de poëzie van roland jooris : een in zichzelf woelende steen (3)

door johan_velter

roland jooris_bladgrond

Bladgrond, Roland Jooris (Querido, 2016), deel 3.

‘Gedenkstenen’, ‘Installatie’ (V, 1). De titel is een kunstterm. Roland Jooris beschrijft het geweld en hij ziet dit niet noodzakelijkerwijs op een negatieve manier, toch is er ook hier weer sprake van ‘hier’ en ‘daar’. De laatste regels zijn ‘Je zit in jezelf / te schuilen’: het beeld van een schildpad, een egel, een schelp. Net als de cello in IV, 1 een geslotenheid. Het ‘in jezelf’  is een echo van het begrip installatie: allebei situaties die in zichzelf bestaan, die afgelijnd zijn en nauwelijks relatie met een Umwelt hebben. Er is een ambivalentie aanwezig: ‘Vormen wringen / hun geheel uiteen / hun stukgeschoten / metaforen’. Er is ontbolstering en ontwrichting. De wereld van Roger Raveel is een te lieflijke, die van Jooris is veel realistischer. Er is altijd een gewrongenheid, een weerbarstigheid, een wachten op onheil. In dit gedicht, in deze installatie is veel lawaai, veel beweging en nodeloos geweld. Dus toch een negatief gedicht?

‘Wonde’ (V, 2). Ook dit gedicht lijkt over het sterven te gaan: een gekwetsheid van en door het leven. Een zich terugtrekken uit de wereld (‘[…], de blik / op oneindig /      naar binnen’), in het stervende lichaam ‘verbijten we het bloeden’ (net als het versterven in III, 6 een woord dat herkenbaar is maar niet begrijpbaar) en het wordt in en van onszelf.

Waakvlam (V, 3). Er is sprake van waken en door de vorige gedichten begrijpen we dit in eerste instantie als het bijstaan van de stervende. Maar het moet hier begrepen worden als ‘waakzaam zijn’, een houding van alerte opmerkzaamheid die het schrijven mogelijk maakt

 

(denken zonder schrijven is geen denken – het is daarom dat dictators altijd en overal het schrijven beletten)

 

omdat het een wachten is op een vlam die kan opflakkeren waardoor de dichter de kalmte tussen de regels kan doen verdwijnen. Daar is die kalmte aanwezig, ook al is ze toegedekt en daarom is er steeds sprake van een onderhuidse siddering, het ‘andere’ dat beweegt, het onzichtbare dat leeft, het vermoeden dat beweegt. Dit is 1 van die duidelijke ‘schrijfgedichten’ – en de onoplettende lezer vraagt zich af waarom een lezer met het schrijfproces moet opgezadeld worden. Het antwoord is tegelijk eenvoudig en complex: omdat het leven schrijven is, niet alleen als metafoor (het boek van het leven) maar ook als een uiting van een geciviliseerde houding, als een uiting van boekcultuur en dus van levenswijsheid.

 

Wie het schrijven belet, vernietigt het boek. Vernietigt in het boek de mensheid. Deze Joodse gedachte

 

‘Nadien’ (V, 4). Er is sprake van ‘enkel een kuil / als monument’, en wij denken aan het graf en ook hier ontwikkelt Roland Jooris het levensmoment tot een eeuwig denken. Er zijn stamelende zinnen (maar in hoeverre zijn dit zinnen?) die bestaan uit woorden die hakkelend verspringen naar verschillende betekenissen en omgevingen. Er is het gevoel van verlatenheid, vergeefsheid, het nu ongewapend in de toekomst moeten leven.

