een denker, een dichter

door johan_velter

hans-vlek

Wat een armzalige en beangstigende tijd maken we mee. Niet alleen bestaat links niet meer, links is rechts en samen vormt men de domme macht die maar al te blij is waarheidssprekers te kunnen vermoorden. Ach, het kapitaal lokt en stinkt. Waar links vroeger voor een open en democratisch rationalisme stond, is links verworden tot een ordinair machtsdenken dat in dienst van kapitaal en kerk/moskee staat. Is het nu Erdopa of Eurogan? En het gaat niet over de persoon – het gaat om een manier van denken en handelen: de goedkeuring van het versmoren, la pensée unique omdat men niet in staat is twee partikels naast elkaar te zetten.

Hoe armzalig is onze tijd dat gestorven dichters slechts dan gelezen worden en dat van hen alleen nog de grappen overblijven? Hans Vlek veranderde op zeker moment, helft jaren 80, zijn naam in Hans R. Vlek om daarmee aan te duiden dat hij een nieuw dichterschap aanvaard had. Maar wat herinnert men zich? De vroege, snelle prijzen, de gedichten van alledaagsheid en dan de neergang, de psychiatrische instellingen, zijn krankzinnigheid. Er wordt gezegd dat hij schilderde, niets van gezien, niets te vinden op het internet. En ook daar: er is geen ernstige informatie te vinden.

Maar er is dus die andere Hans R. Vlek, niet de waanzinnige, niet de ding-dichter, maar de intellectueel, de archeoloog, de historicus. In Nederlandstalig België wordt de relatie tussen het kunstenaarschap en de waanzin op een kunstmatige manier in stand gehouden en bevorderd door het Guislain-museum, niet toevallig een katholieke instelling die steunt op een anti-humanistisch mensbeeld, gevoed door Franse ondenkers en Amerikaanse propagandisten.

Die eerste dichter, Hans Vlek, was helemaal geen slechte dichter, integendeel – wel is het etiket dat men hem opgekleefd heeft niet correct. Ook toen was hij al meer waard dan de groep waarin hij gestoken werd. Maar toch : te veel kolder.

Hans R. Vlek is de dichter van (o.a.) de bundel Boghazkøy (Querido, 1987) – een titel die bij haast niemand een bel doet rinkelen en dus fundamenteel vreemd is. Boghazkøy is de naam van de plek in Turkije waar nu nog resten van de Hattische cultuur te vinden zijn. Het is naar die cultuur dat Hans R. Vlek wilde ‘terugkeren’: vóór de tijd van het christendom maar ook vóór de tijd van de Griekse en de Romeinse cultuur – de apollinische én dionysische cultus voorbij. Het voornaamste daarbij was zijn  kritiek op de machts- en beheersingscultuur van die denk- en geloofssystemen –ook de islam betrok hij in zijn kritiek. Kritiek? Was Hans R. Vlek een criticus of een dichter? Hij was een dichter die nagedacht had en zijn denkprocessen in verzen vastlegde. En niet: hij dichtte niet al denkend of dacht al denkend: er waren twee processen. Twee motto’s gingen deze bundel vooraf. Genesis 41:45, waarmee verwezen wordt naar de 2 dromen van Farao (over de zeven koeien en de zeven aren: de magere en de vette jaren). Het tweede motto was een citaat van Bertolt Brecht uit Fragen eines lesenden Arbeiters : » Wer baute das siebentorige Theben? «. Het antwoord is: de arbeiders, de slaven hebben het gedaan en de koningen zijn herinnerd – hoe cynisch is onze tijd met het herinneren van dichters.

De gedichten in Boghazkøy zijn tegelijkertijd verhalend en betogend. Men moet veel opzoeken, een encyclopedie die verder reikt dan Wikipedia is daarbij aangenaam. Hans R. Vlek betoogt en dicht dat de Hattische cultuur een hoogstaande cultuur was, met zijn dichterschap tracht hij de eeuwen te overbruggen om een glimp van dat ‘normale’ op te roepen en dit met een verlangen naar een betere wereld – een wereld die hij zelf nooit heeft mogen kennen.

En wellicht geneest ooit nog mystiek en mythisch dichten
velen van hun dogmatische staar naar rome jeruzalem en mekka

benares zelfs: de mannen en vrouwen van Hurri en Hatti
hielden een paradijs tussen de ogen geborgen

Advertenties