de oude man en zijn letters

door johan_velter

j. tapperwijn_1

In het colofon van Kafka geïllustreerd door J.M.A Biesheuvel vermeldde Jan Keyser Nini Brunt (1891-1984) als vertaalster van Kafka. Deze vertalingen zijn in verschillende vormen uitgegeven, jammer genoeg werd geen vermelding van druk of uitgever opgenomen. Hier ligt het Verzameld werk (Querido, 1983), de gele versie, ietwat gehavend, een herinnering aan ‘de grote brand’. Het boek werd in verschillende kleuren uitgegeven, zelfs roze (Kafka in het roze!), de uitgever wisselde blijkbaar ook. Maar het ontwerp bleef identiek en zo is deze uitgave dé uitgave geworden.

In alle opzichten is dit een standaarduitgave. Goede vertalers, een degelijk binnenwerk, een omslag dat fenomenaal krachtig is in eenvoud, duidelijkheid en strengheid. Toch is de typografie niet eentonig: daarvoor zijn de letters immers te levendig, staan ze te springen. Kijk maar naar die K en A, de voeten staan niet plomp op de grond, slechts een hoekpunt raakt de basislijn. En zie de R : daar is het ene been gestrekt met de hiel op de lijn en het andere been staat quasi horizontaal. Inderdaad quasi, want door de letters zien we nog het linnen waardoor de lijn toch niet egaal is. En zie de W, die zichtbaar een dubbele V is. De letter Z zou volgens elk handboek te groot zijn, zo is ook de M te breed. Maar neem het geheel en alles past, alles is in orde, het geheel oogt rustig en klassiek – zo is ‘het klassieke’ (wat de goegemeente klassiek noemt) nooit de norm van de klassieken zelf is, maar enkel die van meelopers, navolgers. De zuiveren die zuiveren. Het klassieke kent geen eenvormigheid maar een inhoudelijke en vormelijke rijkdom. Zo is het modernisme.

De ontwerper van dit omslag was J. Tapperwijn en hoe ongelooflijk het ook klinkt, deze naam is niet opgenomen in het boekwerk zelf (althans niet in mijn editie, 6de druk 1983; het is wat verwarrend omdat de 6de druk, niet de 6de druk van deze uitgave is). En J. Tapperwijn is een pseudoniem (B.B. schreef me onlangs: ‘Is een pseudoniem geen oplossing? Gauw zal iedereen een pseudoniem nodig hebben.’) van Ary Langbroek, die vele jaren uitgever van Querido geweest is. Een uitgever die een aantal van zijn boeken zelf heeft vormgegeven en die zijn vormgevers op een bijzondere manier kon begeleiden en ook wel leiden.

Bij de jaarwisseling 2001-2002 gaf de uitgeverij een boekje uit, Omslag : J. Tapperwijn met een overzicht van zijn omslagen. Veel is voor mijn ogen niet goed: steeds weer die banale vermenging van foto en boekgegevens – haal de foto en de andere sentimentaliteiten weg en je hebt sterk werk. In dit boekje wordt uiteraard ook het vermelde werk van Kafka opgenomen, alhoewel deze uitgave daar slechts het jaar 1985 toebedeeld krijgt. Daarnaast werd ook het Verzameld werk van Willem Elsschot afgebeeld : een identiek ontwerp, daarvoor wordt het jaar 1986 vermeld. Neem de uitgave Verzamelde gedichten van Gerrit Achterberg uit 1984 en daar zie je wat ik bedoel: typografisch dezelfde elementen maar de foto maakt het beeld minder sterk – ook de typografie is echter zwakker.

j. tapperwijn_1a

In het boekje is een interview met Hub. Hubben opgenomen. En over het werk van Kafka schrijft hij (maar ook hier met een verkeerde datum): ‘In de loop der jaren zal de ontwerper relatief weinig omslagen met uitsluitend letters maken. Maar als hij ertoe overgaat zijn het omslagen die soms midden tussen de ogen treffen. In duizenden boekenkasten eist de centimeters dikke band met Verzameld werk (1972) van Franz Kafka onmiddellijk de aandacht op; met zijn kloeke Kabel-letters op een felgele ondergrond fungeert het haast als een affiche.’ (p. IV).

