bert voeten – het leven en wallace stevens (a)

door johan_velter

bert voeten_wallace stevens_1

Al hebben weinigen gehoord van Bert Voeten (1918-1992), toch heeft menigeen – maar ook niet zo velen – werk van hem gehoord en gezien. Shakespeare-vertolkers gebruik(t)en liever de vertalingen van Voeten dan die van Willy Courteaux. Het werk van de tweede is trouwer aan Shakespeare, zijn tijd en zijn taal maar dit maakt de teksten ook moeilijker: het werk van Courteaux is te literair, te verantwoord – zijn Shakespeare is een boekenShakespeare geworden, geen theaterShakespeare. Bert Voeten is geen lichtvoetige vertaler maar hij houdt meer rekening met het publiek.

Met hem komt ook de ellende van de naoorlogse periode in herinnering. Schrijvers die uit armoede niet weten waar te wonen, hoe te leven, hoe kinderen op te voeden, die van het ene baantje in het andere sukkelen, die feesten moeten om het leven zinvol te houden. Ook Bert Voeten vertaalde om in leven te blijven. Hij heeft jarenlang in het Witsenhuis in Amsterdam gewoond, zijn dochter, Jessica, heeft daarvan verslag gedaan. Het motto van Het bittere kruid (1957) van Margo Minco: ‘Er rijdt door mijn hoofd een trein / vol joden, / ik leg het verleden / als een wissel om …’ is van Bert Voeten, haar echtgenoot. Het gedicht, ‘De trein’, staat in de bundel Menselijkerwijs (1958).

Bert Voeten is een wat vergeten dichter, maar hij heeft enkele jaren gelden toch een verzameld werk van zijn gedichten gekregen. In zijn bundels gebruikte hij geregeld motto’s, zoals van Adriaan Roland Holst , Shakespeare, P.B. Shelley ‘(I call the phantoms of a thousand hours / Each from his voiceless grave’, Het verbond der droomen, 1946), maar ook van Oscar Wilde, T.S. Eliot, Paul Eluard, Robert Desnos en Wallace Stevens. Hij vertaalde gedichten van Trakl, Eliot, Patchen, Dylan Thomas, David Rokeah, Jacques Prévert, Paul Eluard.

Om nog maar eens aan te tonen hoe internationaal de Nederlandstalige literatuur al altijd geweest is (en hoe die invloed merkwaardig genoeg toch zeer klein gebleven is).

Bert Voeten (1918-1992) schreef verhalende, anekdotische poëzie over de gekende onderwerpen: liefde, seizoenen, weemoed, dood en epische poëzie om dan later nog ‘barbarber-poëzie te schrijven, opgedragen aan K. Schippers (deze laatste een super-Wallace Stevens geworden). Weer het merkwaardige: hoe kan iemand leven met enerzijds de woedende, razende kracht van Shakespeare om dan een eigen poëzie te schrijven die niet veel verder reikt dan het zelf. Nummer IV, van de Sonnetten voor Solaria, 1945, het eerste gedicht van de reeks ‘Drie seizoenen’, is daarvan een voorbeeld:

‘De eerste merels riepen in de hagen;
de bongerd was een bruidsstoet in den wind;
onder het venster zong een spelend kind
als wij nog droomend op de kussens lagen.’

De merel roept de lente, en daarmee ook het verlangen, op. En in die verzen lezen we een echo van Martinus Nijhoff. In 1959 kreeg Bert Voeten de Martinus-Nijhoffprijs voor vertalingen, vooral voor die uit het Engels. Bert Voeten schreef het gedicht ‘Uitvaart van Martinus Nijhoff’ dat eindigt met ‘Onder de blote / bomen, bij de / hijgende zee, / een winterochtend, / lieten wij hem / achter met de / witte bloemen / van ons vaarwel.’

Koos Schuur (1915-1995) was in zijn tijd bekender dan nu, hij werd door sommigen bij de Vijftigers gerekend, in retrospect een overgangsfiguur: nog geworteld in het oude, al het nieuwe ziend – maar braaf gebleven. Ook hij was een vertaler. Hij vertaalde gedichten van Kenneth Patchen, Tristan Corbière, Paul Valéry, Paul Eluard, Henri Michaux, Ezra Pound, Dylan Thomas, David Gascogne. Zijn briefwisseling met Jan G. Elburg is door Siem Bakker uitgegeven (Een halve eeuw vriendschap : twee Vijftigers in brieven 1943-1992, Meulenhoff, 2012). Voor de vijftigste verjaardag van Bert Voeten schreef Koos Schuur een gedicht, ‘voor bert voeten vijftig zes zeven achtenzestig’ (wat begrepen moet worden als: vijftig jaar op 6 juli 1968). Het gedicht verscheen in de bundel Waar het was (De Bezige Bij, 1980). Het is een weemoedig gedicht, het roept een wereld van oude mannen op die een gezamenlijk verleden hebben en nauwelijks nog toekomst. Ze hebben de wederopbouw tot de hunne gemaakt, eindelijk hadden ze weer zekerheid en de jongeren (waartoe ook zijzelf behoorden) hebben die wereld een schop gegeven. Centraal in het gedicht staat het begrip verandering (en dus tijd) en hoe alles toch hetzelfde gebleven is. De slotwoorden ‘dus : oog in oog is er niets / veranderd) wordt door het gedicht zelf weersproken. Wat niet veranderd is, zijn de mannen (‘bert bert geert gerrit wim willem en ik’) en het scepticisme: ‘iedere frase is acceptabel iedere mogelijkheid / een overweging waard een feit zo men wil’.

