christine lavant – thomas bernhard – c.o. jellema

door johan_velter

christine lavant

In de Thomas Bernhard-biografie van Gitta Honegger (» Thomas Bernhard : was ist das für ein Narr? «, Propylaën, 2003, uit het Engels vertaald) wordt Christine Lavant slechts 1 x genoemd. In de Thomas Bernhard-biografie van Manfred Mittermayer (» Thomas Bernhard : eine Biografie «, Residenz Verlag, 2015) wordt Christine Lavant 5 x genoemd, soms in langere passages. Het verschil is groot en belangrijk. In de recente biografie wordt Bernhard in een context geschetst, er wordt nagegaan in hoeverre hij steunde op een netwerk om te worden wie hij geworden is. Het oeuvre krijgt daardoor een belangrijke sociologische basis en de inhoud komt in een ander licht te staan. Zjef Vanuytzel: ‘Je kunt niet zonder de anderen’.

Christine Lavant (1915-1973) en Thomas Bernhard verkeerden in dezelfde kring van het Tonhof van Gerhard en Maja Lampersberg. Daar heeft Bernhard Lavant leren kennen en daar heeft Lavant anderen voor het gevaar Bernhard gewaarschuwd. Lavant was ouder dan Bernhard toen, maar alhoewel ze iets bekender was, bekleedde ze toch nog een marginale positie. Gedichten van haar werden weliswaar getoonzet en ze verkeerde in dichterskringen maar omwille van haar uitgesproken katholicisme (alhoewel het naoorlogse katholicisme minder rechts was dan in de Vlaamse provincie) wist men toch niet goed wat aan te vangen met deze poëzie. Heinrich Böll was ook een uitgesproken katholiek maar zijn sociale bekommernis en zijn pogingen om de katholieke Kerk tot een zeker modernisme te bewegen, maakten hem sympathiek en ‘1 van ons’ – door sommigen ook gezien als ‘een nuttige idioot’.

Ook de positie van Bernhard is ambivalent gebleven. Hij is 1 van de grote modernistische auteurs maar in dat oeuvre zit een antimodernistische reflex, misschien wel de grote voedingsbodem van zijn literaire en intellectuele kracht. En zoals bij alle personen die op de levensweg van Bernhard gepasseerd zijn, bleef hij ook tegenover de poëzie van Lavant ambivalent staan. Hij was echter wel in staat om de poëzie los te zien van het sentimentele katholicisme. Twee jaar voor zijn dood heeft Bernhard een anthologie van de Lavant-poëzie uitgegeven, een niet onbelangrijke daad voor een schrijver. Natuurlijk is dit met een hoop tribulaties gepaard gegaan, het verslag daarvan is te lezen in de briefwisseling tussen Bernhard en zijn uitgever Siegfried Unseld (Suhrkamp, 2009, p. 769 en volgende). Aan Elisabeth Borchers die als redacteur bij Suhrkamp werkte, schreef hij met zijn geduchte Witz: » Ich will die Lavantgedichte aussuchen und freu mich ganz und gar insgeheim auf den Schmalband für glückliche Trauertage im Herbst. « Onthutsend is zijn beschrijving van het oeuvre: »Was die Lavant betrifft, so liegt zwischen absoluten Höhepunkten ihrer Erfindungen und also Höhepunkten der deutschen Lyrik, unglaublich viel Kitsch-Müll; Leerlauf-Gott und Massen-Mohn überschwemmen die Seiten der im Müller-Verlag veröffentlichen Bücher. Die Gedichte in > Kunst wie meine … < sind fast alle abstossend. « Hij schrijft verder dat het katholiek-leugenachtige in deze gedichten nauwelijks uit te houden is, haar proza afschuwelijk sentimenteel infantiel is, bijna louter huichelarij, het godsdienstige kinderlijk. Maar ze bezit een groot dichterschap. Ook over haar leven is hij genadeloos, onsentimenteel scherp, maar dit heeft een doel, zie het contrast tussen de eerste 2 zinnen en de derde – en hoe komt het dat we bij deze passage aan Michel Houellebecq moeten denken : de troosteloosheid van de ‘moderne’ stad, de grenzeloze eenzaamheid van de gevoelige mens, de nutteloosheid van cultuur voor deze wereld? : » Die Lavant war ein völlig ungeistige, sehr gescheite, durchtriebene. Sie wohnte auf der Betondecke eines Supermarktes an einer Strassenkreuzung in Wolfsberg mit einer Riesentankstelle und tippte ihre Gedichte gleich in die Maschine. Das ist für mich grossartiger, als das verlogene Weltfremdmärchen mit katholischer Talschlussromantik, das gottbefohlene, das um sie bis heute immer verbreitet worden ist. « Bernhard wilde met zijn anthologie Lavant van haar sentimenteel-katholicisme bevrijden om zo haar grootsheid te tonen.

christine lavant_bernhard

Merkwaardig is ook nog zijn Notiz op het einde van de bloemlezing (» Gedichte «, Christine Lavant ; herausgegeben von Thomas Bernhard, Suhrkamp, 1988) die bestaat uit 2 zinnen, maar welke zinnen!: » Dieses Buch dokumentiert die Chronologie der Christine Lavant, die bis zu ihrem Tod weder Ruhe noch Frieden gefunden hat und die in ihrer Existenz durch sich selbst gepeinigt und in ihrem christlich-katholischen Glauben zerstört und verraten war ; es ist das elementare Zeugnis eines von allen guten Geistern miβbrauchten Menschen als groβe Dichtung, die in der Welt noch nicht so, wie sie es verdient, bekannt ist. Diese Auswahl folgt nur meinem Verstand, keinem andern. Thomas Bernhard «

En wat moet Bernhard aangetrokken hebben in dat oeuvre? De gepijnigde existentie, de mens die door een ziek lichaam aftakelt en wiens denken en leven daardoor aangetast worden. Het bijna expressionistisch-sentimenteel belijden, getuigenis afleggen maar die dat in heldere momenten op een ijsscherpe manier doet waardoor de afval in die poëzie (in zijn proza) begint te glinsteren en een functie krijgt: de massa doet de eenling schitteren.

