galerielucht, biënnaleklucht

door johan_velter

Toen de eerste Biënnale van de Schilderkunst georganiseerd werd door het Museum Roger Raveel en het MDD (deze tweede in mindere mate) leek het me de bedoeling te zijn de schilderkunst te herwaarderen. Al waren er golven van schilders de laatste decennia over ons heen getrokken, toch was en is het dominante beeld in de hedendaagse kunst de niet-schilder. Dit is ondertussen misschien veranderd en toch kun je nog steeds niet zeggen dat de schilderkunst haar meesterschap heeft teruggevonden of -gekregen. Er is veeleer een regressieve dan een progressieve schilderkunst te zien. Net zoals de architectuur de dominante publieke kunstvorm geworden is (maar dat wil niet zeggen dat elk hedendaags gebouw ook een modern gebouw is), zo is de schilderkunst blijven hangen in een wazig verleden waar allerlei tendensen uit het verleden opgehaald worden en naar hartenlust gekopieerd en/of gekopieerd.

De Biënnale wilde aantonen dat er wel nog relevante schilderkunst gemaakt werd, maar vooral wilde de organisatie het belang tonen van het plastische, het esthetische: het schilderij dat op zichzelf bestaat en geen ordewoord gehoorzaamt, geen boodschap verkondigt maar binnen de kunst een traditie verderzet en het schone toont – het schone begrijpen wij niet als een kleinburgerlijk iets. Vanaf het begin werd jong en oud door elkaar getoond, confrontatie is niet het juiste woord omdat de schilderijen zwijgend naast elkaar hingen. De curatoren wilden geen eigen stelling bewijzen (er waren vanaf het begin wel ‘thema’s’ maar die waren eerder een toegeving aan de pers dan een relevant concept). De bezoeker moest maar zelf kijken.

De vijfde editie wijkt, net zoals de vierde, hiervan af. We krijgen, net zoals op de 4de, weer een verzameling galeriekunst te zien. Is dit relevant? Het is groot, het is ook kleurrijk, men herhaalt zichzelf, er gebeurt in de schilderijen niets, ze zijn zo dood als het geld waarmee ze gekocht worden. Kijk in het MDD naar de werken van George Condo, de verwijzing naar Picasso is schaamteloos, een plat schilderen, een vulgair imperialisme, een  pseudo-historiciteit.

De catalogus is nietszeggend, korte biografische schetsen die ongeïnspireerd geschreven zijn en geen intellectuele analyse of context geven. Snel maakwerk, geen vakwerk. Op bladzijde 2 lezen we hetzelfde als op bladzijde 1, en het is niet omdat het 2 keer gezegd wordt dat het ook juist is, voor alle duidelijkheid, de volgende zin bevat alleen maar onzin: ‘Terwijl Albijn Van den Abeele steeds zijn eigen gekende omgeving heeft gesublimeerd in zijn schilderkunst, hunkerde James Ensor naar een voor hem exotische wereld.’

Of neem Ellen Altfest, een pseudo-hyperrealisme dat geen enkele zin heeft, noch schilderkunstig, noch intellectueel. Het is verf.

Of wilt u nog iets anders? Bij Walter Dahn wordt geschreven: ‘Als reactie op de stilaan steriele conceptuele benadering in de kunst wensten deze kunstenaars weer vrij en expressief te schilderen en werden ze daarom de Nieuwe Wilden (‘Jungen Wilden’) genoemd. ‘Jungen Wilden’ zou ‘Junge Wilden’ moeten zijn maar verwijst dan naar een groep quantumgeleerden in de jaren 20 en 30. Misschien bedoelt men de ‘Neue Wilde’?

Liam Everett is oververtegenwoordigd, net zoals Tatjana Gerhard maar waarom lopen we die schilderijen achteloos voorbij en vinden we de bijen belangrijker dan het werk? Weer: er is ene truc en die truc wordt groot en ongeïnspireerd herhaald waardoor er niets overblijft.

biennale_bijen

Maki na Kamura kan op het eerste gezicht bekoren maar neem een schilderij van Per Kirkeby in gedachte en dit werk vervalt in het niet. Johann Nobel is ijverig maar daarmee is alles gezegd.

