jan kuijper groet zijn schrijvers (3)

door johan_velter

Het ‘Albumblad voor Anne Vegter’ (soms verbastert men mijn naam tot ‘Vegter’, altijd een eer gevonden, maar het vechten is geen agressie, slechts een geciviliseerd reageren tegen de barbaren) begint met een typische zin voor Vegter ‘Ik bruinde, ik zonde en er brak een tijd aan.’, typisch omdat ze steeds weer op een ingenieuze manier (ook onverhoeds, verrassend) het eigene met het algemene kan verbinden. Hier begint ze met een zonscène en eindigt met de tijd – het is voor mensen met een geheugen, die dus geen toekomst meer hebben, een bijna tragikomisch gegeven dat in dezelfde week dat Sonia Rykiel gestorven is, men in het Westen de boerkini toelaat. De regel is te vinden in het gedicht ‘Negen’ uit Spamfighter (Querido, 2007): een meisje groeit op, een broer die verdwijnt, hoe kunnen zijn verhalen dan gelogenstraft worden. Het meisje werd dan toch geen neger. In diezelfde bundel staat het gedicht ‘O’ waarin Tonnus Oosterhoff een rol speelt. ‘De natuur heeft de neiging tot imitatie, leert Tonnus mij: / wil je iets leren, moet je iemand nadoen, jij zeker’ – ook dit een sleutel tot zijn roman Op de rok van het universum (2015). Er is in dat gedicht nog een ander personage, Chris, In de eerste regels van het volgend citaat is hij aan het woord:

‘Hij meende dat ik het goed voor elkaar had, / de zaakjes op orde, dacht hij. Zover ik weet / heeft Tonnus nooit geschreven over zaakjes / die op orde kunnen zijn. Hij heeft het in dat ene ding / ‘Robuuste tongwerken, enz.’ wel over Leopold / en citeert er oa de onderlinge vertedering. Schrijft: / ‘O, denkt O, kon dit maar een eigen maaksel zijn;’ / Hij schrijft het zo goed op dat je niet eens meer denkt: / zou ik dat doen? Hoe dan? Met welke middelen?. Wie is de ‘hij’: Leopold of Oosterhoff? Ik denk Oosterhoff en ‘ik’ is Vegter.

Vegter verwijst hier naar het gedicht ‘Meneer met Pinksteren’ van Tonnus Oosterhoff en in dat vers wordt er een zekere Oosterhoff opgevoerd die bij J.H. Leopold’s Schetsen en fragmenten het gedicht

Dieren

als kerk in het bosch gezien
dat diep doet ademen.
het gevoel van rijkdom

van waar, van waar
de onderlinge vertedering
bij het gezamenlijk zien van dieren
het planten van boomen (op bedrukte dagen)’

leest en daarna bedenkt: ‘O, denkt O, kon dit maar eigen maaksel zijn; het zou mijn werk net dat beetje extra geven dat het nu voorgoed moet missen’.

Terug naar Jan Kuijper en zijn Anne Vegter. Er is ook hier een strandleven (er is sprake van Texel, zeedistel, parnassia) en een jeugd, een jeugd die bestaat uit zon en zee en schuldelozen. Maar waar de poëzie van Vegter toch vooral een activistische is, is er hier een melancholie te lezen en er komt nu ook duidelijker een eigen bundel tevoorschijn: de stem van Jan Kuijper is niet alleen meer een groet aan andere dichters maar hij vertelt zijn eigen verhaal – hoe duister ook.

De regel in het ‘Albumblad voor Kees ’t Hart’ komt uit de bundel Ik weet nu alles weer (Querido, 2008). ’t Hart is een criticus die met stylo (ik herhaal : met stylo) aantekeningen in zijn boeken maakt. De regel ‘Is een systeem van gelijktijdigheid / soms iets wat kan gebeuren?’ komt uit het lange gedicht ‘Tuitjenhorn’ en daar luidt de regel in de derde strofe: ‘Een gedicht is een systeem van gelijktijdigheid’ en dit laatste begrip is een constante in het werk van ’t Hart : het laat hem toe onmogelijkheden als mogelijk te begrijpen. In dat gedicht volgt hij op zeker moment (strofe 8) Italo Calvino: ‘Een gedicht moet licht zijn als een blaadje’, en er wordt dus een persoonlijke poëtica uitgebouwd – wat voor iemand als ’t Hart een onzinnigheid lijkt (ook het woord systeem overigens): hij, de ontkenner, hij, de baldadige regelomverwerper. Kuijper heeft dus ook hier niet alleen een regel genomen die hem ‘bevalt’, ‘aanspreekt’ of ‘aanzet’ maar hij heeft de kern van de andere dichter naar zich toe gehaald. Er is sprake van een kindertijd (ook dit verwijst naar Kees ’t Hart die, met zijn onnozel petje op, wel de hoge cultuur leest en bespreekt maar dit doet vanuit een punkattitude: ‘ze zullen me wat, de deftigen’. Tegelijkertijd is ’t Hart een zeer ambitieus schrijver: dat meesterwerk wil hij echt wel geschreven hebben. En Jan Kuijper volgt hem daarin.

