78 manieren om een merel te zien (b)

door johan_velter

zwart-rood_3

De vertaling van het gedicht door Frans van der Wiel heeft uiteraard veel gelijkenissen met wat de andere vertalers gedaan hebben – soms is er toch maar 1 vertaling mogelijk (maar nee, zelfs het evidente kan anders vertaald worden, niet alleen woordelijk ook door de context), maar in andere gevallen wijkt hij af of valt hij in een kuil, waarin ook andere vertalers gevallen kunnen zijn, of in andere. Of zij in andere.

Als we de titels van het gedicht vergelijken dan is het enkel Hugo Claus die het werkwoord zien gebruikt en daarmee maakt hij het kijken bewuster dan de andere vertalers: er is wel degelijk een direct verband tussen kijker en merel. Paul Claes nadert deze visie met het werkwoord ‘bekijken’: ook hier hebben we een actievere en bewustere manier dan het ‘kijken’. Het standpunt is belangrijk: Wallace Stevens hanteert een antropocentrische manier van kijken (en ondanks alle gehoelatroep van Gaia en gelijksoortige anti-denkers, met pseudopornosterren is een ‘dierlijke’ visie nog altijd bij de beesten af – men mag nog pronken met een universitair diploma): niet de merel maar het subject staat centraal. Niet de verbeelding is het centrale element wel het kubistisch denken (want kijken – zich voorstellen – is een denken). Dat Peter Bulthuis ‘blackbird’ met lijster vertaalt is een fout.

I.

WS: Among twenty snowy mountains, / The only moving thing / Was the eye of the blackbird.
HC: Over twintig bergen in de sneeuw / Bewoog alleen, / Het oog van de merel.
WvT: Tussen twintig besneeuwde bergen, / Was het enige dat bewoog / Het oog van de merel.
PB: Tussen twintig besneeuwde bergen / Bewoog alleen / Het oog van de lijster.
PN: Tussen twintig besneeuwde bergen / Was het enige ding dat bewoog / Het oog van de merel.
PCa: Tussen twintig sneeuwbergen / Was het enige wat bewoog / Het oog van de merel.
PCb: Tussen twintig sneeuwbergen / Was het enige dat bewoog / Het oog van de merel.
FvdW: Te midden van twintig besneeuwde bergen / Was het enige dat bewoog / Het oog van de merel.

Enkel Paul Claes spreekt van sneeuwbergen, de tweede regel is bij Claus en Bulthuis de ‘natuurlijkste’. De komma van Willem van Toorn. Het ‘in de sneeuw’ van Claus is plastischer, minder ‘natuurlijk’ en dus poëtischer: de bergen in de sneeuw suggereert een volheid, daar is het bewegend oog van de merel een plastischer element. Er is een volheid, de grootsheid van de natuur, nee, wij spreken niet van het sublieme, en daar, onooglijk klein, een oog. Dat beweegt.

II.

WS: I was of three minds / Like a tree / In which there are three blackbirds.
HC: Ik had drie gedachten, / Als een boom was ik, / Waarin drie merels zouden zitten.
WvT: Ik hinkte op drie gedachten, / Als een boom / Waar drie merels in zitten.
PB: Ik bestond in drieën / Als een boom / Waarin drie lijsters zitten.
PN: Ik hinkte op drie gedachten, / Zoals een boom / Waarin drie merels zitten.
PCa: Ik had drie dingen in de zin, / Als een boom / Waar drie merels in zitten.
PCb: Ik speelde met drie gedachten, / Als een boom / Waarin drie merels zitten.
FvdW: Ik stond in driestrijd, / Als een boom / Waarin drie merels zijn.

