jan kuijper groet zijn schrijvers (1)

door johan_velter

aanmatigingen_jan kuijper_1

Het eerste deel bestaat uit twee gedichten, een albumblad voor Leonard Nolens en 1 voor de prozaschrijver  A.F.Th. van der Heijden. Het tweede deel bevat 23 albumbladen voor hedendaagse, levende dichters en 1 tombe voor de overleden schrijver Erik Menkveld. H.H. ter Balkt krijgt een albumblad ook al is hij een gestorven lid van de republiek der letteren, gestorven op 9 maart 2015, Menkveld op 30 maart 2014. De bundel Aanmatigingen van Jan Kuijper (Querido 2016) is in de zomer van 2016 verschenen.

Hij is een merkwaardig dichter, redacteur van andere dichters voor het Querido-fonds heeft hij tot in het detail leren (?) lezen. Elk woord telt, elke letter heeft een betekenis, een regelval is significatief, een leesteken verduidelijkt of versluiert. In het tijdschrift De revisor heeft hij een aantal interviews met dichters gepubliceerd: telkens ging het over de werkwijze, het ambacht. Is Jan Kuijper een dichter, hij is in de eerste plaats een lezer.

De vorige bundel, Ondoden (2013), bestond uit 3 gedeelten. Het midden bevatte de tombe van Jean Paul, het eerste deel bevatte tomben van schrijvers, dichters, filosofen die vóór hem geleefd hebben, het derde deel logischerwijze over schrijvers na Jean Paul.  Het veld was internationaal: Pascal, Spinoza, Vauvenargues, Laurence Sterne, Georg Büchner, Virginia Woolf,  maar ook Nederlanders als Vincent (van Gogh), Couperus, Herzberg, Brakman en 1 Vlaming, Herman Teirlinck. Zoals ook in de recente bundel, vertrekt Jan Kuiper van een regel uit het werk van de betreffende schrijver. ‘De tombe van Herman Teirlinck’ begint zo: ‘Ge staart uw aanschijn is de spiegel aan / en ziet geen jonge god, en zelfs geen oude.’ – waarbij ik me steeds afvroeg of ‘is’ een drukfout is of niet. En inderdaad, de ge-vorm is de steeds terugkerende retoriek van Teirlinck in zijn Zelfportret, of Het galgemaal (1955), een roman van het hoogste niveau. Het relaas van Teirlinck begint met een cursief gedrukt motto:

Liever geschuwd om mijn waarheid,
dan gezocht om mijn schijn.

‘Gezocht’ mag ook begrepen worden als geliefd, maar dan een schijn. De ge-vorm is in deze roman kenmerkend. ‘Ge ligt daar uitgestrekt, Henri, […]’, ‘Ge houdt’, ‘Ge zijt’, ‘Ge weigert’, ‘Ge kunt’, enzovoort. Een monoloog die bijt en zalft, tenslotte aanvaardt – maar nooit helemaal. De spiegel is 1 van de terugkerende motieven in dit werk: het personage kijkt en ziet, het is dit zien dat anderen angstig maakt. Op pagina 12 van de eerste uitgave (Manteau, 1955) en op pagina 9 van de zesde druk (1972) staat wel degelijk ‘Ge staart uw aanschijn in de spiegel aan.’ (Het is dus misschien een drukfout.) Zo werkt de dichter Jan Kuijper: hij leest, hij wordt getroffen door een zin, die een bouwsteen van zijn eigen gedicht wordt. Zo werkt kunst: de traditie als voedingsbodem.

Jan Kuijper is een merkwaardig dichter ook omdat hij de sonnet-vorm gekozen heeft als zijn eigen vorm: ook dit is traditie. Het keurslijf wordt een mogelijkheid, een vorm waarin geleefd kan worden. Kuijper schreef sonnetten, ook in de periode dat niet alleen het sonnet maar elke vorm dood verklaard werd. Doordat het sonnet steeds dezelfde regels volgt, is ook de vormgeving van de bundel klassiek rustgevend. De valsheid van de vorm weliswaar, de geruststelling en het geloof toch eveneens.

De nieuwste bundel Aanmatigingen bevat enkel gedichten over Nederlandstalige dichters/schrijvers – zo kan men de eerste sectie misschien begrijpen. Nolens is dan de patriarch van de Vlamingen, Van der Heijden de patroon van de Nederlanders. Is dit de Olympus? Betwijfelbaar. Toch is de uitleg die de dichter zelf me schreef prozaïscher: de eerste twee albumbladen stonden los van de andere en werden daarom in een aparte reeks opgenomen. Zoals het iets zegt over welke dichters Jan Kuijper schrijft, zo zegt het ook iets over de dichters die niet ‘beschreven worden’, een Hugo Claus bijvoorbeeld, of een Maurice Gilliams. Een programmaverklaring?

Laten we eens kijken welke gedichten Jan Kuijper ‘beroerden’ we betrachten geen volledigheid. We hebben niet alles gelezen, we hebben ook geen zin om alles na te gaan en niet alles is consulteerbaar.

