de poëzie van roland jooris : een in zichzelf woelende steen (1)

door johan_velter

Bladgrond, Roland Jooris (Querido, 2016).

Bladgrond: de humus van verrotte bladeren. Het blad dat de grond van het denken en schrijven is. Materie. Dood en wit. Zwart en donker als vette grond, vol wormen, ongekend leven, vruchtbaarheid. Wat doet groeien en bestaan. De oorsprong is nog zichtbaar: men ziet de lagen van opeengeperste bladeren, men woelt, voelt en ziet dan het begin, het proces en het resultaat.

Zeven (‘Zoek de zeven’, Tijl Uilenspiegel van Charles De Coster) secties, elk benoemd met een typerend woord: eenzelvig, oponthoud, tweevoud, daarbinnen, gedenkstenen, basaal, dwars. Elke sectie bevat  een beperkt aantal gedichten (sectie 1, 5 en 7 : 5 gedichten : sectie 2, 3 en 6 : 6 gedichten ; sectie 4 : 4 gedichten). De titels van de gedichten zijn kort, bestaan meestal uit 1 woord, met uitzondering van de 7de sectie, ‘Basaal’, en in de 3de sectie de titel ‘Op het meer’.

Ook de gedichten zijn kort, niet zozeer in lengte wel in aantal woorden. De typerende vorm is een verticaliteit, Giacometti-achtig soms. De woorden en zinnen worden gezet, vloeien niet uit elkaar voort, de babbelzucht wordt aan het echte leven gelaten. Laten we maar meteen het misverstand uit de wereld helpen: Roland Jooris is in het uiterlijke leven geen asceet, geen zwijger maar een Bourgondiër die smakelijk vertellen kan en beweging zeer genegen is.

Eenzelvig, Model (I,1): reiken naar iets dat zich terugtrekt, het niet vatten kunnen. Een onmogelijkheid, maar geen mislukking. Een handelen dat in zichzelf een handelen is: niet het doel (wat zou het doel ook moeten zijn): maar het tussengebied, dat van het leven.

Genese (I,2): de titel duidt op een geboorte, op iets wat zichtbaar is. Geboorte is het gevolg van een oorzaak maar juist dit wordt in het gedicht ontkend: wat is, is ontstaan uit ‘vermoeden’ (instinctmatig), ‘uit nevel’ (wat niet belijnd, niet duidelijk is), ‘uit het lispelen van wind’ (wat niet duidelijk hoorbaar en niet te vatten is), ‘uit ontkenning’ (de negatie van het zijn zelf) en dan komt de menselijke actie het ‘doorstrepen’ zelfs van wat uit hoop geboren was. Jooris roept in strofe 3 en 4 op wat anderen een ‘sublieme natuur’ zouden noemen (gebergte, het hoge klimmen, het uitzicht) maar in strofe 5 wordt dit alles ‘neergeslagen’ en toch behouden: ‘het niet bestaande / schudt ons door elkaar’. Er is een rest van het sublieme dat ons door elkaar schudt, maar het is niet die bestaande natuur maar wel het vermoeden, dat wat meer is, dat wat zich achter de dingen bevindt dat in het Pauluseffect voelbaar is. Toch is Jooris géén metafysisch dichter, ook het religieuze is niet aan hem besteed, niet het universum, het grote overweldigen. Het is de innerlijke dichter die beweegt.

Inspraak (I, 3). Een eigenaardige titel voor een dichter die zich afzijdig wil tonen van die wereld vol leugenaars en mannetjesputters en er is dan ook weinig gesprek merkbaar in dit gedicht. Weer zijn er de paradoxen als ‘Men beklemtoont / wat lippen niet uiten’, even verder gaat het over mondhoeken en gemonkel – weer hebben we een materialiteit. Er zijn weer de ‘eigenaardige’ woordcombinaties: een avond die aanvankelijk wordt en zich omkeert. Het plastische zien: de dag die in avondschemering overgaat en zich dan als een kledingstuk binnenste buiten keert en nacht wordt. Nemen we een andere betekenis van het woord omkeren, dan is het de Januskop die tevoorschijn komt. Het gedicht is abstract, er zijn geen concrete be- of verwijzingen en toch is het beeld duidelijk en levendig: een boomgaard, stoelen, avond, vrienden, spreken.

