jan kuijper groet zijn schrijvers (4)

door johan_velter

Uit het gedicht ‘dag(droom) # 526’ uit de onvergetelijke en nog steeds even indrukwekkende bundel Mens Dier Ding haalde Jan Kuijper de zin ‘Hier was wie slimmer dan de dood dan wie’ als het begin van zijn ‘Albumblad voor Alfred Schaffer’ (Aanmatigingen, 2016). Het gedicht van Schaffer bevat de wreedheid van Afrika, de lichtheid van de vrouwenvlucht, en ten slotte ook de stilte van het onwezenlijke. Jan Kuijper duikt in die wereld van zuidelijk Afrika en spreekt dus ook over de dood, de jachtvelden maar spreekt al snel over zijn eigen wereld: die van de verlating, van Bach. De onwezenlijke Westerse cultuur: hoe bij angst en verlatenheid ‘een polyfonisch geluid […] hoort’. De dood is sterk.

Hélène Gelèns heeft het ongeluk dat haar bundels door Cossee worden uitgegeven waardoor haar boeken eerder op kindermeisjespoëziebundels lijken dan op poëzie. Gelukkig laat Jan Kuijper zich niet leiden door zulke trivialiteiten en hij leest als een strenge maar begripvolle en sterk sympathiserende meester gedichten van anderen. Er moet hem licht voorbijgevlogen zijn toen hij in het gedicht ‘Sappho zei (Cummingsvariatie)’ in de bundel Applaus vanuit het donker (Cossee, 2014) de regel ‘hoorde ik het mezelf zeggen in een droom’ tegenkwam. Een gedicht dat aanzet tot verrukt lezen en dat, alhoewel er tragische levens passeren, toch een positief hunkeren teweegbrengt. De ‘cummingsvariatie’ kan duiden op een omgekeerd opschrijven: het einde is wat het begin zou moeten zijn: doordat velen (Sappho, Virginia Woolf, Einstein, Jezus, jij) het de dichter zeiden, zal het hunkeren ook gebeuren. En de vraag van Jan Kuijper gaat daarop verder: heb ik het mezelf horen zeggen in een droom of komt het toch door lectuur? De werkwijze van Kuijper is als van de begijn die een draad opneemt en daarmee verder borduurt. Meer: ook bij hem gloort een sprankel hoop: misschien, dat ooit – en laat dan vergeten zijn de pijn.

Op het omslag van Blauwe hemel, de bundel uit 2014 van Kreek Daey Ouwens, prijkt een prachttekening van Elly Strik, een streng haar, haast een vuurkolom die ten hemel reikt. En ook het motto getuigt van smaak « Toute chose appartient à qui sait en jouir », een citaat van André Gide uit Si le grain ne meurt. Het blauw is hier de kleur van de verwachting. De bundel draait om Meneer en mevrouw Danie en Larissa, een groot gedicht over verlies en treurnis. Jan Kuijper vond hier zijn regel op p. 73 (de gedichten zijn niet getiteld, vandaar het paginanummer deze keer) – gaat dit gedicht over een verkrachting? De regel luidt: ‘Aan haar hand, aan haar vinger, glinstert goud.’ En Jan Kuijper gaat met het gewelddadige verder: ‘Als zij mij wenkt, dan valt mijn kop eraf.’. Het wordt een gedicht van spijt, de liefde heeft geen deugd gedaan maar monsters gebaard.

‘In deze broeierige kas geboren’, zo begint het ‘Albumblad voor Sasja Janssen’ en is een regel uit de bundel Ik trek mijn species aan (Querido, 2014), het zesde gedicht uit de reeks ‘Ik red het niet, dat gedoe over leven en dood’. Er is een referentie naar geboorte op deze wereldbol ‘deze broeierige kas’ – broeikasgas, overbevolking, verontreiniging, dood en verval maar in dit gedicht toch vooral erotiek, wellust en overdaad. Jan Kuijper is niet zo onstuimig. Een levensgedicht tussen geboorte en dood: enerzijds is er wijs beleid (berusting), anderzijds de opstandigheid van het leven en de waarheid van het verzet:

zij hebben zich op hem verkeken, want
hij likt ze niet, hij slaat ze met ontzetting.

We kunnen het ook als een liefdesgedicht lezen: de hond die kort gehouden wordt, is een kettinghond en die bijt, vals en kwaadaardig.

‘Dag en nacht als geruisloze bladzijden’, een regel uit Antoine de Kom’s gedicht ‘na de tranen’ (Ritmisch zonder string, Querido, 2013), een dichter die (o.a. en dankzij) Saskia de Jong terecht meer bekendheid gekregen heeft, een onnederlandse dichter die natuurlijk vaderlandse verdiensten heeft, werd door Jan Kuijper als eerste regel genomen voor zijn ‘Albumblad voor Antoine de Kom’. Onnederlands omdat de natuur als heelal en chaos beschreven wordt, waar de tijd niet chronologisch gehouden wordt, de grenzen overstegen, het denken en voelen in elkaar vloeiend, een droom van eenheid oproepend, en vooral niet bang van het cliché, de taal, het benoemen. Niet burgerlijk. ‘hij zei dag en nacht als geruisloze bladzijden / te kunnen omslaan daarbij de lucht in hete stukken / scheurende en kondigde de vondst / van  bewoonbare planeten aan ver / van aarde […]’, uiteindelijk een wreder gedicht dan deze poëtische woorden. Bij Jan Kuijper vraagt het gedicht zich af of er nog een toekomst is, zal er nog dagelijksheid zijn waarin me zich vervelen kan en hopend dat ‘zwart-wit wordt grijs, dat zal de pijn verzachten.’ Er komt berusting, de emoties hebben gelaaid.

Het ‘Albumblad voor Anneke Brassinga’ begint met haar eigen regel ‘Iets onvergelijkelijks bij te dragen’ uit het gedicht ‘Kolos’ (Het wederkerige, 2014). Toepasselijk, want Brassinga maant de schrijver aan alles te lezen wat ooit geschreven is, alles te weten. Om dan ‘iets onvergelijkelijks bij te dragen.’ Het is pas dan dat men groter wordt, wreder dan zichzelf – en zo te spreken. Dit ‘gevoel’ wordt bij Jan Kuijper verkleind tot een gezegde van de ex-geliefde: hij kan de ander nooit goed genoeg zijn.

Het laatste albumblad is voor Jacob Groot en begint met de zeer grootiaanse regel: ‘Want dat we samen zijn is een geloof’ – aan u nu.

Advertenties