wachtend (Goya), er is niet langer sprake van het idee vrouw (Matisse) maar daar is een wijf. (O nee, geen madame zoals dit woord nu door carrièrevrouwen gebruikt wordt). Deze vrouw is ook geen hoer of slet maar een waardig wezen dat in zichzelf leeft en is – slechts de hoop heeft ooit een man te kunnen aantreffen. En Picasso heeft met deze bijna kleurloze vrouw ook en weer de kleuren van Henri Matisse overtroffen: de Franse Europese geest toont zich in de lijn.

Advertisements