de poëzie van roland jooris : een in zichzelf woelende steen (2)

door johan_velter

Bladgrond, Roland Jooris (Querido, 2016).

In de bibliografische notitie achteraan de bundel staat dat een aantal gedichten eerder verschenen is in Sculpturen, een bloemlezing uitgegeven door het Poëziecentrum in 2014. Een overigens onbegrijpelijk slecht vormgegeven boek – onwaardig als we weten dat het Poëziecentrum eerder de bundels Uithoek en Kromte (resp. 1991 en 2012) wel op een eerbiedwaardige manier uitgegeven had. Maar de notitie is niet helemaal correct: een aantal gedichten werd eerder in een bibliofiele of semi-bibliofiele editie uitgegeven.

Dat is ook het geval voor het gedicht ‘Ingeving’ (II, 5) dat eerder verscheen in de bundel Contrapunt, gedichten van Roland Jooris, schilderijen en reliëfs van Guy Leclercq, een uitgave van Galerie Tom Gerits in Oostende (2013). Het gedicht heeft in de reguliere bundel, Bladgrond, zijn relatie met het werk van Leclercq achtergelaten – maar het is de vraag of dat wel zo is en hoe het dan bestond en nu bestaat.

Het zou een boeiend gegeven zijn de ontstaansgeschiedenis van Jooris’ gedichten na te gaan en te onderzoeken in hoeverre die relatie met de beeldende kunsten er wel is (en/of nodig is) – zelfs als de naam van de kunstenaar vermeld wordt – en of de gedichten niet altijd en overal Jooris-gedichten zijn en blijven en of de beeldende kunst slechts een aanleiding is om over het denken van Jooris zelf te schrijven, dat er dus steeds een terugkerende beweging is: de dichter kijkt naar het werk om zichzelf te beschrijven. Al heeft Jooris veel geschreven over en naar aanleiding van beeldend werk, we mogen hem niet reduceren tot een compagnon de route: zijn gedichten staan op zichzelf en hebben het beeldende niet noodzakelijk nodig.

Wat hierbij interessant zou kunnen blijken te zijn, is dat we ook hier een verschuiving tussen concreet en abstract vermoeden. De concrete aanleiding, het specifieke werk, de schilder maar dan in en door de woorden omgezet, door het gedicht geabstraheerd naar een meer algemeen menselijk niveau (ook al beschrijft de dichter zijn eigen levenshouding en -praktijk). Meer nog dan een verwantschap met het beeldende, is er een nabijheid van het handmatige, het ambachtelijke – en om het dan wat cru te zeggen, Jooris had ook over klompenmakers kunnen dichten. Maar ik meen dit eigenlijk wel.

Dat beeldende wordt door Roland Jooris ook zelf altijd beklemtoond: hij schrijft gedichten als sculpturen – vandaar de titel van het laatste verzamelwerk – waar de woorden bouwstenen zijn en waar de vorm het werk zelf is. Om dit te kunnen moet men een dichter van het abstracte zijn. Jooris staat dan ook dichter bij Dan Van Severen, Amedée Cortier of de late Raoul De Keyser dan bij Roger Raveel – en hij is niet de enige die betreurt dat Raveel de gemakzuchtige toer is opgegaan – was hij maar in zijn coloristische periode van de Hooi-oppers gebleven of in zijn abstract-lyrische periode. En als we de woorden van Jooris ernstig nemen dan moet ook van deze bundel gezegd worden dat de typografie verkeerd is. De gedichten beginnen steeds aan de linkerrand, net alsof het prozafragmenten zijn. Als ze midden (maar niet gecentreerd!) de pagina geplaatst zouden zijn, dan zouden ze meer woordsculptuur zijn.

En het is ook onjuist om de gedichten van Jooris altijd met een verticaliteit te verbinden. Het gedicht bij het werk van Roger Raveel, opgenomen in de plaquette De 7 (Octave de Achtste, 2007) is een breed, meanderend, volumineus gedicht.