Während ich, Betrübte, schreibe,
funkelt in der Vollmondscheibe
jenes Wort, […]

Er is een zeer grote verbondenheid met Trakl, ook in de beelden: sterren, maan, schaduw, gezicht.

Net zoals Thomas Bernhard in zijn gedichten de merel heeft opgenomen, heeft ook Christine Lavant dit gedaan. Maar waar Bernhard ‘echte’ merelgedichten geschreven heeft (de merel als motief genomen en ontwikkeld), heeft Lavant de merel slechts opgenomen als een zijdelings gegeven. Lavant schreef titelloze gedichten, een bijzonder modernistisch inzicht, en dus spreek ik over het gedicht met de beginregel » Wenn es die Amsel nicht war, war es die Agelaster. « (Agelaster is Elster, ekster), ze stelt dus de lijsterfamilie tegenover de raven. Of het nu het gezang van de lijster is, of het gekras van de ekster, een mens moet opstaan. Lavant speelt met het woord ‘gehorchen’: luisteren naar (de vogels) en gehoorzamen (aan maatschappelijk regeldom): beter is het te ‘voelen’ want van het gehoorzamen wordt men gek. (En misschien mogen we het ‘gehorchen’ ook associëren met het denken, dan gaat dit gedicht over de tweespalt gevoel-ratio, want luisteren/gehoorzamen veronderstelt een massa, het gevoel is een individuele zaak.)

In het Nederlandse taalgebied heeft C.O. Jellema gedichten van Christine Lavant vertaald (Stefaan en Anke Van den Brempt hebben bij uitgeverij P een bloemlezing van haar werk uitgegeven, De wilde zijtak van de slaap, 2004). Dit is niet zo verrassend: in de poëzie van Jellema staat god centraal, er is een kennis en overstijging van het modernisme, er is een gelijk ‘conservatisme’ aanwezig en de seksualiteit wordt op een individuele manier beleefd. Christine Lavant is geen vreemde in het rijtje vertaalde auteurs van Jellema. De verwantschap met Benn, Celan, George, Trakl, Rilke zijn evident. In het Verzameld werk – gedichten (Querido, 2005) zijn 9 vertaalde gedichten van Lavant opgenomen. Het gedicht ‘De zonnebloem straalt helder door de tijd,’ bevat de mooie gedachte ‘de laatste vogels – bevende gedachten! –‘. Er is van deze selectie slechts 1 gedicht dat ook in de bloemlezing van Thomas Bernhard opgenomen is: » Des Nachbars Perlhuhn schreit wie eine Uhr « , vertaald als ‘Zo regelmatig als een uurwerk krijt / het parelhoen hiernaast, om gek te worden / zo onverstoorbaar, […]’ – dat de dichter zich ergert, wordt vandaag niet meer aanvaard: in de naam van de verdraagzaamheid en de politieke correctheid wordt de terreur tot norm verheven. De regelval is bij Jellema anders dan bij Lavant waardoor het ritme verandert. Het gedicht valt in twee stukken uiteen zonder dat dit typografisch door de dichter aangegeven is. In het eerste deel hoort ze de parelhoen, de hond die tegen het hoen tekeergaat, een dove komt bedelen, de herfstmaan is ver weg en onaangedaan, de wilgenbladeren drijven weg, de nagelbloemen zijn bijna uitgebloeid: natuur en mens zijn gescheiden. De natuur is geen troost en de enige mens die voorbijkomt is doof en hoopt.

Maar dan: » Das Perlhuhn schweigt, – ein rostig-brauner Hahn / kommt ihm fast höflich durch die Nacht entgegen. « – ʺ‘t Parelhoen zwijgt, – een roestig-bruine haan / komt door de nacht haar hoflijk tegemoet.” De dove is binnen genood, de hond houdt zich koest. En dan de bevrijding, los te mogen komen van de wereld. Helaas is de terreur in het hoofd geslagen – maar de maan komt naderbij en is een troost. En dan sluit de cirkel zich: als de parelhoen zo regelmatig krijste als een uurwerk, zo begint de dichter nu haar gebed. Zoals de haan het hoen naderde, zo treedt de maan naar voren.

Nu niets meer van de dag te hoeven weten!
Maar ik keer ’t kussen om en om, want zo
diep in mijn schedel heeft zijn schrille kreten
het parelhoen verstopt. Dan komt de maan
vanuit de sterrenrij met trage tred
tot aan mijn venster als een gele haan.
‘k Begin gelijk een uurwerk een gebed.

Het oorspronkelijke gedicht is beter, krachtiger van taal (de woorden afkappen, zoals Jellema doet, heeft een kinderlijke bijbetekenis), de gedachte duidelijker want natuurlijker in het ritme.

Jetzt dürfte man vom Tage nichts mehr wissen!
Ich aber wende immerfort das Kissen;
denn unter meinem Schädel irgendwo
verbarg das Perlhuhn seine schrillen Schreie.
Der Mond tritt langsam aus der Sternenreihe
und an mein Fenster als ein gelber Hahn.
Wie eine Uhr fang ich zu beten an.

Beeld Lavant: Picture Alliance / Imagno / Votava

Advertenties