Tegemoet (I, 4). De titel veronderstelt de ander en/of het andere en is daarom atypisch voor het werk van Jooris. Deze vervreemding zet zich verder omdat er sprake is van een ‘we’ die op een doel afgaan ‘dat we niet kennen’. Weer hult het gedicht zich in raadselachtigheid: ‘Om het even naar waar / onderweg trekt zich / een spoor van gemis / achterweg’. Er wordt een weg gegaan maar het spoor van gemis is dat wat achtergelaten wordt: het gaan en het doel zijn geen winst als er verlies is. Maar het woord ‘achterwege’ maakt het duister: laten we een spoor achterwege, laten we dus geen spoor achter of staat achterwege apart en betekent het dan ‘het niet laten gebeuren’? Het menselijk tekort: hoe en wie en wat we ook zijn.

Tafel (I, 5). Het atypische wordt in dit gedicht verdergezet doordat Jooris zowaar het woord ‘ik’ gebruikt – hij, de dichter van de abstrahering in het gebruik van het concrete, maar wel ‘Van vormen zonder ik / de ruwe eenvoud / af’ en even verder ‘als iedereen weg is’: ook hier is er een restfunctie: als iedereen weg is, de woorden uitgesproken, de gebaren weggeveegd, dan is er nog iets dat blijft hangen: het laatste woord is ‘daarachter’. Roland Jooris is een materialistisch dichter en hij toont hoe de ongelovige een leegte kan aanvaarden, niet alleen die van het onuitgesprokene, maar ook van het onuitspreekbare. Het is de mens die stappen zet en toch stoppen kan, de dingen los kan laten. Een ongelovige monnik. Het is daarbij wél typisch dat het gedicht ‘Tafel’ heet, door zijn concreetheid denken we aan Raveel, ook hij kon van dagelijkse dingen een archetypisch beeld geven.

 

Oponthoud, Nabij (II, 1). Het gedicht begint zo: ‘Uit stilstand gebeiteld / beschouwen’. De zin / de gedachte wordt niet afgemaakt. De dichter beschrijft een stilstand, of beter een uiterlijke stilstand want er is een inwendige activiteit bezig : beschouwen. De beitel verwijst uiteraard naar de kunstenaarspraktijk. Het hele gedicht cirkelt rond het stilstaan (niet de stilstand). Dit is een poëzie van het zijn (niet dat van Heidegger), niet van het handelen of de metamorfose, de beweging. Er is een ik en daartegenover een wereld: het gaat er niet om die wereld te beheersen maar wel zichzelf te verklaren: hoe zich te verhouden tot het andere. Dat echter geen einddoel, geen oplossing moet hebben: het laatste woord van dit gedicht, ‘waarachter’, hangt in het ijle. Het is goed te weten dat er iets niet is. ‘Bevlogen inzicht dat / gekwetst naar buiten kijkt’: de poëzie van Roland Jooris is het verslag van hoe het individu door de wereld aangevallen wordt, omwille van de inzichten. De doelstellingen van de mens zijn niet die van de wereld.

