het breken, het openbreken (2)

door johan_velter

zwart-rood_9

De Neue Zürcher Zeitung, Angela Schreder, bericht op 17 augustus 2016: » Schriftstellerin Asli Erdogan verhaftet : Zu nah am Feuer : In Istanbul wurde vergangene Nacht die Schriftstellerin Asli Erdogan verhaftet, weil sie für eine kurdische Zeitung arbeitete. Die so mutige wie fragile Frau war 2012 Writer in Residence in Zürich. «

Misschien kan het zo opgelost worden. Dat alle waarheidssprekers uit Turkije in het Westen toegelaten worden en laat de verachters van de Verlichting in het Westen, zij die hun macht misbruiken, door Erdogan verwelkomd worden. Turkije is een groot land. Laat de beker voorbijgaan die ons doet kiezen tussen Erdogan en Gülen: het is niet omdat de een een dictator is, dat de ander een vriend moet zijn.

Het grootste deel van het Westen heeft de moderniteit nooit begrepen en aanvaard – vandaar de gebrekkige relatie tussen individu en sociale structuren, de achterhaalde organisatie van de arbeid, de problematische verhouding tussen de seksen, het onbegrip van de democratie, de idee van het humanisme dat nooit in zijn consequenties begrepen is, noch in zijn individualistische component (dus concreetheid) noch in zijn sociologische bepaaldheid (dus de abstractie). Het latente, al dan niet begrepen ongenoegen, krijgt daarbij een duidelijke vijand: de ander – waardoor een normaal, kritisch antimachtsgevoel / en -instelling, plots een ranzige rand krijgt, daarom niet in de feiten wel in de interpretatie van de elite. (Het is al te populistisch om steeds van ‘racisme’ te spreken, omdat dit begrip verworden is tot een onderpastoorsverwijt, geen intellectuele grond meer bezit.) En ook hier is er dus slechts een moralisme aan de gang: men noemt de ander slecht, men doet aan intentiepsychologisme, men doet aan karaktermoord (het typische verweer van de intellectueel onmachtige) – terwijl men structurele inzichten zou moeten opbouwen. Het toppunt van deze sentimentaliteit was natuurlijk Bert Anciaux, de anti-politicus wiens discours nationalistisch-moralistisch en dus per definitie reactionair is. Dat deze vlaams-nationalist in de socialistische partij is kunnen infiltreren, zegt nog meer over die partij dan over Anciaux – maar hij heeft een batterij volgelingen in de structuren kunnen achterlaten. Vander Taelen toont in zijn boek hoe nefast het sentimentengoed was/is. En dus is zijn hoofdstuk ‘Het geld van Daarkom’ een bevestiging van hoe de politieke elite geen intellectuele elite meer is maar een populistisch beleid voert dat zelfs geen beleid meer te noemen is – want beleid moet steunen op ideeën.

Dat het anders kan: herinneren we ons Emile Vandevelde die wél de moed had om te denken, de problemen te detecteren en tegen zijn eigen publiek in ging met het indienen en doen goedkeuren van de anti-alcoholwetten. En vandaag steunen de populistische partijen nog steeds de tabaks- en alcohollobby’s, om niet te spreken van de gokmaffia en dit alles onder het motto dat het volk heilig is en de intellectuelen moeten opgeknoopt worden.

Als reactie op de moorden door islamisten bezweren de machthebbers om ‘onze’ levensstijl niet te veranderen en dus te blijven ‘feestvieren’ en samenkomen. Als dit ‘onze’ levensstijl is, dan is dit toch maar het ons in slaap wiegende consumentisme en is de minachting van de Islam voor het Westen dan misschien wel terecht. ‘Onze levensstijl’ is echter niet het feesten maar wel de idee van vrijheid van denken en spreken, de bevrijding van de arbeid – en juist dit wordt door de Reactie aan banden gelegd en onmogelijk gemaakt. De macht bevestigt daarmee de zwakte van het Westen. In de feiten is dit de echte toenadering tot de Islam.