‘Puin’ (V, 5) is het resultaat van oorlogsgeweld. De eerste regels : ‘Een slagveld van / blikken’, maar het geweld komt hier in een bakoeniniaanse dialectiek te staan: ‘vernietigend / tot scheppen dwingt’. Het geweld staat hier eerder voor de dissonant dan voor de totale vernietiging: het verstoort de eenheid, de harmonie, het evenwicht, de genoegzaamheid. Het is het storend element, het marginale dat de creativiteit voedt;

 

Vanuit het maquis

De loopgraaf als de humane plek

 

‘Basaal’ (VI) bestaat uit 6 titelloze gedichten. Het woord herinnert aan het tweede deel van de bundeltitel Bladgrond, behorend tot de basis. Het eerste gedicht spreekt van het moment na het onweer (een onweer dat ook al in V, 1 voorkwam) en dit gedicht is door het verrassende beeld nu al een klassieker. Het brengt veel joorisiaanse elementen samen: de natuur (onweer), de dieren (gefladder), de beeldende kunst (geometrie), de tegenstellingen (blindelings-helderheid), de ontgrenzing van beelden (geometrie-gefladder) en zeker ook het moment zelf: de nagebeurtenis. ‘Na het onweer // een blindelings gevonden / helderheid // in de vlucht omschreven // een geometrie / die zich in los gefladder / openbaart’. Het tweede gedicht uit deze reeks gaat verder met het beeld van het onweer : ‘De lucht in de aarde / De grond in het vuur’, tegelijkertijd hebben we hier ook (bijna) de 4 elementen (als we lucht en water met elkaar verbinden): de natuur bestaat echter niet uit aparte elementen maar de tegenstellingen nemen elkaar op (weer het beeld van gebaldheid, een in zichzelf terugtrekken). Dit gedicht is ook bijzonder (zie afbeelding) omdat het ons doet beseffen dat de dichter geen leespunten gebruikt. In de derde regel zet hij twee elementen naast elkaar en tweemaal laat hij het woord het met een hoofdletter beginnen. De punt is het definitieve, het afsluiten, het zekere, het gedode. Roland Jooris laat de dingen open, hij spreekt, je hoort de adem, je verwacht een woord maar je hoort de vogel fluiten. Er is altijd een restfunctie, een afwachten, een meer. Het is in dat zuchten,

 

in die leegte

 

dat het menselijke zich bevindt, daar rust de kunst. Nog een ander kenmerk is hier duidelijk: dat van de omschrijving, het opsommen, niet de juiste benaming (alhoewel Jooris geen verkeerde woorden gebruikt) is hier van tel, wel het omcirkelen. Denk aan de vogel die rond zijn toekomstige prooi cirkelt, of hoe een vogel bidt. Jooris gebruikt trefzekere woorden en beelden om juist niet trefzeker te zijn want dat is hem te bepalend – liever het open veld. De taal is zijn werktuig, zijn gereedschap is in orde gebracht, is scherp en kloek – het resultaat echter is van veel minder belang. Het merkwaardige is dat er in zijn gedichten nog een stap verder gezet wordt: niet het resultaat maar het moment na het resultaat (het gebeuren) is het belangrijkste – het moment van stilte, bezinning,

 

het nadenken tegen de wereld in

 

Het derde gedicht is dan weer een voorbeeld van openheid en zekere gelatenheid. Er is geen sentimentele droefheid in deze poëzie, wel een tristesse, een melancholie maar doordrenkt van sterkte en zekerheid. Dit kan: zeker zijn in onzekerheid. Vastheid in openheid. En steeds weer het lidwoord ‘het’ dat een toestand aanduidt, geen activiteit. Het wachten als metafoor van het echte leven.

Nummer 4 komt weer terug naar het schrijven, en is een mooi voorbeeld van hoe de titel ‘geïllustreerd’ wordt en hoe een realistisch beeld naar een abstract niveau getrokken wordt, de 2de strofe: ‘Steeds haakser legt verlangen / harkend de grond bloot / in zijn taal’. De derde strofe geeft een beeldend element weer: ‘als in een raam’, ook Maurice Gilliams, ‘De man voor het venster’.

