de voorwaarde

door johan_velter

paul magnette_onsterfelijk links

Nee, hij is geen Ernest Mandel of een Antonio Gramsci maar in de huidige omstandigheden is zijn bundel artikelen, Onsterfelijk links (is het een streek van vormgever Axel Delepinne om ‘lijk’ en links direct en sterk op elkaar te betrekken?), betekenisvol genoeg. Niet zozeer omwille van zijn analyse, wel omdat Paul Magnette een aantal nieuwe verten laat zien, helaas is dat verschiet niet echt nieuw maar een erfenis van ’68, helaas hebben de 68’ers hun eigen gedachtengoed om zeep geholpen.

Het belangrijkste in dit boekje is ‘zijn afscheid’ van ‘de obsessie voor een groeiende koopkracht’. Hij duidt inderdaad aan dat dit vandaag de dag het kapitalisme alleen maar kan versterken en dat links zich op andere waarden moet richten. Hij verwijt links bovendien dat ze door het spel van het sociaal overleg de autonomie van de werknemer op het werk en over zijn werk uit handen genomen heeft: de werknemer is ook door links gereduceerd tot zijn eigen domme arbeidskracht.

Zwak in zijn betoog is de nadruk die hij legt op gelijkheid, want hij aanvaardt de ongelijkheid, alleen moet die gemilderd worden. Problematisch bij dit begrip is dat dit nauwelijks geoperationaliseerd kan worden: een ratio van 3, van 5 of toch van 30. Wat is het mediaaninkomen en op wat baseert men zich: het reële inkomen of ook de sociale voorzieningen, de ecologische voetstap? En hoe wordt de gelijkheid gemilderd – enkel via belastingen? We weten hoe onmogelijk dit is. Eigenlijk zou men kapitaal buiten de maatschappij moeten plaatsen en daarna pas het begrip gelijkheid definiëren brengen. Dan komt het basisinkomen weer in zicht en zoals dit nu geconcipieerd wordt, is dit geen inkomen maar slechts een sokkel: niet genoeg om van te leven, te veel om zo maar te verdelen. Magnette ondermijnt echter zijn eigen redenering. In hoofdstuk 3, ‘De comeback van de renteniers’, spreekt hij over het project van Piketty en verdedigt hij de middenklasse tegen de rijken omdat ze meer inkomsten uitgeeft en zo meer bijdraagt tot de groei (p. 66), nochtans is juist die groei-obsessie hem een doorn in het oog.

Het rendementsdenken wordt verguisd en wordt genoemd als ‘de belangrijkste, zo niet de enige oorzaak […] van de hedendaagse vormen van onrecht en vervreemding.’ (p. 43). Het is verkeerd het rendementsdenken aan te vallen, dit is een verworvenheid van deze tijd die niet verloren mag gaan en ook niet meer kan gaan. Dit denken moet echter terug naar de middelen gehaald worden en mag niet langer de doeleinden of het humane leven bepalen. Links moet efficiënt met middelen omgaan omdat middelen nooit zo maar middelen zijn: ze betreffen mensen, leefklimaat en moraal. Eenzelfde negatieve houding heeft hij tegenover het verzamelen en analyseren van gegevens omdat die tot meer consumptie zouden leiden. Maar dat hoeft niet én de ‘mining of facts’ kan even goed positief aangewend worden. Dit is een weerkerend probleem: de feitelijkheid wordt slechts schoorvoetend aanvaard, terwijl als men dit volledig zou begrijpen men die als middel tot nieuwe doelstellingen zou kunnen aanwenden. Wat Magnette bekritiseert, is er nu eenmaal al en zal ook niet verdwijnen. Het is zaak het nieuwe op een emancipatorische wijze aan te wenden.

Het is moedig van Magnette de staatsdiensten de verdedigen. Helaas heeft zijn partij ook bijgedragen aan de uitholling van de ambtenarij door knowhow uit te besteden en de staat zo afhankelijk te maken van allerlei obscure dienstbedrijven. De doelstellingen worden niet meer binnen de staat gevormd maar de privésector stelt middelen voor als doeleinden waardoor de betekenis van de ambtenarij verloren gegaan is.

