78 manieren om een merel te zien (c)

door johan_velter

zwart-rood_4

VIII.
WS: I know noble accents / And lucid, inescapable rhythms ; / But I know, too, / That the blackbird is involved / In what I know.
HC: Ik ken edele klanken, / En heldere, dringende rijmen ; / Maar ik weet, ook, / Dat de merel gesloten zit / In wat ik weet.
WvT: Ik weet van nobele klemtonen / En heldere, onontkoombare ritmen; / Maar ik weet ook / Dat de merel te maken heeft / Met wat ik weet.
PB: Ik ken de verheven accenten / En het scherpe, onontkoombare rijm; / Maar ik weet ook / Dat de lijster daar altijd / Onbekommerd tussendoor vliegt.
PN: Ik weet van grootse accenten / En heldere, onontkoombare ritmes ; Maar ik weet ook / Dat de merel betrokken is / Bij wat ik weet.
PCa: Ik weet wat verheven klanken zijn / En klare, onontkoombare cadansen, / Maar ik weet ook / Dat de merel betrokken is / In wat ik weet.
PCb: idem
FvdW: Ik weet van imposante accenten / En klare, onontkoombare ritmen ; / Maar ik weet ook, / Dat de merel gemoeid is / In wat ik weet.

De dichter begint met wat hij weet, hij is het centrum: hij kent het verhevene en kan ook helder en rationeel doelmatig (rijm)denken – maar in dat denken zit een onkennis verborgen, een niet-weten dat gekoesterd wordt. Bulthuis interpreteert dit iets anders: binnen de zekere kennis is er steeds ook de onzekerheid (die door de dichter aanvaard wordt). Hij vertaalt wat er niet staat in een poging de poëzie meer poëzie te doen klinken. De dichter is een vakman die met zijn materiaal weet om te gaan, maar er is ook iets dat hem ontsnapt: de geest, de inspiratie, de verbeelding. Willem van Toorn heeft hier de betekenis het minst gegrepen: ‘te maken heeft’ is een te bewuste relatie: de merel is immers datgene dat ontsnapt, niet direct te vatten is – de merel is een ‘ding’, maar ook een schaduw, een klank, een beweging. In het weten zit een diepte die niet te duiden is. Hier is het kijken naar de merel meer een weten van het niet-zichtbare, het weten dat er duisternis is.

IX.
WS: When the blackbird flew out of sight, / It marked the edge / Of one of many circles.
HC: Toen de merel uit het zicht vloog, / Merkte hij de grenzen / Van een der vele cirkels.
WvT: Toen de merel uit het gezicht vloog, / Gaf hij de grens aan / Van één van vele cirkels.
PB: Toen de lijster de wieken nam / Gaf hij de omtrek aan / Van één van de vele cirkels.
PN: Toen de merel uit zicht vloog / Trok ze de omtrek / Van één van de vele cirkels.
PCa: Toen de merel uit het zicht verdween, / Kruiste hij de rand / Van een van veel cirkels.
PCb: Toen de merel uit het zicht verdween, / Markeerde hij de rand / Van een van vele cirkels.
FvdW: Toen de merel uit het zicht vloog, / Gaf het de grens aan / Van een van vele cirkels.

Weer zo’n moeilijk gedicht dat eenvoudig oogt. De laatste regel is eigenlijk enkel bij Claus goed Nederlands. ‘The edge’ moeten we begrijpen als de rand, de omtrek. Maar wat betekent dit, wat zijn de cirkels? Kunnen we dit begrijpen als een afgeronde gedachte – als de merel verdwenen is, als de fantasie haar werk gedaan heeft, dan hebben wijzelf iets verkregen, een waardevol ding tussen de vele mogelijkheden? De merel heeft ons doen kiezen. (In het ‘edge’ horen we dan ‘cutting edge’.) Enkel Willem van Toorn vertaalt ‘sight’ als gezicht, maar wint niets bij omdat een gezicht toch ovaal is. De merel toont ons ‘iets’ wanneer hij verdwenen is: hij laat ons achter na de ‘bevruchting’ met de fantasie en het punt waar hij verdwenen is, is 1 van de vele mogelijkheden. Hier is de merel als de ladder die door de meester weggeduwd wordt. Ook hier is de merel niet zichtbaar en in het volgende gedicht komt er een surreëel beeld bij.

