pieter bruegel – zonder bruegel (1)

door johan_velter

bruegel_leen huet

. Maar hoe te beginnen?
. Begin dan met de conclusie.
. Dat het een slecht boek is? Niet in morele zin, wel technisch-structureel: een mislukte opbouw, naast de kwestie (geen duidelijke probleemstelling), geen grondidee, slordig uitgewerkt?
. Wel ja, dat is een begin en dan werk je het uit. Niet punt voor punt, niet blad na blad, maar hier en daar.
-> Want toch weer een poging zelf te denken, een poging te pogen.
° Ja, kijk. Neem nu de omslag. Of nee, stel eerst een vraag. Zou het boek bij een echte uitgever op deze manier verschenen kunnen zijn?

Och ja, het is mogelijk. Maar dat het bij de rechtse uitgeverij Lolleke Polleke verschenen is, is zo niet een teken, dan toch een aanwijzing. De omslag toont een tekening van Pieter Bruegel, we spreken immers over het boek Pieter Bruegel : de biografie van Leen Huet (Polleke Lolleke, 2016) waarvan velen denken dat dit een zelfportret van Bruegel is – Huet beweert van niet, maar dat is maar de vraag in hoeverre ze gelijk heeft, althans in hoeverre haar argumentatie steek houdt. Velen denken misschien, maar iedereen weet dat dit slechts de helft van de prent is. Op de rechterhelft staat immers een ‘kunstkenner’ afgebeeld. Die zien we niet op de omslag. Het is nogal raar dat een boek als ondertitel de biografie heeft en als titel de naam van een schilder om dan een ‘compleet onbekende’ op de omslag te zetten. Maar de volledige prent wordt dan wel op de flap aan de binnenzijde afgebeeld, in het klein natuurlijk. Intellectuele schaamte?
De ondertitel, de biografie, is nogal aanmatigend. Hieruit zou dus moeten blijken dat we met een definitief werk te maken zouden hebben. (De belofte van deze ondertitel speelt de auteur op nog andere wijzen parten.) Men zou kunnen zeggen dat de omslag een statige, klassieke uitstraling heeft. De prent slaat natuurlijk alles: wat een meesterlijk werk. Helaas is er door het beeld een ratjetoe van letters geweven en men zou kunnen denken dat de letters blauw zijn, maar het is zilverkitsch. We halen de stofomslag van het boek en
Hraah! Aaa! De kartonnen band is erger dan de chromo-boeken van Chocolade Jacques vroeger. We zien een schilderij van Bruegel, op voor- en achterplat staat niets, op de rug titel en auteur vermeld. Het schilderij is niet volledig afgebeeld, aan de randen afgesneden, in het ‘colofon’ wordt niet vermeld over welk werk het gaat.

Het is niet duidelijk wat de probleemstelling van het boek is. De uitgeversblurb meldt dat dit ‘de eerste echte biografie van de zestiende-eeuwse meester’ is. Wie het woord ‘echt’ in deze context gebruikt, is aanmatigend en metafysisch. Zijn de vorige werken over Bruegel dan niet echt geweest? Heeft de auteur een kist met egodocumenten of geboortebewijzen gevonden? Wat is de verbazende schat die dit nieuwe boek moet rechtvaardigen? De auteur maakt niet duidelijk wat het Bruegel-probleem is, waarom we over de ‘raadselachtige’ Bruegel moeten spreken. De structuur van het boek maakt het auteursprobleem nog zichtbaarder. In het begin van het boek behandelt Leen Huet Dulle Griet, ze geeft haar verklaring voor dit werk, alhoewel die niet zo spectaculair is als ze zelf voorstelt en daarna valt het boek in duigen, hebben we weer een beschrijving van schilderijen en een (miniem) tijdskader. Het boek is breiwerk. Om dit toch enige ‘body’ te geven, wordt ook nog een biografische schets van de verzamelaar Frits Mayer van den Bergh gegeven – alhoewel dit in dit boek overbodig was want reeds in andere publicaties beschreven (en eigenlijk ook pijnlijk: over Mayer van den Bergh worden meer biografische feiten verteld dan over Bruegel zelf). Natuurlijk zijn verzamelaars belangrijk, natuurlijk is de receptiegeschiedenis belangrijk maar het is allemaal te dichtbij, te Vlaams, te nationalistisch. Een Bruegelprobleem inderdaad.

De vormgever van het boek is ‘Dooreman’ en zoals wel meer wordt weer eens aangetoond hoe moeilijk boekvormgeving is. Van een boek over Bruegel zou men mogen verwachten dat tekst en beeld innig met elkaar verbonden zouden worden, dat wanneer de auteur een werk bespreekt het werk op die plaats getoond wordt en dat er ook detailafbeeldingen getoond worden. Zo wordt een lezer wijzer gemaakt. Hier niet. Hier worden de afbeeldingen samengevoegd in een ‘kleurkatern’ -waarover later meer – en de lezer moet maar bladeren, zoeken en verdwalen. Er is zelfs niet altijd een verwijzing van tekst naar dat specifieke beeld opgenomen. In het boek is slechts een selectie van werken opgenomen, alhoewel er meer werken besproken worden. Wat heeft de lezer/kijker hieraan? Moet je dan -zoals ik-  zes Bruegelboeken naast je leggen om 1 boek te lezen? Dan was het me liever geweest dat de uitgever geen afbeeldingen opgenomen had. Zeker niet zoals het hier gebeurd is.

En dan de ‘eindnoten’ – althans zo wordt het genoemd. Maar dit zijn geen ‘noten’: noten dragen immers getallen. Er worden ‘aantekeningen’ opgenomen maar op zo’n slordige en algemene manier dat je nauwelijks enig houvast hieraan hebt. Als er een bibliografie opgenomen is, zoals in dit boek, dan zou je toch wel mogen verwachten dat er op een exacte wijze naar geciteerde werken verwezen wordt en niet op een impressionistische manier zoals hier gebeurt. Als lezer weet je immers niet wat citaat is, wat vertaling, wat parafrase is. Telkens je een vermoeden hebt moet je het boek achteraan raadplegen (de verschillende hoofdstukken bij de ‘aantekeningen’ worden uiteraard ook zonder paginaverwijzingen opgenomen – alles in het teken van ‘lezerpesten’) en dan maar uitzoeken of je vermoeden al dan niet gestaafd wordt. Waarom moeten rechtse uitgevers lezers kwellen? Is het lezen van een boek een straf misschien? Of is kennis voor hen inderdaad onbelangrijk en telt alleen maar het geld?

Advertisements