Eindelijk hebben we met Paul Magnette een politicus die weer wil nadenken over de vrije tijd – en terecht herinnert hij ons aan het begin van de socialistische strijd, toen men arbeidsduurverkorting eiste om mensen een beter leven te geven, een leven die ze in de vrije tijd konden verdiepen. Een teken des tijds is dat Magnette niet de culturele vrije tijd bedoelt (en hij vermeldt dus ook niet het nut en de noodzaak van bibliotheken) maar eerder de fuifgangers aan de Middellandse Zee. Hij verdedigt deze ‘hedonisten’ omdat ze het plezier in het midden van het leven zetten. Zoals Magnette het beschrijft, is dit echter enkel kapitalistisch vermaak en dit is niet wat de socialistische roergangers bedoelden. De selfie-cultuur ziet hij echter als een bevestiging van de persoonlijke identiteit en daardoor een versterking van de democratie – terwijl de selfie-cultuur juist géén uiting is van autonomie maar van sociale afhankelijkheid en eveneens past in een kapitalistische consumptie: nu van het loutere bestaan van een eigen lichaam (zelfs niet meer van de arbeidkracht, laat staan van het denken en het sociale).

Magnette vermeldt de negatieve rol van automatisering in de dienstensector (waarvan hij beweert dat ze niet bestaat …) en merkwaardig genoeg maakt hij (en hier volgt hij de rechtse gedachtengang die elk individu verantwoordelijk stelt voor de eigen armoede, werkloosheid of ziekte) ‘elk van ons’ daarvoor verantwoordelijk: ‘We zijn er ons trouwens niet altijd van bewust dat we dagelijks mede schuld hebben aan dit fenomeen, wanneer we alledaagse taken uitvoeren zoals online aankopen of overschrijvingen doen, via het internet een reis of hotel boeken of onze boodschappen aan de supermarktkassa zelf scannen.’ (p. 83). Dit is calvinisme: leven is schuldig zijn.

Het zevende en laatste hoofdstuk, ‘Het nieuwe individualisme is een kans voor de democratie’,  is voor een PS-bons verrassend en moedig. Hier aanvaardt hij wel het nieuwe en ziet hij in hoe dit voor een nieuwe maatschappij kan aangewend worden. De nieuwe sociale bewegingen, de individualistische hulpacties worden hier beschreven als ‘democratische vitaliteit’ die ‘de kracht van de dialoog [stelt] in de plaats van het geweld van de autoriteit.’ (p. 119) – mooie woorden, maar zelden realiteit. Hij aanvaardt de politieke apathie als een ontgoocheling in de politiek – er is inderdaad een scheiding tussen de elite en het volk. Zonder de islam te vernoemen, verdedigt hij de Europese traditie van de lach – dit mag niet als een zwakte in zijn betoog gezien worden, wel als een sterkte: Magnette spreekt ook tot zijn eigen landgenoten. Over ‘de barbaarsheid van de moorden’, (de aanslag op Charlie Hebdo wordt bedoeld): ‘En dat de eerste doelwitten voor het eerst in de geschiedenis humoristen waren, verbijstert ons en doet ons verdriet. De lach, de onschuld, de naïviteit, de herinnering aan onze kindertijd zijn vermoord.’ (p. 121). Hij benoemt de angst na de terreur: ‘[…] om morgen niet meer zo vrij te durven spreken en lachen als we gewend waren. […] Mensen die niet begrijpen dat humor, zelfs als hij beledigt, niet op dezelfde manier behandeld mag worden als oproepen tot haat, moeten we doen inzien dat vrijheid om kritiek te hebben de voorwaarde is voor alle andere vrijheden.’ (p. 121-122).

Ten slotte pleit Magnette voor een kenniscultuur, helaas blijft hij hier steken in algemeenheden en maakt hij niet duidelijk wat de vormende kracht van kennis en cultuur is binnen een ‘bewegende democratie’, een democratie die niet meer gestut wordt door oude systemen maar nieuwe, kort-bestaande instituten kan vormen en kan laten uitdoven naargelang de noden en behoeften.

Beeld: De Bezige Bij

Advertenties