Tactiel (II, 2). De titel is ‘lichamelijk’, niet als (erotisch) lichaam maar als dinglijkheid: het aanraken, het bestaan. Steeds is er die tweespalt: enerzijds de materiële wereld, anderzijds het onvatbare en toch is er geen sprake van een onoverbrugbare kloof. Het ‘andere’ behoort niet tot een andere wereld maar tot déze wereld, de aarde. Drie strofen die elk beginnen met het woord ‘hoe’: de dichter beschrijft maar laat ons niet weten wát. Driemaal is er sprake van een hij en ook hier is de toestand er een van ná het handelen. Als we de poëzie van Jooris ook een levenspoëzie noemen, dan is dit een kunst van het loslaten, het afruimen van de wereldse rafeligheden, de overbodigheden. Dan is dit het verslag van een zich ontdoen, een zoektocht naar een menselijke kern – zonder essentialisme.

Nog (II, 3). Het titelwoord wordt ook hier niet herhaald in het gedicht zelf – er is dus geen sprake van een illustratie maar wel van een algemener niveau. ‘Nog’ is het woord van het verlangen, het nog niet bereikte, het nog echter ook van het nochtans. Het onmogelijke wordt hier toch nog mogelijk gemaakt : ‘Hij raapt op / wat niet gevonden / kan worden’. De hij staat dus buiten de wereld: wat raapt hij op? Daar spreekt de dichter niet van, want het ‘wat’ is dat wat de wereld niet kan zien of verwaarloost. Weer evoceert de dichter het onuitgesprokene, dat wat in de lucht hangt en niet gegrepen kan worden maar toch aanwezig is. Het zijn slechts enkelingen die begrijpen.

Geluiden (II, 4). Het woord bevlogen in dit gedicht is een echo van hetzelfde woord uit II, 1. Weer een typisch Roland Jooris-woord: ‘eenkennig’. Het woord refereert ook aan Samuel Beckett – Jooris heeft wel meer verwantschap met hem, niet alleen op geestelijk gebied, ook in de belangstelling voor de beeldende kunst – maar bij hem is er niet die tragische diepte. Er is meer wijsheid, geen opstand: een aanvaarden van wat we niet kennen en niet moeten kennen. Er is weinig maatschappelijke ambitie (dit geldt niet voor het artistieke: daar zijn de normen nooit hoog genoeg – ook dit is een idee dat niet meer aanvaard wordt: alles is immers ‘top’). Het woord eenkennig verwijst ook naar de eerste sectie, ‘Eenzelvig’ getiteld. Beide woorden hebben echter een nuance-verschil. Eenkennig is verlegen, wil enkel zichzelf kennen. Eenzelvig is teruggetrokken, iemand die op zichzelf leeft. Het eerste is eerder een ‘mankement’ (maar wie beoordeelt dit?), het tweede een bewuste houding en levenswijze – het genoeg van de wereld hebben. Het gedicht is een mooi voorbeeld van de joorisiaanse werkwijze. Een titel ‘Geluiden’ en bij eerste lezing is niet helemaal duidelijk wat de titel daar doet. Dan lees je het eerste woord, ‘Eensluidend’ als ‘eens-luidend’ en je herkent de stam. Er is ook het woord klanken. En verder een kuchen, er is sprake van snaren. Het gedicht is ontegensprekelijk abstract maar het werkt met concrete beelden en juist dit is de kern van de joorisiaanse raadselachtigheid: wat we menen te kennen is helemaal niet kenbaar maar ook: door het abstracte in een concreet beeld onder te brengen, begrijpen we in een oogopslag (of in een flits – om het dan  weer kwijt te raken) wat we kwijt kunnen spelen en wat het denken is: een beweging in zichzelf – en naar het woord van Hegel is denken een in zichzelf bewegen, daar is ook de waarheid te vinden.

Geluiden

Eensluidend oneens
een zich bevlogen
aan klanken bezeren

een kuchen
eenkennig, een schutterig
vegen op het geheugen / van snaren gestreken

een inval
schudt
zijn veren
als op een drempel
verloren
in de vroegte

(WordPress laat niet toe dat schudt wat meer naar rechts moet staan.) De kortheid van de woorden, de herhaling van klanken en klinkers, het stamelen, het aanwijzen: ziedaar Roland Jooris.

Advertenties