het worden van christine d’haen

door johan_velter

graf christine d'haen_campo santo_mei 2016

In een vormgeving van Danny Dobbelaere verscheen Geboorte van Christine D’haen. De eindredacteur bij het Poëziecentrum was vergeten het Vlaams Fonds voor de Letteren in het colofon te vermelden, nu werd daar een lelijke kleursticker op het colofonblad gekleefd. Hoe boekvijandig moet dat fonds wel niet zijn om te eisen dat zijn lelijk, kinderachtig en al te opzichtig logo overal en altijd zichtbaar moet zijn – is het geen normale gang van zaken dat een intermediaire organisatie slechts voor de incrowd gekend moet zijn en dat die zich helemaal niet moet promoten? (Ook hoe kinderachtig: je krijgt geen geld als mijn naam er niet op staat.) Wat we nu zien is dat dit soort instellingen zich in de plaats stelt van wie wel creatief en productief is.)

De bundel van Christine D’haen is een postume bundel, we wisten niet dat er nog gedichten in de nalatenschap gevonden konden worden. Paul Claes legt in zijn nawoord de wandelgang van deze gedichten uit. In tegenstelling tot veel van haar ‘echte werk’ is deze bundel redelijk open en toegankelijk. Hij lijkt een opmaat te zijn voor haar prozastukken maar de gedichten zijn minder openhartig, ze missen de scherpte, de hardheid van  het proza maar winnen een sierlijkheid – niet dat het proza niet sierlijk is, er is in de poëzie een zachtheid, ook tegenover de schrijver zelf die in het proza niet altijd te vinden was.)

In 19 gedichten beschrijft de dichter hoe ze 19 maal nieuw gemaakt wordt. Ze toont zich een Galatea die door telkens weer een nieuwe Pygmalion een nieuwe mens geschapen wordt. Paul Claes legt een band met overgangsrituelen, maar het is de vraag of dit zo is. Veeleer moeten we dit zien als een noodzakelijk cultuurproces: het menselijke moet doorgegeven worden; er is een meester nodig, zonder de ander bestaan we niet.)

Dat dit een persoonlijke bundel is, staat buiten kijf maar hij is ook meer: in het proces van erkennen en erkend worden zien we ons eigen bestaan. Paul Claes heeft niet alleen een nawoord geschreven, hij heeft de afzonderlijke gedichten ook geannoteerd waardoor we niet alleen de cultuurhistorische context maar ook de persoonlijke kunnen lezen en begrijpen. Toch is er nog genoeg om te vermoeden, zelf te begrijpen. De bundel vormt ook een tijdsbeeld: hoe de meisjes behandeld werden en hoe uitzonderlijk het vrouw-zijn van Christine D’haen (en haar zusters) wel is geweest. Steeds weer is er De Taak, De Plicht, het verlangen om volmaakt te zijn, te beantwoorden aan de verwachtingen van de ander. Vond de dichter zelf dat ze op het einde van haar leven het ‘ik’ bereikt heeft?)

Christine D’haen spreekt vooral over personen – dit kan verrassend lijken omdat ze op de eerste plaats toch een lezer was en we zouden kunnen verwachten dat ze over schrijvers en hun boeken zou dichten. Steeds toch staat de mens voorop. De gedichten zijn daarom vertellend, het verhaal staat dicht bij het vitalisme; de cultuur zelf is weifelend, afstandelijk denken en zijn daardoor anders dan wat haar oeuvre leek te zijn. In het tweede gedicht, over de dood van haar vriendin, schrijft ze letterlijk hoe het leven vóór op de cultuur van het boek staat. Uit deze bundel komt een angstige vrouw naar voor, iemand die een weg in het leven, dat ze niet kent, moet zoeken.)

Gedicht 5 begint met ‘Tussen niet-zijn en zijn strekt zich het leven uit.’ Eindigt met ‘Ben ik mijzelf, alleen, is al wat is?’. Het is een bijzonder sterk en groot gedicht, existentieel en existentialistisch. De laatste zin is een vraag en herhaalt in woorden (niet in betekenis en gedachten) de voorgaande regel: ‘ik ben, alleen, mijzelf, en alles is wat is.’ – we lezen een vertwijfeling na een valse zekerheid. Gedicht 14 is dan weer eerder een aanzet, misschien een kern, dan een volwaardig werk. Het gaat niet om de kortheid want ook nummer 19 is kort – Paul Claes legt uit dat ‘kwartier’ begrepen moet worden als ‘genade, levensbehoud’ – en behoudt veel raadselachtigheid, zet aan tot vermoeden van wat niet te begrijpen is:

Jij kwam, je bent er.
Je gaf mij geen kwartier:
geboren worden niet noodzakelijk.

(Beeld: het graf van Christine D’haen op het Campo Santo in Gent, mei 2016)

Advertisements