Overigens is een quad een voertuig dat overlast berokkent, dat immers slechts bestaat in en door agressiviteit en dus een moordtuig is en als een jongen van 15 jaar (net geen kind meer, bijlange na nog geen volwassene) een quad bestuurt, dan is niet hij het slachtoffer, en zijn zijn ouders dat ook niet, maar is de omgeving het slachtoffer van terreur. Wie met een quad rijdt, valt de burger aan.
En onderdrukking is, horen we, eigenlijk een vorm van emancipatie en het lichaam ontkennen en verachten een lofzang op het leven.

De ondertitel van het pamflet van Luckas Vander Taelen, ‘hoe moeten we reageren op het islamitisch fundamentalisme?, duidt op die zwakke positie van het Westen: niet de vraag naar het reageren is de belangrijkste, wel hoe te ageren: het initiatief moet in handen genomen worden, een reactie is steeds een zwakte. Omdat de analyse van Vander Taelen anekdotisch en niet structureel-intellectueel is, kan er van zijn kant ook geen oplossing komen. De auteur stelt zich tevreden met enkele moraliserende uitspraken – en heeft daarmee slechts het conservatief discours overgenomen. Het is de retorische weg van rechts: een tranerig verhaaltje van een zielig mensje (dat wel sterk wordt, op het einde) om zo een maatschappelijke discussie te vermoorden (zo werkt Reader’s Digest). Maar juist daar moeten we van af: door deze zwakke vorm van denken, komt men niet verder dan een culpabiliseren van individuen (want men denkt niet in structuren) en dit is dan het einde in een maatschappelijke discussie : het is schuld of onschuld, verder kan men niet gaan. Omdat dit soort denken niet functioneert en dus geen oplossingen kan bieden, moet er op een andere manier tewerk gegaan worden.

Ook een uitspraak als ‘Straks wordt Brussel nog fundamentalistischer dan de islamitische republiek Iran.’ doet Vander Taelen’s betoog geen goed. Iran is uiteraard geen republiek in de Westerse betekenis van het woord, ‘straks’ is in deze zin demagogisch gebruikt, en het gaat natuurlijk niet over ‘Brussel’ of over delen van Brussel maar over groepen die ultrafundamentalistisch zijn. Een dergelijke uitspraak is vanhetzelfde niveau als ‘dit is ons land niet meer ‘ – want arbeiders, bij uitbreiding de machtelozen, hebben geen vaderland.

Het is jammer dat Vander Taelen zich door dit soort retoriek heeft laten meeslepen (en dat de uitgever dit niet heeft kunnen verhelpen) omdat hij op andere plaatsen de onjuistheid van zogenaamde redeneringen scherp blootlegt en er de perversie van aantoont. Dat islamisten met Joden vergeleken worden, is uiteraard zeer ‘onkies’, mensonterend, en dat hij onder de Israëlkritiek het antisemitisme blootlegt is hem een lofprijzing waard. ‘De schandalige vergelijking tussen islamofobie en antisemitisme is ondertussen al zo vaak gemaakt – onder meer Bert Anciaux [een nationalistisch-socialistisch politicus die voor de socialistische partij in de senaat zetelt] ratelt ze al jaren als een mantra af – dat ze door veel Brusselse jongeren voor waar aangezien wordt.’ (p. 28) maar helaas zien we in deze zin ook de beperktheid van Vander Taelen: net alsof het probleem een Brussels probleem is, het is echter geen Belgisch maar een cultureel probleem – het woord mantra gebruiken is natuurlijk ook retoriek.

In De Standaard van 6 augustus 2016 verscheen een stuk van Jens Christian Grøndahl waarin hij spreekt over het boek Heidegger, de Joden en de Shoah van Donatella Di Cesare – het boek is voor zover ik weet niet vertaald maar zou nu zeer goed passen in het fonds van De Bezige Bij. In dit artikel (op basis van het besproken boek) toont hij aan hoe het Jodendom de kern van de moderniteit vormt en dat in de Westerse cultuur het antisemitisme niet overwonnen is, dat we vandaag de dag een regressie meemaken. Dit wordt versneld en verhevigd door het islamisme en het bondgenootschap van links met de Palestijnse terreur. Grøndahl schrijft: ‘Een van haar [Di Cesare] hoofdthema’s is hoe ‘Jood’ in Heideggers existentiële filosofie een kenmerkende factor werd voor de kosmopolitische, vervreemdende moderniteit.’ Di Cesare toont aan hoe het antisemitisme geworteld is in ‘Blut und Boden’ en dus onlosmakelijk met het nazisme verbonden is – maar ook met de problematiek van het modernisme – niet voor niets werd Picasso in de jaren dertig als Jood gekenmerkt. Het is het buitensluiten van het individu, de ideeën over authenticiteit, geworteld-zijn en plaats die samenkomen in een cluster waardoor de Verlichting zelf vernietigd wordt. (En de Verlichting is plots (van het ene op het andere jaar) van kamp veranderd; was dit tot voor kort nog een verwijzing naar bevrijding, is dit nu een rechtvaardiging voor beknotting en onderdrukking geworden – niet alleen van de ander, maar ook van ‘het eigen volk’.)