In nummer 5 is de dichter als zichzelf aan het woord ‘Is het een innerlijk lawaai / dat mij noopt, […]’ vraagt hij zich af een monoloog te houden. Wat een mens drijft, wat hem mens maakt

 

zich uit te spreken

 

Het laatste gedicht uit deze reeks eindigt met de woorden ‘het niets’ – kan de volheid mooier verwoord worden? Het gedicht begint met ‘Waar geritsel / het schuilen weer oproept’ en ook dit is een joorisiaanse wending: twee zaken die ver uit elkaar liggen, geritsel-schuilen, worden toch door associatie bij elkaar gebracht en tonen daardoor een eenheid die er al altijd was – maar we hebben een dichter nodig om ons dit te doen zien en beseffen. Het is de aandacht die stilstaat bij de fenomenen, de dingen, een kijken en luisteren die samengaan met denken waardoor niets nog oppervlakkig is maar doordacht en beleefd wordt.

 

Dit is leven:
Dat staat tegenover: dit is het leven

 

De laatste reeks heet ‘Dwars’ (VII) en doet ons denken aan dwarskijker, dwarsligger en gewoon ‘dwars zijn’, dit wil zeggen geen burgermannetje zijn, geen grijze muis, geen meeloper. En het eerste gedicht breidt dit woord uit tot ‘Polyfoon’ (VII, 1), het meerstemmige, weg van de dictatuur van de domheid die zich koning waant. Al die stemmen die Jooris hoort zijn onaf, zijn wankel of beschadigd, gekwetst, onvolkomen en het zijn die stemmen die de rijkelijke veelheid uitmaken. Een pleidooi voor de hakkelende mens.

Ook ‘Litanie’ (VII, 2) is een opsomming van het anti-kapitalistisch-consumptieve dwaasleven (Jooris is geen politiek dichter, maar uit zijn poëzie kunnen we zijn verachting voor die vetzakken afleiden): nee, niet het succes, niet de winst, niet de macht maken het leven uit: zij zijn het verwaarloosbaar afval. Wie zijn de levenden? Zij die leven in die andere wereld: ‘Zij die niet antwoorden’,

 

de nee-zeggers
Misschien komt dit gedicht wel het dichtst bij het Samuel Beckett- en Bram van velde-universum.

‘Endogeen’ (VII, 3) is eerder verschenen (Om Gent gedicht, Lannoo 2010) en had daar de titel ‘Gents’, in deze bundel staat in kleiner font en tussen haakjes (het Gents indachtig). (Ook is ‘koloriet’ vervangen door ‘coloriet’ – Nederlanders.) Het gaat inderdaad om de moedertaal van Jooris en merkwaardig genoeg is dit geen ‘schraal’ gedicht maar uitleggend, voor zijn doen zelfs breed. De taal is de humus waarmee de schrijver werkt. ‘Endogeen’ is een taalkundige term en betekent ‘behorend tot de moedertaal’ maar het is ook een geografische term en betekent dan ‘uit het binnenste voortkomend’ – deze tweede betekenis is mooier. In dit gedicht exploreert Jooris op een welhaast wellustige manier zijn verwantschap met Richard Minne – soms kun je beide heren (’s nachts) gebogen zien staan op de brug aan de Kongostraat waar ze monkelen en zuchten, elkaar in eenwoordige zinnen aansprekend en in zwijgen beamend.

 

(deze zin is gecensureerd)

 

‘Raam’ (VII, 4) is een driehoekig gedicht en een bevrijdend gedicht: men kan vragen zonder te verwachten antwoorden te krijgen ; ze zij er, ze bewolken het zicht, maar ach,

 

laat ze maar waaien, laat ze maar hun vlaggen zwaaien

 

‘Tijdens’ (VII, 5) is het afsluitend gedicht en het vat de thematiek van Jooris samen: het koesteren van het tegendraadse, het schurende. Het warrige dat dingen doet ontstaan. Het denken dat aan belang inboet en vervangen wordt door een monnik-zijn. De deur tussen leven en dood. De handeling, eerder dan het handelen. Niet het resultaat, niet het begin, niet het waarom – de tussentijd.

Advertisements