een bonk

door johan_velter

zwart-rood_1

Guido Gezelle, Een bonke keerzen kind (zomer 1858)

Een bonke keerzen kind,
gegroeid in den glans
en ‘t goudene licht
des zomers!

Antoine de Kom, Blanke wat wilt ge van hem maken? (Strijden ga ik, 1969)
[…]
Heer – wat wilt gij van hem maken
Een oermensch met sterk hart,
Gespierde handen, elastische beenen
Een bonk ijzer van top tot teenen
Nooit tranen, nimmer smart,
Een vertrapte – een slaaf
voor nu en in ’t verschiet
Ja – dat wist ik wel
Hij brengt U veel geld – het handelshuis
En – kost U geen luis.
[…]

Ovidius, Metamorphosen, I, 7-9 (vertaling M. d’Hane-Scheltema)

Men sprak van Chaos, een primaire ongevormde massa,
niet anders dan een bonk gewicht, een samenraapsel van
slordige kiemen van niet goed gecombineerde dingen.

Karel Van de Woestijne, II. Het huis aan den vijver bij het woud III. Wijsheid, (De gulden schaduw, 1905)

– Gij zijt gereed, die keerde u-zelf, en bonk bij bonke
liet, blijder pijne, in u de nijvre vleugels ronken,
en ’t kaf van gier’gen drift, een stik-walm, buiten dreeft.

Karel Van de Woestijne, Storm-zang, (Nagelaten gedichten)

Hart, hoor het brallen en het brullen van de wolken,
hoor het reuzig reeten van-éen dier dondren slaan
bij bonken van machten die zich vereenen gaan
om zich tot zuilen van vernielen óp te kolken.

Hugo Claus, Het jaar van de kreeft, 1972

‘Pierre!’ riep Muisje. Hij liep haar bijna omver toen … ‘Het is inderdaad één bonk rust,’ zei Pierre traag. Waarop Barry verwonderd naar Toni keek.

Hugo Claus, Het verlangen, 1978

Dan slaat Jaak het gekrulde hoofd tegen de metalen rand van de automaat, de bonk doet denken aan de echo van een bijl in een boom, verweg in een bos.

Hugo Claus, Het verdriet van België, 1983

Zij wou misschien over zijn wang strelen, maar haar beweging was te bruusk, hij kreeg de muis van haar hand met een bonk tegen zijn wang.

Hugo Claus, Een zachte vernieling, 1988

In mijn slaap bonk ik tegen de muur, ’s ochtends is mijn linkerhand gezwollen.

Leo Vroman, God en Godin, 1967

[…]
ik ben warmer en kouder
dan met melk bemorste marmer
welke wit van het wenen veroudert
nog weigerend om te verstenen
op het van bliksem steigerend
hengstvormig bonk brandingsrots
[…]

Jacques Hamelink, Vinkeveense plassen, 1981

De dag is nog jong, net als de klare, maar
buitenboordmotoren, de pest in,
verknallen het weekend. Zelfs de meeuw
gedraagt zich tussen twee buien door
getroubleerd, imiteert je, zwartgallige vinkeveense.
Toch blijf ik hier liggen, gemeerd – o

elsetacken en leuterigh riet – aan een bonk veen
die morgen al eclipseert. Schrik niet
van mijn vislijn, mijn leefnet,
mijn blinkende haken. Ze zijn, hoor mijn gefluit,
slechts pro forma: kom je nou nog op de rand
van mijn bootje zitten of kan ik dat ook
wel vergeten vandaag, autochtone meermin

Remco Campert, Ode aan de traplift

Tja, de roede zat los
en ik viel van de trap
in mijn grootvaders huis.
Boven werd buitelend onder
onder kwam boven met een bonk en een buts.
[…]

Lucas Hüsgen, Grote koeien die voorbijdrijven (2004)

Bonk en krak, alles gaat minutieus
naar omslingeringen van de madeliefjes –
Maar wat een venusijver bij die mooie bomen,
naast de troggen! Paul

is zijn complete saaie aanwezigheid. Hij
loopt nog saaier dan vroeger richting de bergen, pakt
als een duurzame verwaarlozing andermaal de kwast, graait nog
eens naar de boenlap, opnieuw naar water en olie. Paul
met de hoeken en de haken plus de krammen van zijn benen,
Paul tolereert immer weer mijn ellendige
uitstapjes richting Hubble. Hoe houdt de

saaie man met malle strot het vol, rabiaat joch, hij
met grote koeien die voorbijdrijven, vernam
van geen hond (de kip is er

op uit gestuurd om de
wereld te vertrouwen) dat wij de lichte vormen
(sinds bonk en krak) minutieus hebben afgeschaft, hè kip?

Hans Dekkers, Rouwende moeder (Uit Banjoman, 2006)

Hij ligt daar als een dode vis, de eens
zo woeste bonk, de lang vervloekte wildebras,
de hondshaai met het lepe oog.

Advertisements