Vander Taelen verwart in zijn betoog de Westerse waarden met universele – de Westerse zijn dat niet maar hebben wel de potentie om internationaal aanvaard te worden indien er een aantal premissen aanvaard wordt – net zoals de islamitische wetten ook een universele waarde kunnen hebben – als ze opgelegd worden. Vander Taelen vertrekt vanuit een westers standpunt, redeneert binnen dit kader en komt tot de conclusie dat dit een oplossing is – maar wie vanuit een ander standpunt vertrekt, komt tot andere conclusies. ‘Ik heb het gevoel [sic] dat we [sic] er hier in België universele waarden op na houden, over mensenrechten, recht op onderwijs en gezondheidszorg voor iedereen, over vrijheid van godsdienst, over scheiding tussen Kerk en staat, over de gelijkheid tussen man en vrouw. Door niet duidelijk te zeggen welke de verwerpelijke waarden zijn waaraan nieuwkomers zich moeten aanpassen [sic], stelt Mahy [de coördinator van Kif-kif, een organisatie in het leven geroepen om enzovoort] het voor alsof migranten in hun vrijheid beknot worden. Terwijl die waarden net universeel zijn en voor iedereen gelden en een garantie zijn op vrije beleving van zijn hoogst individuele overtuiging en geloof.’ (p. 36). De slotzin maakt duidelijk hoe ver Vander Taelen af staat van een sociologisch begrepen groepsdenken.

Het zou doordachter en intellectueel eerlijker zijn om die universele waarden als Westerse waarden te benoemen en het ene systeem tegenover het andere te stellen: maak uw keuze: het leven of de dood, of omgekeerd: de dood of het leven – al naargelang het standpunt. Maar hier maakt Vander Taelen wel duidelijk hoe de integratie onmogelijk gemaakt wordt door de politiek die zelf de integratie afwijst : men veronderstelt immers dat multiculturalisme het aanvaarden van de Verlichting is – terwijl multiculturalisme een oorlog tussen verschillende uitgangspunten betekent en steeds een poging is het eigen waardenpatroon aan anderen op te leggen. En dus in principe onmogelijk is: wanneer een godsdienst het publieke leven wil bepalen, kan hij niet aanvaarden dat de godsdienst enkel het persoonlijke leven mag bepalen. Het multiculturele is slechts mogelijk wanneer groepen (staten) naast elkaar bestaan maar daarboven een algemeen aanvaard stelsel gebruiken om te kunnen functioneren – het gaat dan ook niet langer om waarheid of moraliteit: de functie is een technisch systeem.

Toch erkent Vander Taelen op andere plaatsen deze gedachtengang : ‘Te vaak vertrekken wij vanuit het idee dat voor elk ideologisch meningsverschil een harmonieuze oplossing mogelijk is. Dat is helaas een romantische illusie, want de werkelijkheid is anders : in een multiculturele samenleving zijn conflicten onvermijdelijk en het is beter ze te erkennen dan in te binden op zijn principes. Cultuurrelativisme, waarbij men vanuit onmacht of een schuldgevoel zijn eigen culturele waarden ontkent, mag niet het antwoord zijn bij conflicten die religieuze gevoeligheden als basis hebben.’ (p. 59). Maar het is ook een al te modieus denken het conflict als bestaansreden in te roepen – mensen willen een rustig leven.