Van der Wiel verwijst met zijn ‘driestrijd’ naar het woord ‘tweestrijd’ – wat couranter is dan het ‘three’ van Stevens. Men kan een klankverband horen tussen ‘three’ en ‘tree’ maar ik denk niet dat dit de eerste betekenis is. Er is enerzijds een boom met drie merels, anderzijds een ik met 3 gedachten. Claus blijft het dichtst bij het spreken zelf, zijn werkwoordsvorm wijkt dan weer af. Het hinken van Nijmeijer en Van Toorn en het spelen van Claes liggen dicht bij elkaar. Maar het hinken zou een pendant in het hippen (later) moeten gevonden hebben. Bulthuis blijft het dichtst bij Stevens’ ‘I was of three minds,’ – en misschien is dit nog de beste interpretatie, omwille van het cartesianisme. Er is de onverzettelijkheid van de boom en het gefladder van de gedachten. Lees dit ook sociologisch: de verzekeringenman en de speelsheid van de gedachten.

III.

WS: The blackbird whirled in the autumn winds. / It was a small part of the pantomime.
HC: De merel vlerkte in de herfstwind. / Het was een stukje van de pantomime.
WvT: De merel dwarrelde in de herfstwinden. / Hij was een deeltje van de pantomime.
PB: De lijster dwarrelde door de najaarswinden. / Klein deeltje van de pantomime.
PN: De merel wervelde in de herfstwind. / Ze speelde een kleine rol in de pantomime.
PCa: De merel dwarrelde in de herfstwinden. / Hij was een figurant in de pantomime.
PCb: idem
FvdW: De merel wervelde door de herfstwind. / Het was een klein deel van het gebarenspel.

Wervelen, dwarrelen, vlerken voor het tollend zweven van de merel. De meervoudsvorm ‘winden’ is een echo van de drie gedachten. Door het woord figurant verwijdert Paul Claes zich het verst van de oorspronkelijke woorden maar daardoor maakt hij de merel tegelijk actiever en passiever (want slechts een figurant: er is iets wat nog groter en/of onbekender is.) Verwijst het ‘it’ van Stevens naar de merel of naar het ‘wervelen’? Hier wordt de merel tegenover de natuurkrachten gezien – in de poëtica van Stevens zou de pantomime moeten verwijzen naar het gevlerk van de merel dat echter kunstig is tegenover de chaos van de herfstwinden. Alhoewel het klein is, is het er wel. De merel speelt hier voor een engel van de werkelijkheid.

IV.

WS: A man and a woman / Are one. / A man and a woman and a blackbird / Are one.
HC: Een man en een vrouw / Zijn één. / Een man, een vrouw en een merel / Zijn één.
WvT: Een man en een vrouw / Zijn één. / Een man en een vrouw en een merel / Zijn één.
PB: Een man en een vrouw / Zijn een. / Een man en een vrouw en een lijster / Zijn een.
PN: Een man en een vrouw / Zijn één. / Een man en een vrouw en een merel / Zijn één.
PCa: Een man en een vrouw / Zijn een. / Een man en een vrouw en een merel / Zijn een.
PCb: idem.
FvdW: Een man en een vrouw / Zijn een. / Een man en een vrouw en een merel / Zijn een.

Toch is er in de vertalingen weer variatie. Over de lijster spreken we niet meer. Claus liet in de tweede regel een ‘en’ vallen waardoor hij de eenheid concreter maakte: niet de som maar de nevenstelling werkt hier gebalder en beklemtoont zo meer de eenheid. Het Engelse ‘and’ is soms te retorisch voor het Nederlands. Mogen we hier een overtreffende trap lezen? Man en vrouw zijn weliswaar 1, maar met wat cultuur, civilisatie erbij zijn man en vrouw nog meer 1. Ziet Stevens het koppel tamelijk neutraal (man en vrouw zijn gelijk) of staat de man hier voor de rede en de vrouw voor de natuur, dan is het derde element, de verbeelding weer een illustratie van het gedrieën. Maar ook: een aanvulling op het zichtbare: de merel als de onzichtbare derde die toch de eenheid vol maakt.

V.

