de wereld die gaat, en niet te begrijpen is

door johan_velter

christine lavant_avalon pers

De foto van Christine Lavant die hier gisteren getoond werd, is een typisch voorbeeld van hoe een afbeelding een ideologische strijd weergeeft. ‘Zie, dat vrouwtje, ze bedekt, als Bernadetje en het heilig Trezeke haar haren zodat die niet naar seksualiteit kunnen ruiken. O, Christine Lavant de godprijzende, de nederige, de vrouw zoals wij haar graag hebben.’

Christine Lavant droeg een hoofddoek omdat in die tijd haar ziekte met röntgenbestraling bestreden werd (ongetwijfeld in een katholiek ziekenhuis) en haar hoofdhuid daardoor constant verbrand was.

In de verantwoording bij het verzameld werk van C.O. Jellema, schreef de tekstbezorger Gerben Wynia: ‘ Daarnaast bevinden zich in zijn literaire nalatenschap ook nog enkele verspreid gepubliceerde en ongepubliceerde vertalingen.’ Het Verzameld werk is dus geen verzameld werk. De in bundels gepubliceerde gedichten werden opgenomen en het proza en essays is een selectie van wat C.O. Jellema zelf wilde doen overleven. Het verzameld werk is immers nog bepaald door Jellema zelf, Gerben Wynia is zijn literair erfgenaam.

Wynia is een figuur die niet zo gekend is omdat hij zelf geen ‘creatief auteur’ is (in de traditionele betekenis van het woord) maar in de recente literatuurgeschiedenis is hij een uitermate belangrijke figuur (een gelijkaardige constellatie bestond er ook rond Lucebert). Ook werk van Willem Brakman heeft hij vroeger geredigeerd. En nog dit jaar is onder zijn redactie een briefwisseling tussen C.O. Jellema en Jan Siebelink verschenen (Uit diepe verwantschap:  een briefwisseling, Flanor, 2016). Het woord creatief is bij een figuur als Wynia aan uitbreiding toe.

De zeer actieve margedrukker die sneller drukt dan Vestdijk schrijven kon, Jan Keijser van de Avalon Pers, gaf in 2014 drie gedichten van Christine Lavant uit (Drie gedichten, Avalon Pers, 2014), de vertalingen waren van C.O. Jellema en deze drie gedichten behoorden tot die nalatenschap die nog niet eerder uitgegeven was. Van deze editie werden 80 niet-genummerde exemplaren gedrukt. Het papier was Japans, de omslag is een niet gebruikelijke voor Jan Keijser, handgeschept papier met gedeeltelijke rafelige randen. Het is een eenvoudig boek dat toch zeer veel standing bezit, de luxe zit in het hoofd. De rijke eenvoud maakt de gedichten nog klassieker dan ze al zijn, tegelijkertijd is er een bescheidenheid die veel krachtiger wordt dan een ‘echte’ luxueuze uitgave. In deze uitgave zijn eveneens de oorspronkelijke gedichten opgenomen, op de linkerbladzijde staan ze cursief gedrukt. Toch mag men zich niet vergissen: dit is een C.O. Jellema-uitgave. De drie gedichten met hun vertaling worden voorafgegaan door een citaat uit een brief van Jellema: » So arm wie das Leben ist auch die Lyrik von heute. Deshalb ist es eine Erquickung in den Gedichten der Lavant zu lese, einfach weil sie leben, mit sehr langen Wurzeln in der Erde, mit sehr langen Armen zum Himmel. « de gedichten van Lavant worden in een ideologisch stramien gevangen: tegen de huidige tijd, tegen de huidige poëzie. (In werkelijkheid getuigt de naoorlogse Nederlandstalige poëzie van een ongekende en buitengewone rijkdom, niet alleen vormelijk maar ook inhoudelijk. En is deze wereld vooralsnog van geweld en oorlog gespaard geweest – maar ook dit is voorbij.) Het nawoord van Gerben Wynia versterkt dit nog: daar wordt enkel over Lavant gesproken in relatie tot Jellema.

Van deze drie gedichten werd 1 ook door Thomas Bernhard in zijn anthologie opgenomen, » Erde, wenn du zwei Lippen hättest, «, een hartverscheurend gedicht over de menselijke tweespalt, het verlangen naar de natuur en de dood en de rede die maar bazelt en liegt.

In het gedicht » Kaum habe ich die Lampe ausgelöscht « komt het merkwaardige beeld van de muizenval voor – merkwaardig omdat dit motief in de 19de eeuw volledig verwaterd is, vervallen sentimenteel is geworden, terwijl het bij de Vlaamse Primitieven nog een krachtig symbool was die reikte tot aan het kruis van Christus. Ik citeer het gedicht in de vertaling van Jellema:

Niet heb ik mijn lamp uitgedaan
of beide domme ogen stromen over,
en een muis knaagt onder mijn bed.
Geen hand die dan, als bij mijn zusters,
in ’t donker tast, geen vraag: ben je bedroefd?
En er is niemand om een muizenval voor mij te zetten.
Dan zijn de buren nog verbaasd, mijn venster
verlicht te zien totdat de morgen daagt.

‘Domme ogen’ moeten begrepen worden als ‘dwaze ogen’, het oog is het instrument van de ratio. Het gaat niet over domheid maar wel over onaangepastheid, niet kunnen leven. De muizenval symboliseert het geloof in Christus, het hout van de val verwijst naar het kruis en de dood van Christus is de overwinning op de duivel en dit wordt in de muizenval gesymboliseerd. Het is niet onlogisch dat Jozef een timmerman was, maar anderzijds is het ook cynisch. Maria heeft haar zoon het leven, en dus zijn kruisdood, gegeven. De voedstervader ‘leverde het materiaal’ voor die dood. Dat er niemand een muizenval kan zetten, is geen anekdotiek maar getuigt van die diepe, metafysische angst en alleenheid: het gevecht met de duivel moet zelf geleverd worden. Het merkwaardige is dat de muizenval hier ook refereert naar die sentimentaliteit van de 19de eeuw (die echter al eind 17de eeuw begonnen was) door het verkeerd begrijpen van de hand die, net als van de zusters, in het duister tast. Geen schoolmeisjesseksualiteit echter, ook de tastende hand moet metaforisch gelezen worden.

Jellema vertaalt ‘die Leute’ met ‘de buren’, wat jammer is omdat het gedicht daardoor te concreet wordt. Het zijn ‘de mensen’ die verbaasd zijn en door het abstracter te maken toont de dichter zich als een speelbal van het universum tegenover de wereld der mensen. Het licht in haar kamer is als het ware een toneelscène geworden waar men haar zielenstrijd kan volgen.

Het derde gedicht » In der Regenrinne badet ein Vogel « ontwikkelen de laatste regels een prachtig beeld. De dichter begint met te kijken naar een vogel in de dakgoot, (Jellema vertaalt » Regenrinne « met ‘goot’ wat een onjuiste associatie kan oproepen), de maan wordt wanneer die naar het oosten kijken in de vogelogen weerspiegeld. Het oosten is het avondrood en de richting der doden. En dit staat in contrast met:

Voor levenden staat elke richting open,
daarom mag de vogel westwaarts vliegen
en de wolk naar het zuiden.
Onbegrijpelijk is de loop van de aarde.
Misschien doorkruist zij alleen maar steeds weer
het hart van een engel, die zelf nog op zoek is
en nimmer de juiste richting kan vinden
waar het ogenblik dragelijk wordt.

Wie de gedichten van Christine Lavant niet gelezen heeft, is een beklagenswaardige.

Advertenties