De bedreiging van het Verlichtingsdenken wordt in de eerste plaats veroorzaakt door een aantal Westerse ideologen: wanneer men wetten aanneemt die het denken aan banden leggen, dan is men in de praktijk een islamistisch rechtssysteem aan het introduceren. Het negationisme verbieden is daarom een anti-Westerse wetgeving, net zoals dit ook geldt voor wat genoemd wordt de islamofobie: ‘[…], Bert Anciaux (SP-a) die met de jaren een steeds fanatieker verdediger werd van de islam, legde in de Senaat zelfs een voorstel neer dat islamofobie strafbaar zou maken.’ Het probleem is uiteraard dat de begrippen gedefinieerd worden vanuit een machtsdenken, niet vanuit een vrijheidsstreven. Als men na elke islamistische terreurdaad (ten onrechte) excuses eist van moslims, dan zou men die excuses ook wel aan die politici mogen vragen die een reactionair en van domheid doordrenkt beleid willen opleggen.

Terecht maakt Vander Taelen ons attent op het verschil tussen de reële onveiligheid en wat de machthebbers of de ideologen ‘het onveiligheidsgevoel’ noemen omdat men daardoor mensen belachelijk wil maken: ‘ha, het zijn maar bangeriken, we hoeven geen rekening te houden met gevoelens’ – en die gevoelens worden wel voor de machtsconsolidatie opgeroepen en in beweging gezet – om aldus de Verlichting te vernietigen.

Vander Taelen ontkent het simpele verband tussen maatschappelijke achterstelling en ‘de aantrekkingskracht van het terrorisme’ (p. 76). Er is inderdaad een religieuze/culturele oorzaak die los staat van wat nu, hier en ginder gebeurt. We kunnen dit vergelijken met de linkse beweging: niet de arbeiders, maar de hoofdarbeiders en de burgerij hebben het socialisme ontwikkeld en het is vanuit die middenklasse dat de oude, aristocratische, katholieke maatschappij is aangevallen. En dus is ook hier de conclusie dat ‘de gematigde islam’ onderwerp van strenge en onverbiddelijke godsdienstkritiek moet zijn – en er mag gelachen worden. Hier past ook een analogie met de zogenaamde ‘beledigingen’: men doet alsof de belediging in de Islam niet bestaat. Maar waarom mogen Joden dan wel beschimpt worden, mogen vrouwen uitgescholden worden, wordt er te onpas en te onpas gespuwd, waarom worden mensen in publieke dienst constant beledigd en uitgedaagd?

Het is onjuist, en dit lezen we ook weer in dit pamflet, dat het onderwijs gebruikt wordt om de radicalisering tegen te gaan. (Ons denken cirkelt nog enkel rond ‘het probleem’ waardoor er geen ruimte voor creativiteit meer is: ook dat verklaart de politieke en culturele stilstand.) Liever had ik gehoord dat het onderwijs dient om kennis op te doen: culturele en wetenschappelijke om mens te worden; praktische om te functioneren in een maatschappij die komt. Onderwijs heeft niet als doel om het extremisme aan te pakken. Onderwijs is er niet om een integratiepolitiek te voeren: onderwijs komt na de integratie. Kennis en cultuur zijn er om mensen een menswaardig leven te geven, om een voorstel te doen om het leven aan te pakken. De school dient er niet voor (p. 86) om aan te tonen dat godsdienst en secularisme simpelweg naast elkaar kunnen bestaan.

Het seculiere project moet geponeerd worden als het enige systeem: het is de abstractie waarin het concrete kan bestaan. De republiek geeft vrijheid. Als een godsdienst zich niet wil beperken tot een private beleving, dan is het samenleven onmogelijk – want ook hier en nu is de ongelovige, de scepticus, de atheïst de ander die vernietigd moet worden. Het ‘actief pluralisme’ is een mooi, sofistisch begrip maar betekent in onze wereld niets. Net zoals Dyab Abou Jahjah de laïciteit ‘de militante godsdienst van de vrijzinnigheid’ (p. 109) noemt: dit is het moedwillig onjuist gebruik van woorden. Zo wordt het debat verziekt en onmogelijk gemaakt. De betekenis van de taal wordt vernietigd, de argumenten gemoraliseerd, de tegenstander gedemoniseerd: doordat het rationele denken vernietigd wordt, is de Verlichting en haar modernistisch project de facto voorbij. En treden wij nu de duisternis in.

Overigens is dit alles van geen tel. De demografie heeft het laatste woord.

Advertisements