Neem de catalogus als object en ook dit is zo eclectisch dat het een meisjesboek wordt, ongetwijfeld was het puntje van de tong zichtbaar tijdens het bedenken ervan. Best dat we Nederlands kennen want een woord als ‘HetwerkvanJohanNobell’ is niet in een woordenboek te vinden. De krulletters, de vette corpsletter voor de broodtektst en de kolommen Nederlands en Frans maken het lezen tot een karwei. Dat de titels van de werken verticaal staan, kan men nog grappig vinden maar handig is het niet.

En dan hangen daar kleine werkjes van James Ensor, uit zijn late periode, men zegt ook zijn minder goede periode. Maar wat een charme! Wat een plezier bij het maken – en dus ook bij het kijken! Wat een scherp kijken en een zacht voelen. Op welk formaat die andere schilders ook werken, deze kleine schilderijen van Ensor overdonderen al dat brutaal lawaai. De werkjes komen uit privé-collecties, een unieke kans om dit meesterschap te zien (niet: beleven).

In het Museum van Deinze en de Leiestreek eindeloos veel schilderijen van Lode Laperre en allemaal hetzelfde, kitsch die als kitsch wordt getoond. Misschien zijn de schilderijen van Sanam Khatibi nog een van de interessantste: ze combineert de Westerse geschiedenis (de eenhoorn en de duizendbloementapijten (La dame à la licorne), de vrouwen van Cranach) met een Oosterse fijnschildertechniek. Er is een bevreemdende tweespalt tussen de stilte en de beweegloosheid van de personages en de wereld van wreedheid en moord. Hier gebeurt iets – en toch blijft dit werk niet overeind: de schilderkunstige visie is niet aanwezig.

Intrigerend is het werk van Kasper Bosmans, 3 kleine paneeltjes met vissen (hij heeft het werk van  Rein Dufait goed onthouden). Zijn werk is wisselvallig, soms vervalt hij in een dood serialisme dat niets bijbrengt of een conceptualisme dat niet verder bouwt op verworvenheden. Het werk dat hier getoond wordt is echter spiritueel, verrassend van concept en afbeelding en inventief geschilderd : de wereld is vreemd.

biennale_kasper bosmans

Het Roger Raveelmuseum toont 1 werk van Etel Adnan en alleen daarvoor zou het al de moeite zijn om naar het museum af te zakken. De informatie die in de catalogus gegeven wordt is nogal irrelevant: ‘Haar schilderijen maakt ze zittend aan een tafel.’

biennale_etal adnan

Daarnaast zien we van Le Corbusier en Charlotte Perriand een keuken uit de Cité radieuse (Marseille). Over Le Corbusier wordt veel onzin verteld maar wie dit ziet weet hoe intelligent en creatief hij wel was. De keuken is klein en smal maar alles is aanwezig en staat op de goede plaats. Er is een doordacht gebruik van kleur en hout (de handvaten van de kasten zijn prachtig gestileerd en – vooral- afgerond: Le Corbusier wordt een onmenselijke architectuur verweten, het origineel toont hoe onwaar dit is en hoe dicht hij bij het dagelijkse leven en in de natuur stond).

biennale_le corbusier-charlotte perriand

Er hangt te veel van Rachel Baes, alhoewel het goed is dat dit ongewone werk nog eens te zien is. Een verrassend werk van haar is ‘Fleurs’ uit 1937. Dit soort werk zouden we meer op de Biënnale willen zien, nu is er te veel hutsepot, te veel eigenbelang, te veel galeriebelang.

biennale_rachel baes

Er zijn werken te zien van Jan Schoonhoven – wat een rust, wat een verlatenheid -, van Permeke en Frits Van den Berghe, maar het is Carole Vanderlinden die voor de zoveelste maal de ogen uitsteekt, wat een schilder, moet ik telkens weer verzuchten. Hier heb je iemand die het oog bezit, die het abstracte en het figuratieve tot een nieuw geheel kan smeden, die de vele historische zienswijzen kan vernieuwen en verdiepen, die een plastisch gevoel heeft, de maat van evenwicht en verhouding gevonden heeft, die fijn kan werken maar waar je geen vermoeidheid of verveling ervaart – waar schilderkunst leven en vreugde is.

biennale_carole vanderlinden

Advertenties