‘het enige wat een intellectueel kan doen, is zeggen hoe erg het is’: bram de swaan

door johan_velter

Wat een vondst is het van John Jansen van Galen om de geschiedenis van het opinieweekblad Vrij Nederland als een poppenkast te beschrijven. De gouden jaren van het linkse levensgevoel : het verhaal van Vrij Nederland (Balans, 2016) is meer dan de geschiedenis van een ‘krant’, het is ook en misschien wel in de eerste plaats de geschiedenis van een naoorlogs maatschappijmodel – en vooral toch ook de opkomst en neergang van het linkse denken. Van Galen legt uiteraard veel nadruk op het functioneren van het blad maar hij doet dit steeds in samenhang met het maatschappelijk gebeuren. Ook vertelt hij het verhaal niet strikt chronologisch maar hij groepeert de belangrijke thema’s van blad en wereld waardoor hij toch een mooi overzicht te bieden heeft en een inzicht geeft in wat verkeerd gelopen is – en hij bespaart ons al die ellendige details. Hij is bovendien journalist genoeg om de feiten afstandelijk en betrokken te beschrijven, hij heeft een aangename pen en we verheugen ons steeds als we een goedaardige adder bespeuren. En er is veel verkeerd gelopen. Zie wat links aan smeerlapperijen heeft uitgehaald. We moeten wenen maar we kunnen niet meer.

Jansen van Galen maakt een balans op: ‘Eigenlijk zijn alle bewegingen van de jaren zestig in die zin per saldo op nederlagen uitgelopen.’ (p. 251). Hij beschrijft hoe de restauratie al direct na de jaren van vrijheid de macht heeft overgenomen en hoe er structureel niets veranderd is. Terwijl dit niet helemaal correct is: er is wel degelijk een nieuwe vrijheid gekomen en wat nu als een opstand tegen de elite genoemd wordt, is eigenlijk de definitieve breuk tussen de rechtse domheid van de Heeren en het vrijheidsstreven van de gewoonling. Nu staan de vrijheid en de macht lijnrecht tegenover elkaar: het is de reactie die voor zichzelf de absolute vrijheid opeist, de sterveling mag zijn eigen dood kiezen (soms, als hij niet in handen van de goddeloze gelovigen valt).

Nog steeds wordt Vrij Nederland als een norm gezien. Neem een willekeurige boekenbijlage van de hoogtijjaren (men spreekt altijd van de kleurbijlagen maar de ‘krantenpapieren bijlagen’ waren niet minder belangrijk), vergelijk die met wat vandaag als ‘bespreking’ geldt en weet hoe het rechtse denken de cultuur is binnengesmokkeld, hoe de cultuur door de cultuurfunctionarissen vernietigd wordt. Het is niet waar dat er vandaag minder grote literatuur zou verschijnen, wel is het juist dat de recensenten geborneerder en nationalistischer geworden zijn: dorpeldenkers.

Ook de onderzoeksjournalistiek is veranderd. Waar het blad Vrij Nederland zijn eigen affaires maakte, komen journalisten nu pas in actie wanneer de Heeren al bloedend en vechtend over de straat rollen. De columnisten nu zijn wollige humoristen geworden, hebben geen smoel of standpunt. Men is moreel minderwaardig: er wordt niet vertrokken van een mens- en wereldbeeld, maar men etaleert een smaak die morgen al anders zal zijn. Er was bij Vrij Nederland een gezond wantrouwen tegen alles wat macht had (totdat men zelf tot de macht behoorde) – een wantrouwen dat nog steeds terecht zou zijn maar omdat er geen rationeel denken meer is, kan er ook geen verzet meer zijn. Willem Diepraam kijkt terug en vergelijkt: ‘[…] de acceptatie van de maatschappelijke realiteit is ongelooflijk groot geworden. […] In het begin van de jaren zeventig, moet je achteraf zeggen, is die strijd eigenlijk al verloren. In de jaren die volgden is veel maatschappelijke betrokkenheid en solidariteit teloorgegaan.’ (p. 299-300), nu zien we hoe uitzonderlijk dat moment geweest is.  De teloorgang is te verklaren door het menselijk tekort maar ook door een gebrek aan reële intelligentie, dat men nog steeds niet begrijpt dat machtskritiek vanuit een denkkader geactiveerd moet worden, niet vanuit een ideologie.

Er zijn in de geschiedenis van Vrij Nederland ook veel ontluisterende momenten en figuren geweest. De heksenjacht van Grijs op Buikhuisen is een grote schande gebleven, hoe Renate Rubinstein de fantast Weinreb heeft mogen blijven verdedigen eveneens. Piet Grijs liet een tijdlang zijn columns eindigen met ‘tamaraboemdiejee’ wat betekende ‘voorts ben ik van oordeel dat wat Tamar vorige week in dit blad durfde schrijven weer haar gewone neo-antisemitische schunnigheid is’. Ach, die interne ruzies. En die roddels: Bibeb en Pierre Boulez.

Piet Piryns krijgt terecht een kleine rol toegewezen (hoe een mens die zo weinig gedaan heeft, zo veel kapot gemaakt heeft zou ook nog eens beschreven mogen worden) maar wordt ook hier beschreven als de aanstoker van het begin van de neergang van Vrij Nederland (p. 380).

John Jansen van Galen beschrijft de neergang zoals Hans Vervoort die met cijfers heeft aangetoond – het gelijk van de cijferman – hoe herkenbaar – en ook: hoe herkenbaar de ontkenning ervan is. Het lezerspubliek van het weekblad verouderde, er kwamen geen nieuwe, jonge lezers bij. De conclusie werd getrokken door Vervoort en ontkend door de anderen. De vernieuwingen van het blad (die het blad probeerde) leverden even een adempauze op maar gaven geen structurele verbetering. Na een tijd is het effect uitgewerkt. Verder weigert men het leespubliek te analyseren, weigert men de wereld te zien. Het boek had ook als titel kunnen hebben: ‘De cijferman heeft altijd gelijk’.

Advertisements