X.
WS: At the sight of blackbirds / Flying in a green light, / Even the bawds of euphony / Would cry out sharply.
HC: Als zij de merels zagen / Die in een groen licht baden, / Zouden zelfs de hoeren der welluidendheid / Hevig schreeuwen.
WvT: Bij het zien van merels / In een groen licht, / Zouden zelfs de koppelaars van de welluidendheid / Snerpende kreten slaken.
PB: Zouden zij lijsters zien overvliegen / In het groene licht, / Dan voelden zelfs de koppelaars / Van de welluidendheid zich opgelucht.
PN: Bij de aanblik van merels / Overvliegend in groen licht, / Zouden zelfs hoerenmadammen / Het uitschreeuwen van extase.
PCa: Zagen zij merels vliegen / In een groen licht, / Zelfs de hoeren van de klank / Zouden het uitkrijsen.
PCb: idem.
FvdW: Bij het zien van merels / Vliegend in een groen licht, / Zouden zelfs de lichtekooien der welluidendheid / Schrille kreten slaken.

De groene kleur is voor Wallace Stevens niet helemaal een positieve kleur, het blauw van de verbeelding staat hoger dan het groen van het leven – maar wacht: er is niet een tegenstelling. Dus: het groene licht is hier dan niet een artificieel licht (van de kaberdoeskes) maar het aardse licht: de merel die binnen het aardse gezien wordt, lokt bij de académiciens een krijsend lawaai uit. Ze zien de waarde van de merel niet, zijn bang en gedragen zich als hysterische vrouwen. Als de academici de merel (als verbeelding) in een groen licht (dus de aardse werkelijkheid) zouden zien, dan zouden ze krijsen. We moeten dus de gedachte omkeren: voor Wallace Stevens moet de verbeelding wél in een aards licht (een aardse sfeer) gehouden worden, hij is geen voorstander van esoterie of metafysische onzin: de verbeelding moet in het leven zelf gehouden worden – en die confrontatie, de combinatie van verbeelding en wereld, is voor de academici, die in een onwerkelijke, onnatuurlijke wereld vertoeven, een gruwel.

XI.
WS: He rode over Connecticut / In a glass coach. / Once, a fear pierced him, / In that he mistook / The shadow of his equipage / For blackbirds.
HC: Hij reed over Connecticut / In een glazen koets, / Angst doorvlamde hem, / Toen hij de schaduw van zijn paarden / Voor merels had herkend.
WvT: Hij reed door Connecticut / In een glazen koets. / Eenmaal doorstak hem een angst, / Namelijk toen hij de schaduw / Van zijn equipage aanzag / Voor merels.
PB: Hij scheerde over Connecticut / In een glazen koets. / Angst stak hem even / Toen hij een seconde lang / De schaduw van zijn koets / Voor een vlucht lijsters aanzag.
PN: Hij reed door Connecticut / In een glazen koets. / Eenmaal werd hij door schrik / Bevangen, omdat hij de schaduw / Van zijn rijtuig aanzag / Voor merels.
PCa: Hij reed Connecticut door / In een glazen koets. / Eenmaal doorpriemde angst hem / Toen hij de schaduw / Van zijn rijtuig verwarde / Met merels.
PCb: idem.
FvdW: Hij reisde over Connecticut / In een glazen koets. / Een keer doorschoot hem de angst, / Aangezien hij / De schaduw van zijn equipage / Voor merels hield.

Enkel Hugo Claus vertaalt ‘equipage’ met paarden, wat weliswaar onjuist is, maar realistisch gezien correct is. Bulthuis gebruikt twee keer het woord koets wat niet met de brontekst overeenstemt. De glazen koets doet denken aan een sprookje, de hij is dus in een sprookje beland, Connecticut is echter een reëel land : weer de fantasie ín de werkelijkheid. Het glas van de koets verwijst naar gedicht VI, het ondoorzichtige, ruwe glas waardoor de schaduw van de merel te zien is. Wat joeg hem schrik aan? Dat hij merels dacht te zien? Of dat de schaduw van de koets (dus niet het echte ding) hem aan merels deed denken? Huub Beurskens schreef over dit gedicht (n.a.v. PCa): ‘Claes maakt van die eerste regel: ‘Hij reed Connecticut door’. Peter Nijmeijer maakte er eerder (in De mooiste van Wallace Stevens, 2003) ‘Hij reed door Connecticut’ van.
Toch levert dat beide keren weinig zin, want te weinig zinvol beeld op. Merels op de grond meteen onder die koets…?
Beeld en (sprookjesachtige) zin komen er wél wanneer de sprookjesachtige glazen koets wordt gezien als een voertuig dat zich in en door de lucht beweegt, dus over Connecticut heen: naar beneden (dwars door zijn glazen koets) kijkend, dus van bovenaf, kan het dan gebeuren dat die ‘Hij’ de schaduw van zijn equipage aanziet voor een vlucht merels. (Een van de grote verschillen tussen de Amerikaanse en de Europese merels is dat die aan de andere kant van de oceaan in troepen vliegen.)
Dat zou ook een goede verklaring zijn voor het ‘afwijkende’ gebruik van het voorzetsel ‘over’. De glazen koets, aldus Eleanor Cook in A Reader’s Guide to Wallace Stevens (Princeton, New Jersey 2007) ‘travels “over Connecticut” (not “through” or “across”, more usual prepositions).’