 

Het gedicht ‘Ingeving’ keert in bijna ongewijzigde vorm hier terug – alleen zijn er typografische verschuivingen. De drie strofen beginnen op een eendere wijze: namens – wegens – blijkens. Er is een relatie tussen twee zaken – maar wat precies? De gedichten hebben geen voortgang, beschrijven een situatie na een gebeuren. Er is iets gebeurd, gevonden, geopenbaard maar ook een verwarring. Er is in deze gedichten realiteit aanwezig maar niet in die mate dat ze ons zekerheid geven: de dingen zijn eerder een uiting van onze vervreemding.

Tak (II, 6) doet onwillekeurig denken aan het gekende ‘Minimal’. Ook hier beschrijft Jooris de na-gebeurtenis (Het nog even bewogen / buigzaam uiterste // het bijna losgeraakte / hulpeloze // het beven dat zich tekent): we kunnen dit begrijpen als het moment dat een vogel weggevlogen is en de tak nog even beweegt: het is dat onooglijke dat in de poëzie van Roland Jooris een plek gevonden heeft, een gebeurtenis worden kan. Hij heeft de gave van het plastisch oog – waar anderen de vlucht van de vogel zullen volgen, blijft zijn oog bij de tak  en ziet daar het belangrijke gebeuren: een siddering, nauwelijks merkbaar, maar vol leven. Belangrijk is dat hij de beweging tot een zelfstandig naamwoord terugbrengt (‘het’) en dat de beweging in zichzelf blijft, zichzelf genoeg is. Opperste wijsheid, diepste geluk. (En we denken ook aan Wallace Stevens, hoe nabij beide dichters elkaar zijn in een bijna Oosterse kijkwijze.)

 

Tweevoud, Op het meer (III, 1). Zoals de sectietitel aangeeft, hebben we te maken met twee personen – het werk van Jooris is abstraherend maar vertrekt toch ook van een persoonlijke impuls, leven en dood, nabijheid van naasten, de achterbaksheid van anderen. En al in de eerste strofe is de wereld ver weg gesteld: ‘[…], vindt wat we niet / weten ergens oeverloos / plaats’. Terwijl de ‘wij’ roeien, en zich dus van het land verwijderen, gebeurt er iets wat we niet weten. Het ‘oeverloos’ verwijst naar oeverloos gepraat, maar ook naar bodemloos: de richting verloren. Het is een gedicht vol momenten, niet vol gebeurtenissen (‘ligt een plons achter ons’), die naar het andere verwijzen. Is Jooris de dichter van het concrete, het aardse,, dat alles brengt hij toch in een kosmologisch verband – niet vanuit een esoterisch of metafysisch denken (voor zover we daar over denken kunnen spreken) maar vanuit een civilisatie, vanuit een gecultiveerd bewustzijn. Weer kan dit vertaald worden in de overgang van het concrete naar het abstracte: ik zie, de mens beseft.

Duet 1 en 2 (III, 2-3). Laten we dit als een relatie zien, een samenklank, een kantelen ‘in evenwicht / oneven’, samen een boek, een balanceren. Het tweede gedicht is een gebaldheid van een samenzijn dat door de tijd heen evolueert, naar een ijlheid die het aardse overweldigt. ‘Hun in elkaar / geborgen / afzonderlijk geheel // hun amechtig gezongen / afzijdig zichzelf zijn // hun opgaan / als in een berglucht / hun hijgen steeds / ijler’. De regel ‘afzijdig zichzelf zijn’ is het levensmotto van een eenling: aan de kant staan, zich niet laten besmetten, en toch niet alleen zijn (want afzijdig), naast de mensen bestaan. Het grote bij Jooris is dat hij géén psychologie schrijft, hij beschrijft als een wetenschapper de buitenkant maar omdat hij het cultuuroog bezit, ziet hij door die oppervlakte (die geen oppervlakkigheid is) een mens, die twijfelt, aarzelt, hinkt, zich verbaast.