WS: I do not know which to prefer, / The beauty of inflections / Or the beauty of innuendoes, / The blackbird whistling / Or just after.
HC: Ik weet niet wat het meest te minnen, / De schoonheid van de buigingen / Of de schoonheid van geheime gedachten / De merel, als hij fluit / Of net erna.
WvT: Ik weet niet wat ik liever heb, / De schoonheid van modulaties / Of de schoonheid van toespelingen, / De merel die fluit / Of net erna.
PB: Ik weet niet wat ik liever heb, / De schoonheid van de nuance / Of de schoonheid van het geschater, / Het geklater van de lijster / Of de stilte even later.
PN: Ik weet niet waar ik de voorkeur aan geef, / De schoonheid van modulaties / Of de schoonheid van insinuaties, / De merel als hij aan het fluiten is / Of net erna.
PCa: Ik weet niet wat ik liever hoor: / De schoonheid van modulaties / Of de schoonheid van evocaties, / De merel als hij fluit / Of juist daarna.
PCb: idem.
FvdW: Ik weet niet wat me liever is, / De schoonheid van stembuigingen / Of de schoonheid van zinspelingen, / De merel die fluit / Of juist daarna.

Wallace Stevens spreekt hier (en dit is een interpretatie) van het vliegen (inflections dan vertaald als buigingen, wendingen en de loutere taalkundige betekenis overstijgend), de raadselachtigheid van het wezen (innuendoes) en het zingen (whistling): de beweging, het zijn, de kunst : de boom der drie gedachten. ‘Slechts op deze manier’ is het niet-weten van Wallace Stevens te verklaren. De laatste regel kan verwijzen naar het zingen maar ook naar wat vooraf gaat: dan is het niet alleen de stilte (na het zingen) maar ook de bewegingloosheid (na het vliegen) en het denken: de roerloosheid. Claus vertaalt lieflijk ‘minnen’ en haalt daardoor een lyrisch element binnen dat wel klopt: er is een verrukking aanwezig. Alle vertalers blijven bij de taalinterpretatie, Claes is daarbij het duidelijkst door het gebruik van het woord ‘horen’ waardoor het drieën (van gedicht II) verloren gaat: het gaat enkel om het zingen van de merel. Insinuaties en toespelingen zijn morele begrippen en zijn voor dit gedicht niet van toepassing. Het gaat nog altijd om kijken, want na het zingen, dus na de trillingen, is de stilte zichtbaar – of niet.

VI.

WS: Icicles filled the long window / With barbaric glass. / The shadow of the blackbird / Crossed it, to and fro. / The mood / Traced in the shadow / An indecipherable cause.
HC: De rijm hing aan het raam / Met barbaarse bloemen. / De schaduw van een merel / Kwam er over en weer. / Mijn weemoed / Ontwaarde in de schaduw / Een onontwarbare reden.
WvT: IJspegels vulden het lange raam / Met barbaars glas. / De schaduw van de merel / Gleed erover heen en weer. / De stemming / Vond sporen in de schaduw / Van een niet te ontcijferen oorzaak.
PB: IJspegels bedekten het woonkamerraam / Met barbaars glas. / Heen en weer schoot daarover / De schaduw van de lijster. / Vermoeden / Verkende in de schaduw / Een onbecijferbaar waarom.
PN: IJspegels bedekten het lange raam / Met barbaars glas. / De schaduw van de merel / Kruiste het heen en weer. / De stemming / Trok in de schaduw / Een onontcijferbare reden.
PCa: IJsnaalden bedekten het brede raam / Met ruwglas. / De schim van de merel / Schoot voorbij, heen en weer. / De stemming / Ontdekte in die schim / Een niet te duiden motief.
PCb: IJsnaalden bedekten het brede raam / Met ruwglas. / De schim van de merel / Schoot voorbij, heen en weer. / De stemming / Ontdekte in die schim / Een onontcijferbaar motief.
FvdW: IJspegels vulden het lange raam / Met barbaars glas. / De schaduw van de merel / Schoot er langs, heen en weer. / De stemming / Volgt in de schaduw / Een onontcijferbaar motief.