Toch is het ‘vliegen van de koets’ niet noodzakelijk: de schaduw kan ook naast de wagen te zien zijn: de hij schrikt niet omdat hij merels ziet maar omdat hij in die schaduwen merels ziet, angst verlamt hem omdat hij zich vergist heeft in een dubbel onwaar ding (schaduw – natuurlijk: Plato; rijtuig tegenover merel, of: het functionele tegenover de verbeelding). Hij ziet in de schaduw van het rijtuig een merel, dus de verbeelding – zoals een verliefde ik in de massa telkens weer het gezicht van de geliefde meent te zien. Het gaat hier dan om het onjuiste observeren, m.a.w. een ‘aanval’ op het empirisme: de ogen bedriegen. Ook het argument van de Amerikaanse tegenover de Europese merel klopt niet helemaal omdat Wallace Stevens in zijn gedicht blijkbaar wel de Europese merel in gedachten had (we weten hoe sterk Europees gericht hij was). Nergens in het gedicht wordt over een troep merels gesproken, het gaat steeds om een eenling. Slechts in dit ene gedicht is er een meervoudsvorm: de beweging van de koets wordt verdergezet in een veelheid van merels. Maar kan een glazen koets een schaduw werpen? Bevatten dromen werkelijke schimmen? Of moeten we ons dan toch houden aan de paarden zelf – en dan is de vertaling van Claus niet min.

XII.
WS: The river is moving. / The blackbird must be flying.
HC: De stroom is aan het bewegen. / Nu zal de merel vliegen.
WvT: De rivier is in beweging. / De merel moet wel vliegen.
PB: De rivier beweegt. / Daarboven vast een lijster.
PN: De rivier stroomt voort. / De merel moet zijn opgevlogen.
PCa: De rivier beweegt. / De merel zal wel vliegen.
PCb: idem.
FvdW: De rivier is in beweging. / De merel moet aan het vliegen zijn.

Paul Claes is laconiek, van der Wiel zeker, Claus afwachtend, Bulthuis vermoedend, Nijmeijer veronderstellend, Van Toorn bezwerend. Maar misschien moeten we het gedicht ‘omkerend’ lezen: het is omdat de merel vliegt (werkzaam is) dat de rivier beweegt: door de fantasie wordt de wereld begeesterd, in gang gezet. Zonder de merel, is de wereld dood, beweegt ze niet. Hoe Oosters men Stevens soms ook leest, hij is echt wel de dichter van het Amerikaans pragmatisme.

XIII.
WS: It was evening all afternoon. / It was snowing / And it was going to snow. / The blackbird sat / In the cedar-limbs.
HC: Het was nacht de ganse dag. / Het sneeuwde. / Het zou nog sneeuwen. / De merel zat / In de cedertakken.
WvT: Het was avond de hele middag. / Het sneeuwde. / En het zou gaan sneeuwen. / De merel zat / Tussen de takken van de ceder.
PB: De hele middag was het avond. / Het sneeuwde / En er zat nog wel meer in de lucht. / De lijster zat / In de takken van de ceder.
PN: Het was de hele middag avond. / Het sneeuwde / En het zou blijven sneeuwen. De merel zat in de takken / Van de ceder.
PCa: Het was de hele middag avond. / Het sneeuwde / En het zou nog sneeuwen. / De merel zat / In de cederboom.
PCb: idem.
FvdW: Het was de hele middag avond. / Het sneeuwde / En het zou gaan sneeuwen. / De merel zat / In de armen van de ceder.

Het was de hele dag donker, de sneeuw (die toch wit is) maakte de lucht dik en ondoordringbaar en er zou nog sneeuw vallen. Onverstoord zit de merel in de cederboom en laat de beweging aan de wereld over. In het Nederlands werkt het gelijkstellen van avond en namiddag niet goed. Het ‘nog sneeuwen’ duidt op een tijdloosheid, de mens die maar moet afwachten, hier wordt zijn handelen uitgesteld. De ceder is een eeuwig groene boom, weer die combinatie van het leven (het groen) met de verbeelding (de merel). Het leven geeft hier geborgenheid aan de verbeelding. Er is een cirkelbeweging in het gedicht te bespeuren. Waar de merel in gedicht I een eenzaamheid verbeeldde, heeft hij nu een ‘nest’, een geborgenheid, in de werkelijkheid gevonden.
Wanneer het denken de realiteit verlaat, wordt het metafysische esoterie; wanneer de verbeelding het leven verliest, wordt ze bloedeloos maaksel.

Advertenties