Het ‘Albumblad voor H.H. ter Balkt’ begint met ‘De lang vergeten verte tegemoet – ’, dit zijn de laatste woorden van de Laaglandse hymne, ‘In de vergulde windvlaag’ (Hee hoor mij Ho simultaan op de brandtorens : verzamelde gedichten, De Bezige Bij, 2014, p. 1498) (In De revisor, 1992, nr. 5, eindigden deze woorden met een uitroepteken.) Het gedicht beschrijft een verblijf in herberg ‘In de vergulde windvlaag’, het is een barre tijd, het is geen goed verblijf maar het ik-personage was daar verzeild geraakt ‘wegens verdooldheid’ en dacht daar de rest van zijn leven te zullen slijten. Maar de zuidenwind kwam, er verschenen 5 dassen en hij vertrok ‘de lang vergeten verte tegemoet’. De eindwoorden van Ter Balkt zijn voor Jan Kuijper de beginwoorden van zijn sonnet en hij zet de reis in: zal hij in de woestijn versmachten of zal hij zichzelf vinden en maken? De volta na het octaaf verandert van standpunt: ‘Ik heb geen keus meer, ik ben weggejaagd – ’, nu wordt niet meer gevraagd wat komen kan, maar wordt beschreven wat is, alhoewel onduidelijk is of de ik door zichzelf of door anderen weggejaagd is en hij vraagt zich af of hij na de queeste zichzelf zal aanvaarden. Is dit een ‘ter Balkt’- of een ‘Kuijper’-gedicht?.

aanmatigingen_jan kuijper_2

Het ‘Albumblad voor Paul Claes’ begint met een versregel uit het gedicht ‘Symbool’ uit de bundel De waaier van het hart, behorende tot de reeks ‘Decaloog’ (ook Paul Claes heeft ‘gedenkpoëzie’ geschreven, ook bij hem kom je gedichten tegen met titels als ‘Tombe’ of ‘Urne’ en vergeten we niet zijn Animula.) Het gedicht van Paul Claes plaatst zich in een ‘kosmisch’ geheel, het gaat over de zoektocht van de mens, wat is zijn leven waard als er niet gedacht wordt en het denken van Claes situeert zich, net zoals bij Borges, in een universeel verhaal, van de uitersten, de tegenstellingen, de tweestrijd en wat uiteindelijk het enige is: de rust. Op het einde van de tweede strofe staat de regel ‘door de meanders van ons labyrint’: de mens als knooppunt, de mens die zichzelf een dwaalweg (beter: een zoekweg) is, die mens als een alchemistisch vat waar alles samenkomt, borrelt en zich een nieuwe substantie maakt. Jan Kuijper maakt zich niet alleen deze regel eigen maar ook het universum van Paul Claes: hij gaat als het ware op in diens wereld of maakt gebruik van diens werktuigen of herkent in dat streven zichzelf.

Hij constateert eerst dat ons leven niet ‘zoetvloeiend’ kan zijn, juist door die ‘meanders van het labyrint’.  Het zoetvloeiende is het rustige, natuurlijke verloop van het water, zonder tegenkantingen en tegenstroom. Jan Kuijper beschrijft dat stugge, het knarsende: de buitenbocht, het grind maar de volgende materiesoort verlaat al de ‘natuurlijke beschrijving’ door te spreken van ‘het zware lood’, een metaal dat in de alchemie gebruikt wordt. In dit gedicht vindt het lood zichzelf terug in de zinkviooltjes. Jan Kuijper beschrijft dus een transformatieproces en het resultaat daarvan is een plaatselijke, kleine en verrassende bloem: het zinkviooltje (dat slechts voorkomt langs de Belgische rivier de Geul). Het lelijke metaal brengt schoonheid voort. Dit is wat kunst doet: uit de grauwheid de kleuren toveren. Maar er is naast de kant van het ontstaan, ook de zijde van het leven. En dat viooltje is een getuige van wat de mens de aarde eeuwenlang heeft aangedaan (en hier horen we ook de woede van H.H. ter Balkt weerklinken – herinner u zijn tirade tegen de mishandelaars van de notelaar) (in werkelijkheid was de zinkbloem er al vooraleer er mijnen waren: de grond was rijk aan zink, het viooltje heeft zich aan die grondsamenstelling aangepast). Het viooltje is, hoe klein en lieflijk het ook is, evenzeer de getuigenis van de weerstand tegen ‘ons door winstbejag verblind // gewroet in de natuur, eeuwen geleden.’ Jan Kuijper ontwikkelt het alchemistisch beeld verder:

De mijnen hebben wij allang verlaten,
maar hun kwikfoelie houden wij in ere –
de kronkelpaden worden platgetreden
door dolenden die zich voldoende haten
om onze lachspiegels te honoreren.

De mijnen kunnen hier in hun naturalistische betekenis begrepen worden maar ook als het symbool van het alchemistisch werk én/of als de gangen waar de mensen als mollen dolen. In de tweede regel leest men kamperfoelie alhoewel er kwikfoelie staat (toch is de zoete geur gebleven en horen we een echo van de tweede regel): alweer : kwik is een metaal dat in de alchemie veelvuldig gebruikt werd. Foelie is het dunne metaal dat aan de achterzijde van spiegels gekleefd wordt – die spiegels komen in de laatste regel terug. En is ‘de spiegel van mijn ziel’ niet de essentie van het dichtersbestaan van Paul Claes?  ‘De kronkelpaden’ worden hier positief gewaardeerd: deze meanders, deze natuurlijke wegen van de zoekende mensen, worden echter kapot gestampt.  De barbaren, de cultuurlozen zien niet de waarde van het kronkelende maar … ze dienen om in lachspiegels weerkaatst te worden. Laten we lachen, ja, laten we hen uitlachen.

Met dit gedicht eert Jan Kuijper een dubbele Paul Claes: de hermetische die zich in de traditie van geleerde dichters plaatst en de kunst als een transformatieproces ziet (het oude nieuw te maken) en de politieke dichter die de dwaasheden en de grollen van de huidige tijd hekelt – zie zijn bundel De omgekeerde wereld (P, 2015). Is dit een Paul Claes- of een Jan Kuijper-gedicht?

Advertenties