Hier 1, 2, 3 (III, 4-6). Hier ‘het gemoed van / zijn kamer’: een plastisch beeld dat niet realistisch is, toont toch hoe een mens kan zijn. Het ‘geroep komt van niemand’: de ontpersoonlijking maar wel het besef dat er menselijk leven is. Noem dit het naamloze, het collectieve, steeds is het die tendens naar abstrahering – wat weer iets anders dan abstractie is. Soms zijn de gedichten zo gesloten dat ze bijna solipsistisch zijn/aandoen, zonder echter hermetisch te zijn: niet alleen de ander is een raadsel, het ik is dat evenzeer – en nog meer die wereld. Mooi is hoe Roland Jooris in het derde deelgedicht de tijd laat versluimeren en zo laat voorbijslenteren: ‘Schamel / leest een lamp / het fluisteren van tijd’ – waarbij ‘schamel’ niet langer een negatieve klank bezit maar hier verwant is aan ‘schraal’, ‘mager’, niet fel en daardoor samengaat met het ‘fluisteren’. In de volgende strofe komt dan  het werkwoord schemeren (dat toch echt niet een werkwoord is) en in de eerste strofe was er een ‘versterven’: dit is niet de platvloersheid van het volle leven; het is de gecultiveerde zachtheid van het leven zelf – plaats deze woorden naast de schilderijen van Bram van Velde, en zie: de schaarsheid wordt rijkdom.

 

Daarbinnen, Solo (IV, 1). Een je-gedicht, te vergelijken met een men-gedicht van Gerrit Kouwenaar. Naar de titel is dit een gedicht over een persoon, laten we hem maar een dichter, een ik noemen. Een onthutstheid, een figuur die in een landschap staat (‘vervagen’), een terugkeer naar de cultuur (cello). De vergelijkingen die Roland Jooris maakt, zijn geen homerische: ze maken wat te vergelijken is, niet groter of universeler maar keren terug. Zo ook hier: van een onwetendheid, een onmogelijk absolute, het onuitspreekbare komt hij in de laatste strofe terug naar ‘Als op een cello / schrijnt’ wat een terugkeer is naar een geslotenheid, niet een opgeslotenheid, maar een verbeten zoeken naar zichzelf, een hardnekkig bestaan. Het beeld van Quaker-huizen: strengheid, eenvoud, menselijke maat.

Dit (IV, 2). Het zou een vergissing zijn de poëzie van Jooris als lieflijk of zoetgevooisd af te doen. Er zit niet alleen halsstarrigheid in dit oeuvre, er is ook een vechtlust aanwezig – en elk verzet is gerechtvaardigd geweld want gericht tegen de domme agressie van de macht die vernietigt, het verzet maakt menselijk. Dit gedicht kan gelezen worden als een lichamelijk verbond, een in elkaar haken van lichamen – niet De kus van Rodin, wel De kus van Picabia of Pablo Picasso. Het leven, het gevecht dus.

Etude (IV, 3) beschrijft een inval, een vonk van herkenning, een klank die oproept. Roland Jooris is hier alweer de meester van het moment. Als een schilder die een kleurtoets toevoegt en daardoor het werk maakt. Toch is er ook hier weer een breken – dat positief een uitkomst biedt. De wereld van  Jooris is niet een gemakkelijke wereld, er zijn obstakels (van de dingen, van de anderen, van onszelf), er zijn ongemakkelijkheden en mislukkingen. Maar telkens weer: het hoort erbij. Een schilder die een vallende vaas schildert, heeft een werk gemaakt. Een dichter die een val beschrijft, heeft een gedicht gemaakt.

Zij (IV, 4). Misschien is dit wel een moedergedicht. De kracht van vreemde beelden bij elkaar te brengen (niet als Marcel Duchamp, geen confrontatie of definitieve vreemdheid, maar een verheldering: twee beelden maken een nieuw beeld dat de oorspronkelijke beelden devalueert: de taal wordt nieuw gemaakt): ‘In de heupen van / zijn handen’. Het is alsof (maar dit is Hineininterpretierung) de dichter zijn oude moeder aanraakt (zijn handen worden heupen) en in haar de dood voelt, die sereen is en in de armzaligheid (maar dit is geen negatief woord) van het lichaam het kind vermoedt (‘haar oorsprong huivert nog’) en de resten van dit leven is ‘de schoonheid die zij / berokkent’. Het woord berokkenen komt gewoonlijk voor in samenhang met ‘kwaad’, maar hier wordt schoonheid verbonden met berokkenen: elke schoonheid bezit een weerhaak. Schoonheid is altijd pijnlijk, de roos die kwetst is een cliché maar ook waar. De dichter echter neemt dit concrete beeld niet over maar wel de gedachte, hij abstraheert en maakt er een voor altijd beklijvende versregel van. Zo werkt kunst.

Advertenties