De oude man heeft zijn trefzekerheid nog niet verloren. Ik stap de buitenwereld in, niet zonder gevaar, en trek naar de gespecialiseerde boekhandel. Ik kijk rond, de nieuwe bundel van Roland Jooris is echter nergens te bespeuren. Ik kijk beter, in zoverre dat kan, en ik zie geen enkel boek van Roland Jooris, ook niet de eigen uitgave. Geen enkele bundel. Goed, zo is die wereld dan. Ik denk, ik neem de laatste bundel van Jan Kuijper mee, geen Jan Kuijper te bespeuren. Ik doe navraag. Ook andersom niets te vinden. Men wil dit wel eens bestellen, indien nodig. Ik bestel zelf.

j. tapperwijn_2

En zie, welke omslagen! Beide hebben een meer dan voortreffelijke typografie meegekregen. Gelukkig heeft de vormgever, en we spreken dus inderdaad van J. Tapperwijn, zich niets aangetrokken van de inhoud, hij wil niet illustreren maar een sterk beeld maken om de dichters te eren. Er is een mode onder hedendaagse vormgevers om teksten zo onklaar en onleesbaar mogelijk te maken – daar moet het beeld overheersen en wordt de inhoud vernietigd. J. Tapperwijn doet dit hier niet. Ook al wordt de titel van het Roland Jooris-boek, Bladgrond, onjuist gesplitst en is dit kappen inhoudsloos (niet het woord ‘rond’ of ‘la’ of ‘gr’ wordt afgezonderd), toch is dit beeld leesbaar gebleven – de titel Bladgrond is kort genoeg om te mogen experimenteren. Door deze splitsing wordt de verticaliteit van het boek beklemtoond en dit is een inhoudsvolle aankondiging van wat komt: ook de gedichten van Jooris reiken naar de hemel. Wie er niet op let, beseft ook niet dat de titel tweemaal op het omslag vermeld staat. De rode letters fungeren daarmee als betekenis: het gaat over woorden en letters: kijk goed, de details, de afzonderlijke elementen maken het geheel. Mooi en relevant is dit omdat Jooris gekend is voor zijn poëzie bij beeldend werk. J. Tapperwijn haalt dit werk uit die directe referentie en stelt het op een hoger niveau: van het zien wat buiten het hoofd is, naar zien wat binnen het hoofd is. (Ik beken: dit is al gedeeltelijk een bespreking van die gedichten).

De bundel van Jan Kuijper, Aanmatigingen : sonnetten, mag en kan direct naast die andere boeken liggen: je ziet eenzelfde moment van kijken en toch is dit geen replica, zelfs geen dichte familie. De initialen van de dichter zijn hier nu het bepalende beeld. Het rood ervan wordt herhaald in de titel. Een zekere vormgever in Nederlandstalig België, om Dooreman niet te noemen, werkt ook graag met zwart en rood, maar wat een niveauverschil, wat een kloof tussen arm en rijk. Bij J. Tapperwijn heb je twee zaken tegelijkertijd: de kracht en de sterkte van de initialen die in grootte verschillen van de rest van de tekst maar die niet agressief overkomen. Integendeel, de beide letters zijn als het ware de behoeders van wat komen zal. Er is enerzijds de herinnering aan houten afficheletters en anderzijds de verfijndheid van de typografische Querido-traditie. Beide strekkingen slaan elkaar niet dood, negeren elkaar niet, maar versterken elkaar doordat het oog van J. Tapperwijn ze in bedwang, in evenwicht kan houden. Om dit te bereiken, moet iemand heel veel gekeken hebben en moet hij ook heel veel weten. Dit geldt ook voor de positiebepaling. Dit zijn hedendaagse, modernistische ontwerpen en tegelijkertijd toont J. Tapperwijn zijn respect voor het dichterschap van beide heren: respectabel, klassiek, geducht en uitdagend. Het woord sonnetten bij Jan Kuiper duidt niet op ouderwetsheid: de vormgever beklemtoont dat deze gedichten in deze tijd geschreven zijn en van deze tijd zijn. Maar hij bepaalt er niet de inhoud van: hij dringt de lezer geen beeld op. Zijn typografie is afstandelijk, ondanks de duidelijke esthetiek toch objectiverend.

Dit is geen ‘nederige’ of teruggetrokken typografie: dit is een zelfbewust omgaan met boeken en letters. Dit is een zichzelf poneren, een trots. Wat cultuur zou moeten zijn: weten en doen wat gebeuren moet. Beroepsernst, schoonheid en moraal.

Helaas

Advertenties