Het ‘Albumblad voor H.C. ten Berge’ begint met de onheilspellende regel ‘De duurzame gruwel van een clausuur / is heel wat anders dan de dood’ en dit is een regel uit het gedicht ‘Zweepvormig sermoen’ uit de bundel Hollandse sermoenen (2008) en ook opgenomen in zijn Cantus firmus (2014). Het is een oproep aan de wekelingen om krachtdadig op te treden en te leven: ‘Wijs af / en veracht: verkies maar / de duurzame gruwel van een clausuur / (geen verschraalde vriendschap, geen verjaagd / vertrouwen).’ (De typografie van het gedicht is opgebouwd als een zweepslag: ik doe geen moeite dit hier over te nemen: vergeefse moeite immers.) Een clausuur is het afgesloten gedeelte van een klooster – de levensontkenning. Hier laat Jan Kuijper zich leiden door het beeld, niet door de oproep van het sermoen van ten Berge, en dit wordt voor Jan Kuijper een gedicht van verlangen en eenzaamheid: de tijd die kwellend is.

De beginregel van het ‘Albumblad voor Peter Ghyssaert komt uit het vierde gedicht uit de reeks ‘Miljoenen dochtertjes van zon’, te vinden in de bundel Ezelskaakbeen (Atlas 2011). Over de liefde in een stad. Een zonnig gedicht dat door Jan Kuijper onheilspellend wordt: ‘Er was een vlucht van stemmen vóór mij uit’ wordt gelijkgeschakeld met de teveelheid van mensen en die muur komt te staan tegenover de ik die niet zoetgevooisd zingt maar ‘de disharmonie die bij mij past’ tot zijn domein rekent – een verrassend beeld omdat Jan Kuijper het sonnet tot zijn dichtvorm gemaakt heeft – en als er 1 klassieke versvorm is, dan wel het sonnet.

Ook mooi is dat Kuijper het sonnet voor Nachoem M. Wijnberg laat beginnen met het beletselteken en aldus het ongewone kunstenaarschap van Wijnberg beklemtoont. De regel van deze luidt nochtans gewoon ‘De stierenvechters renden achter mij aan’ (‘In het donker, in het licht’, Als ik als eerste aankom, Contact 2011). Zoals steeds kunnen de gedichten van Wijnberg dubbelzinnig gelezen worden, niet ‘zoals alle poëzie’, daarvoor zijn de gedichten te vreemd, te losbandig, te alogisch, te confronterend. Dit gedicht kunnen we maatschappijkritisch lezen of filosofisch – of beide kunnen. Het handelt immers over ervaring en verbeelding, over afgunst en zelfverklaring, over stappen in de traditie en de eigen ervaring. Jan Kuijper schrijft zijn sonnet vanuit het standpunt van de stier: de stierenvechters hebben hier een echt beroep. In de reeks van Kuijper wordt ook dit een gedicht van verlatenheid, besluiteloosheid, ‘doelloze dadendrang’, en een confrontatie met de ander.

‘Met een knalrood ongepast strak truitje aan’ is een regel uit het gedicht ‘lieve lente lacht’ uit de bundel gestamelde werken (Querido, 2012) van Rozalie Hirs en de dichter zelf noemt dit een ‘ironisch liefdesgedicht over verleiding en one-night-stands’. De ironie is bij Jan Kuijper verdwenen, de ernst nauwelijks leefbaar. Het gedicht eindigt met de geconstateerde vernietiging van de ander: ‘je bent niet meer; ook al praat je alles recht / ben jij mij voor – je hebt jezelf vermoord.’.

Wie wortel zegt en daarbij ook nog marsepein, die denkt aan Delphine Lecompte. De regel die het gedicht in gang zette, is te vinden in de bundel Blinde gedichten (De Bezige Bij Petit Anvers 2012), m.n. het gedicht ‘Vader drinkt omdat hij God is’. Het albumblad voor Delphine Lecompte begint met ‘Wekelijkse wortel van marsepein’ en ook Jan Kuijper gebruikt in het gedicht het mes. Lecompte: ‘Mijn vader snijdt de taart / Zoals mijn moeder haar wekelijkse wortel van marsepein / Zoals een zuinige bibliothecaresse haar dagelijkse courgette van courgette’ (de laatste woorden zijn een uiting van de typische ‘flauwe’ humor van het Lecomptemeisje). Bij Jan Kuijper is er een verwijzing (‘in het wonderland / van luxe en kalmte. En aan de andere kant / houd ik de hinderlijke wellust klein.’) naar Baudelaire’s  en Matisse’s ‘Luxe, calme et volupté’. Kuijper leent het idioom van Lecompte, speelt haar meisjesspel en maakt er toch weer iets anders van. Er is een andere, lichtere toon maar even goed als bij Delphine Lecompte is er de tragiek. Het einde van een relatie, het terugzicht, het zuchten.

Advertisements