jan kuijper groet zijn schrijvers (2)

door johan_velter

Het ‘Albumblad voor Bart Meuleman’ (Aanmatigingen, 2016) begint met een beschrijving van hoe Bart Meuleman is/staat/gaat: ‘Voorovergebogen, schrobbend het zwart, / maak ik wat eerst nog schoon was óók nog vuil.’ Jan Kuijper typeert de andere dichter zeer treffend en plastisch. In het universum van Bart Meuleman overheerst het zwart, maar dan niet alleen het gewone zwart maar het helse zwart, dat van het pek, de hel en de verdoemenis. Wat erg is, is bij Meuleman nog altijd erger. Hij is als Atlas die de hele wereld van het leed dragen moet. Maar hij is ook vader.

In het gedicht van Jan Kuijper komt de persoonlijke geschiedenis van  Bart Meuleman, die toch vooral een autobiografische schrijver is, samen: zijn roman (verhalenbundel) De jongste zoon en zijn poëzie, getuigenissen van een zorgelijk leven. Ook al typeert Jan Kuijper Bart Meuleman treffend, het is toch ook een regel uit een gedicht van de laatste. Diens bundel kleine criminaliteit verscheen in 1997 bij uitgeverij amerika in een vormgeving van Paul Verrept. Ik vermeld dit omdat de boeken van amerika altijd een bijzonder vormwaarde hadden: ze oogden klein en bescheiden maar de typografie was zeer verzorgd, uitgebalanceerd, verfijnd en smaakvol – als ik dit vergelijk met wat vandaag de dag in Vlaanderen als vormgeving doorgaat: vulgaire wansmaak van de lage middelmaat. In de bundel omdat ik ziek werd (Querido, 2008) nam Meuleman een gedicht ‘voor paul verrept’ op: een gedicht dat bol staat van vriendschap en genegenheid maar onderdrukt wordt en in dit gedicht krijgt dit geen negatieve bijtoon maar bijna voel je de sentimentele uitbarsting.

Het is naar dat sentiment dat Jan Kuijper verwijst in zijn regels: ‘Misschien dat ik als ik erover huil / een mooi patroon laat zien, […]’. Het ‘misschien’ is duidelijk, de mogelijkheden beperkt en eigenlijk niet bestaande – een bijna identiek aanvoelen van Maurice Gilliams. De door Jan Kuijper gerecycleerde versregel is te vinden op p. 62, het voorlaatste gedicht van de bundel, de tiende in de reeks ‘kleine criminaliteit’: ‘voorovergebogen, schrobbend het zwart / van mijn handen en billen.’, een tragikomisch gedicht. Bart heeft een nieuwe broek, een loflied op de broek, maar de broek geeft haar kleur af en daar staat de dichter in de keuken zich af te schrobben.

Het gedicht De tombe van Erik Menkveld is uit de aard der zaak een treurig gedicht. Jan Kuijper is niet de enige dichter die treurt om het verlies van Menkveld, ook Anneke Brassinga heeft enkele gedichten ter zijner herinnering geschreven. Hier haalt Jan Kuijper de zin  ‘Een plek die altijd uithoek is gebleven’ uit de bundel Schapen nu! (2001), m.n. het vierde gedicht van de reeks ‘Vijf aankomsten’. De aankomt van Jan Kuijper is het einde, de tombe, die nu in een uithoek staat. Het gedicht treurt in de plaats van de vrouw, hoe te leven als de levensbron verdord is – Jan Kuijper gebruikt het beeld van de verdreven spin.

