bert voeten – het leven en wallace stevens (b)

door johan_velter

bert voeten_wallace stevens_adagia

Bert Voeten gebruikte in zijn poëzie op nog een andere plaats een motto van Stevens, het gaat vooraf aan de bundel Er gebeuren geen wonderen: een bloemlezing uit 1963: ‘The greatest poverty is not to live / In a physical world, to feel that one’s desire / Is too difficult to tell from despair.’ Het zijn verzen uit het eveneens lange gedicht ‘Esthétique du mal’, meer specifiek de beginregels van het 15de gedicht,  te vinden in de bundel Transport to summer. In dit gedicht, zoals zoveel andere gedichten, ‘belijdt’ Wallace Stevens zijn levensopvatting: een realistisch (filosofisch geformuleerd: een naturalistisch) humanisme, geworteld in de wereld, reikend naar het beste van de mens. Het is verleidelijk ook dit gedicht al te autobiografisch te lezen, beter is het de intellectuele dichter te zien.

In het Americana-nummer van het tijdschrift Raster (nrs. 27-28, 1983) verschenen enkele adagia van Wallace Stevens, gekozen en vertaald door Bert Voeten. Adagia is een bundel, verzameling spreekwoorden – het meest gekend en nu het minst gelezen en begrepen is die van Erasmus, een bloemlezing spreekwoorden, levenswijsheden. Het is opvallend dat Stevens eenzelfde benaming gekozen heeft voor zijn verzameling, daarmee aangevend hoe ver en buiten de tijd hij wilde staan. Ook zijn tijd was immers al gekenmerkt door een jacht op bling en een afkeer van inhoud. Zijn adagia cirkelen rond wat hem in zijn leven bewoog en wat de mens zou moeten bewegen. Veel gedachten gaan over de poëzie en de kunst, we zouden het een poëtica kunnen noemen, maar even goed een livre d’heures.

Deze Raster-selectie werd in 1991 in een boekwerkje verzameld en door de Avalon Pers van Jan Keijser in een oplage van 49 exemplaren gedrukt. De vormgeving van Raster, alle spraken gescheiden door een asterisk, werd overgenomen. Bert Voeten heeft een mooie keuze gemaakt, uiteraard met een speciale belangstelling voor de poëzie en zijn eigen praktijk – elke handeling is een daad. De volledige reeks Adagia van Stevens bevat tegenstrijdigheden, onnauwkeurigheden en al te algemene uitspraken – maar dit is eigen aan het genre. Voor elke spreuk een antispreuk. Toch moet daarom de waarheid van elkaars tegenspraak niet ontkend worden: elke waarheid is in de eigen omgeving een waarheid die ook een leugen kan worden – als de tijd en de plaats veranderd zijn.

Eigenlijk is het jammer dat de adagia zonder commentaar zijn opgenomen – ik had graag de verantwoording van Bert Voeten gelezen, de rechtvaardiging van zijn keuze en waarom hij precies die in 1983 wilde vertalen en tonen aan anderen, medeschrijvers en -lezers. Ook zou het mooi zijn bij de afzonderlijke adagia zijn commentaar te horen. Nu moeten we het doen met een keuze die op zichzelf staat en zichzelf rechtvaardigen moet.

Wallace Stevens: ‘Poetry is a form of melancholia. Or rather, in melancholy it is one of the ‘aultres choses solatieuses’. Bert Voeten: ‘Poëzie is een vorm van zwaarmoedigheid. Of liever: in zwaarmoedigheid is het een van de ‘aultres choses solatieuses’. Poëzie behoort tot de aangenaamheden van het leven, ze verzoet, ze verstilt. Het Frans verwijst hier rechtstreeks naar Maurice Scève en zijn Délie, Stevens was een liefhebber van de Europese cultuur en de verwijzingen die we eerder al gelegd hebben naar de troubadourspoëzie wordt hiermee versterkt.