Soms lijkt Engels Chinees te zijn en poëzie een geheimtaal. Net zoals in het voorgaande gedicht (of strofe) worstelt men met de woordbetekenissen. In deze strofe zijn het ‘barbaric glass’ en ‘the mood’ de te nemen klippen. ‘Barbaars glas’ is ‘gebroken glas’: door de ijsbloemen op het raam is het zicht belemmert – de dichter zit in een woonkamer en kijkt naar buiten. Hij ziet daardoor enkel de schaduw van de merel (niet de merel zelf) en daardoor is het vliegen hem onbegrijpelijk. Claus gaat te ver door ‘mood’ te vertalen als ‘weemoed’ maar hij treft wel de stemming: het is winter, binnen warm, buiten koud, de mens denkt na en ziet de dingen niet klaar en helder. Niet zozeer ijspegels maar ijsbloemen belemmeren het zicht. ‘The cause’ wordt vertaald als motief of reden, misschien is de zin van de strofe (of het gedicht) beter te begrijpen als dit als ‘oorzaak’ vertaald wordt, zoals Willem van Toorn doet– wat dan paradoxaal wordt: de dichter ontdekt (weet dus) een oorzaak die niet te peilen is. Of anders gelezen: men ziet de schaduw van de merel, dit is het gevolg, en in dat gevolg ziet men de oorzaak: er is dus een omkering van rationeel denken (kijken) gebeurd.

VII.

WS: O thin men of Haddam, / Why do you imagine golden birds? / Do you not see how the blackbird / Walks around the feet / Of the women about you?
HC: O smalle mannen van Hadam [sic], / Waarom verbeeldt gij u gouden vogels ? / Ziet gij niet hoe de merel / Langs de enkels wandelt / Van de vrouwen rondom u?
WvT: O magere mannen van Haddam, / Waarom bedenk je gouden vogels ? / Zie je dan niet hoe de merel / Loopt om de voeten / Van de vrouwen om je heen?
PB: O schriele mannen uit Haddam, / Waarom zoek je naar vogels van goud? / Zie je dan niet hoe de lijster / Om de voeten / Van jullie vrouwen trippelt?
PN: O dunne mannen van Haddam, / Waarom verzinnen jullie gouden vogels? / Zien jullie dan niet hoe de merel / Rond de voeten loopt / Van de vrouwen om jullie heen?
PCa: O magere mannen van Haddam, / Waarom dromen van gouden vogels? Ziet u de merel / Niet rond de voeten lopen / Van de vrouwen dicht bij u?
PCb: idem.
FvdW: O blikken mannen van Haddam, / Waarom verbeelden jullie je gouden vogels? / Zie je dan niet hoe de merel / Rond de voeten loopt / Van de vrouwen om je heen?

‘Thin men’ moet, denk ik, begrepen worden in morele zin: flauweriken die op zoek zijn naar de paradijsvogel maar niet zien hoe de merel en hun vrouwen een bondgenootschap hebben: het raadsel ligt niet in de verte, maar is nabij – zo ook het geluk. De ‘enkels’ van Claus zijn niet erg mooi, het ‘lopen’ niet erg merels, trippelen is nog het best getroffen. (Het begrip ‘smalle mens’ is bij E. du Perron omgekeerd: hij die zich niet dik maakt en dus in de oppositie staat.)
Gij, je, jullie, u : het plechtige, het gemeenzame, de massa, het beleefde: telkens weer een nuanceverschil. ‘Gij’ en ‘u’ lijken dan te komen van een boeteprediker die als een Savonarola klinkt. Het ‘je’ is gemoedelijker, een vermaning van een vriend, een goede mens,  een merelliefhebber. Kijk niet in het ijle, kijk naar de grond – het denken van Wallace Stevens is gevoed door het pragmatisme en het filosofisch materialisme.

Advertenties