Tomas Lieske is een niet zo bekende schrijver, maar toch, wat een schrijver. Romans of gedichten van hem lezen, brengt je op het niveau van de Europese gedachte, niet de politiek-economische, maar de werkelijke, die van de cultuur, de kennisverbondenheid. Zijn nieuwste bundel Daedalea is zopas uitgekomen en staat in de vernieuwde traditie van het lange, vertellende gedicht – een enkel fragment heeft al de kracht van een mensenadem. ‘Tussen de massa in een vreemde stad’ is de eerste regel van het ‘Albumblad voor Tomas Lieske’ en deze regel is te vinden in het gedicht ‘Zoutkaravan’ (Stripping & andere sterke verhalen, Querido, 2002). Het gedicht zet twee uitersten tegenover elkaar: een zoutkaravaan die verdwenen is en een meisje van veertien dat weg is. De eerste strofe verhaalt het eerste, de tweede is het schrijnend oproepen van een verlies, (van wat nooit geboren werd ook), en Lieske doet dit omcirkelend: beschrijven van wat verloren gegaan is om zo het verlies van het kind des te erger te doen aanvoelen. Het directe is het oppervlakkige. Van die beschrijving zijn dit de laatste regels: ‘een plots gezicht tussen de massa in een vreemde stad: / al die wonden, het fluitend ademen in een telefoon, / haar sterrenschip dat tegen de muren hangt.’ Jan Kuijper heeft een andere ‘ik’ op het oog dan het 14-jarig meisje. Maar ook bij hem is er vreemdheid en verlatenheid, een verlies van zijn en weten. Wat hij beschrijft is het bestaan van een engel.

Het albumblad voor Eva Gerlach begint met ‘Een glans als van duizend nieuwe fornuizen’, een versregel uit het elfde gedicht van de reeks ‘Situaties’ uit de gelijknamige bundel (2006). Een lang verhalend gedicht over een hij met de naam I. , het blijft onzeker of het de man is die verward is of dat het toch de vrouw is. Er is veel medevoelen in deze poëzie maar die blijft toch dikwijls te veel aan de oppervlakte hangen, plichtmatig goed zijn is voor een dichter niet de rechte weg. De door Jan Kuijper geciteerde regel (maar is hier geen citaat meer) wordt door Gerlach gebruikt om het nieuwe ingebeelde leven van I. weer te geven – maar op het einde van het gedicht heeft dit toch al van zijn glans verloren. De glans wordt bij Jan Kuijper een gewilde verblinding, een weigerachtigheid tegenover wat komen zal (enkel onheil). Er is een machteloosheid en een verlamming – verdriet dat niet langer beheersbaar is. Merkwaardig is hoe Kuijper een evenwicht vindt tussen de wereld van Gerlach en die van hemzelf; hoe hij als het ware haar gedicht op een ander niveau brengt, toevoegt, verdiept – zonder verraad, met behoud van zichzelf en de ander.

Het ‘Albumblad voor Astrid Lampe’ is voor haar doen een begrijpelijk gedicht. De versregel ‘Van die woordjes die weer woordjes wegmaken’ komt uit de bundel Spuit je ralkleur (Querido, 2005, het gedicht ‘van die woordjes!’ (p. 37): ondanks alles wordt er gesproken, wordt gepoogd de taal in staat te achten in de wereld te overleven en de ene woorden verdringen de andere: ik, ik, ik. Maar Jan Kuijper zegt dat hij er niet genoeg heeft. Bij hem is er geen voortdurende beweging maar wel stilstand, hier gaat hij de tegenovergestelde weg op van het leengedicht. De ‘geknikte spaken / van fietswrakken […]’ roept het beeld op van de vroege Cobra-schilderijen van Constant: het rad dat gebroken is. De voorlaatste regel van dit gedicht ‘Nog steeds die stem.’ is een rechtstreekse verwijzing naar het gedicht van Astrid Lampe. Mooi is dat Astrid Lampe zelf ook verwijst naar een andere schrijver, J.A. dèr Mouw en zijn gedicht ‘Brahman’ waar de woorden ‘Na donk’re worsteling in holle rots / ‘T bedwongen wijfje – vroegste mannentrots’ aan ontleend zijn. Lezen leest.

Advertenties