Wallace Stevens: ‘Poetry is not personal.’ – Bert Voeten: ‘Poëzie is niet persoonlijk.’ Beide dichters hebben in hun eigen praktijk deze woorden ook gedeeltelijk ontkend: hun poëzie was dikwijls persoonlijk (en bij Bert Voeten eigenlijk altijd) geïnspireerd maar zeker voor Wallace Stevens oversteeg die poëzie de anekdote – het is precies daarom dat hij een intellectueel dichter genoemd kan worden. Het grote belang van Wallace Stevens is dat hij aantoont dat er achter de realiteit gekeken kan worden zonder dat men moet vervallen in een simplistisch essentialisme of een reactionaire metafysica (heeft u er ook al opgelet dat er nu weer gesproken wordt over ‘Het Kwaad’, net alsof dit bestaat als buitenmenselijke categorie – metafysica en godsdienst zijn de denksystemen van de onderdrukking). Stevens spreekt over een vulgaire en een ‘echte’ realiteit, maar dit ‘echte’ is geen afzonderlijke entiteit maar een categorie van het denken: het is de mens die de wereld bekijkt en betekenis geeft. Het denken maakt de werkelijkheid. Of deze: ‘Sentimentality is a failure of feeling.’ – ‘Sentimentaliteit is een manco van het gevoel.’ Uiteraard gaat dit over kunst, maar dit is een levenswijsheid, een correctie op de tijd, het menselijk tekort, een geestelijke luiheid.

Of neem een spreuk als ‘To live in a world but outside of existing conceptions of it.’, door Bert Voeten vertaald als: ‘In de wereld leven maar buiten de bestaande concepties ervan.’ Ook dit is een Europese traditie (Pour vivre heureux, vivons caché komt dicht in de buurt): het in de wereld staan, maar de wereld anders denken dan de goegemeente. De denker wordt steeds achtervolgd door het klootjesvolk dat zijn gram wil halen voor de eigen domheid.

Maar wat moet je denken van een uitspraak als ‘Een gedicht is een fazant.’ (En de fazant komt meerdere keren voor.) Of ‘Beschrijving is een element, als lucht of water.’ Jazeker, men kan doordenken, maar men kan er ook doorheen denken.

Er is wijsheid, er is overdonderende wijsheid. ‘De esthetiek is de maat van een beschaving ; niet de enige maat, maar een maat.’ Hier doet Voeten Stevens te kort want deze gebruikt het Franse woord Esthétique voor het vertaalde ‘Esthetiek’ waardoor Voeten de verfijnde, bijna decadente sfeer laat vallen. In de betekenis van Stevens is dit een levenshouding (ze nadert het dandyisme) en niet zomaar een attribuut. ‘Abstraction is a part of idealism. It is in that sense that it is ugly.’ – Picasso tegenover Mondriaan ; het idealisme van de islam tegenover de zoekende lezer.

Een door en door humanistisch denken en leven gaat verder dan de werkelijkheid, wat wij het vulgaire noemen – het is niet toevallig dat men het leven wil beheren alsof het een bestekkoffer is. ‘Reality is the spirit’s true center.’ maar ook ‘Reality is not what it is. It consists of the many realities which it can be made into.’ (De realiteit is niet wat ze is. Ze bestaat uit de vele realiteiten die men ervan kan maken.’).

Met de laatste 5 uitspraken verlaat Bert Voeten strikt genomen de Adagia van Stevens en hij maakt een keuze uit de sectie ‘From miscellaneous notebooks’ (en de laatste 2 zijn gekozen uit het eerste deel van de ‘Aphorisms’), een niet afgemaakte reeks gedachten. Waar Stevens twee gedachten als gedichten presenteert, schrijft Voeten die aan elkaar zodat ze aforismen lijken:

Reality is a cliché
From which we escape by metaphor
It is only au pays de la métaphore
Qu’on est poète.

Bert Voeten: ‘De realiteit is een cliché waaraan we ontsnappen via de metafoor. Het is alleen au pays de la métaphore qu’on est poète.

Hier lijkt Stevens (maar het is ‘een niet-geautoriseerde notitie’) het symbolisme als een betere wereld te zien, een denkrichting die het betere los- en vastmaakt.

The degrees of metaphor
The absolute object slightly turned
Is a metaphor of the object.

Bert Voeten: ‘De metaforische graden. Het absolute object lichtelijk gedraaid is een metafoor van het object.’ – ook hier weer: de blik van de mens maakt het ding.

De laatste 2 uitspraken volgen niet de rangschikking van Wallace Stevens – hier maakt Bert Voeten zijn eigen programma.  De voorlaatste en laatste spreuk komen weliswaar net zoals de Adagia uit de ‘Aphorisms’ maar nu uit de reeks ‘From Sur plusieurs beaux subjects’ – in het Opus posthumous (Faber and Faber, revised and enlarged edition 1990) te vinden op p. 183 als eerste deel van de ‘Aphorisms’, waarvan ‘Adagia’ het tweede deel is. Bert Voeten sluit zijn selectie met ‘Op de lange duur doet de waarheid er niet toe.’ – ‘In the long run the truth does not matter.’ Dit is geen pleidooi voor de leugen of de losbandige fantasie, maar wel een afscheid van de wereld der feiten, Ludwig Wittgenstein naderend.

Advertisements