bert voeten_wallace stevens_2

De bundel De tijd te lijf en andere gedichten van Bert Voeten verscheen in 1961 bij De Bezige Bij en was opgedragen aan Marga [Minco]. De tweede, naamloze, reeks begint met een citaat van Wallace Stevens: We seek nothing beyond reality, een regel uit het lange gedicht (dat zelf bestaat uit ‘An ordinary evening in New Haven’, een gedicht dat, althans naar ik weet, nooit in het Nederlands vertaald werd. Zeer ten onrechte – ook. In The collected poems of Wallace Stevens (Alfred A. Knopf, 1968) te vinden op de pagina’s 465-489, ik geef de pagina’s om het aantal verzen niet te moeten tellen. Merkwaardig genoeg bevat de cyclus gedichten van Bert Voeten die na dit motto volgt, uitsluitend gedichten die betrekking hebben op Frankrijk.

Het citaat van Wallace Stevens is te vinden in het negende gedicht uit die reeks van 31 gedichten en weer gaat het over de verhouding tussen werkelijkheid en verbeelding, via een omweg een rechtvaardiging van het bestaan ook. Maar werkelijkheid is niet alleen de ezel die we dagelijks zien, maar ook de geschilderde ezel. De wereld bestaat uit alchemistische elementen, ze veranderen onze blik in het humane. Stevens is, zoals alle intellectuelen, een adept van Ovidius: de wereld is wat ze is, ze kan beter. We moeten achter de dingen kunnen kijken en daarvoor is verbeelding en intelligentie nodig. Het zijn de dommeriken die slechts zien wat er te zien is – wij kennen ze en ondergaan hun domheid. Cultuur daarentegen, is wat toegevoegd wordt: het is de lach, de bevrijding, de satire, de kennis die voor hen een belediging is.

En wat doet Bert Voeten met dit citaat? Hij vertelt over ‘een reis’ naar Frankrijk, maar in het eerste gedicht zet hij een andere toon: het gaat over taal die het individu overstijgt:

’s Avonds op een dorpsplein
achter zingende dranken
weet de taal van geen ophouden
reist ons voorbij
raakt een doel
dat wij nooit zullen bereiken.

In deze verzen kunnen we ook de teloorgang van het taaldenken lezen: de taal die niet langer een instrument is, maar als een metafysisch ding gezien wordt dat de mens overstijgt, waar de mens geen vat op heeft. De taal als een virus. Waardoor het rationele denken verloren gegaan is. Dit is niet echt de ‘visie’ van Bert Voeten maar hij leeft en schrijft wel in dit klimaat. De gedichten lijken slechts beschrijving te zijn maar telkens weer weet Bert Voeten een raadselachtigheid (het leven zelf dus) toe te voegen. In ‘Rouen’ ziet hij de schim van Jeanne d’Arc, in ‘Forêt du Grand Eu’ de stilte, in ‘Normandië’ de oorlogsdoden, enzovoort. Het zijn schuldige landschappen, beelden die een verleden hebben. De gedichten zijn daardoor onheilspellend geworden – er is geen ‘o la la’ maar een besef van vernietiging, moord, dood. In het gedicht ‘Cancale’ is er echter wel een overwinning, een glimp van hoop, een begin van overwinning op natuur en oorlog: ‘De kinderen zitten in tonnen / de zon te bedotten.’ – maar tegelijkertijd roept dit de oorlogservaringen op: kinderen die niet in de vrije ruimte mogen leven maar zich op onderduikadressen hebben moeten verbergen. Een tijd die elke dag weer dichter komt.

De gedichten zijn een terugkeer naar het leven: ‘Met mijn hand op je hart : dit zou / de dood beschaamd moeten maken.’ (‘Rothéneuf’) ; ‘Onbedaarlijk schoon geneest de aarde.’ (‘Saint-Servan’) ; ‘De herhaling is nooit eentonig.’ (‘Bretonse namiddag’). Telkens weer is het een bezweren dat de wereld die wereld niet is – in het geval van Bert Voeten moet men de slachtpartijen op de Joden steeds in gedachten houden. Hoe kan een overlevende nog in die wereld leven? Hoe kan één die ooit opgejaagd werd, de ander nog vertrouwen?

De strofe ‘Alleen de reis / de voortdurende nadering / de eindeloos verschuivende / bestemming / is wat wij ervaren.’ uit het gedicht ‘Onderweg’ mag als een bijna-illustratie van het Wallace Stevens-gedicht begrepen worden. (Toch is Stevens beeldender dan Voeten: hij omcirkelt veel meer dan Bert Voeten die nog een teveel aan geografische werkelijkheid nodig heeft.) Er is nauwelijks een resultaat, het leven is als een reis van hotel naar hotel, er is geen geborgenheid, alles is vreemd – en wat is de waarde van poëzie, van taal dan? De vertwijfeling van Bert Voeten, de laatste strofe uit deze reeks:

Leven, maar te groen om in te geloven
wanneer men tastenderwijs als een mol zijn eigen
gangen nagaat, wortels naar boven stoot,
taalgroei, levende aarde.

Als slot, Bert Voeten schreef een poëzie van het leven, voor een overlevende steeds een herontdekking. Zijn gedicht ‘Er gebeuren geen wonderen’ is een wonderlijk gedicht zoals het het leven bezingt: ‘Geloof niet in wonderen. / […]/ , geloof in / een onherroepelijk leven en leef het zo.’

Beeld: Bert Voeten, De tijd te lijf, , LP 64 (1961) en Menselijkerwijs, LP 15 (1958), De Bezige Bij, omslagen van Jaap Jungcurt, vormgeving van Karel Beunis.

Advertisements