een dame van stand

door johan_velter

josepha mendels en simon vinkenoog

Het fenomeen van de tweedeschrijvers. Nee, niet de tweederangsschrijvers maar schrijvers die een degelijk oeuvre bij elkaar geschreven hebben maar niet tot de hoogste regionen gerekend worden, daardoor uit de aandacht verdwijnen en een tweede, derde of vierde dood sterven. Het gaat ook niet om ‘minor writers’ als Richard Minne, die ‘bewust’ een klein oeuvre geschreven hebben maar die daar toch voor gewaardeerd worden. Het gaat om schrijvers met een constante productie, die zelfs lovend besproken kunnen worden maar geen hechting met een publiek, de tijd of de maatschappij vinden. Dit geldt uiteraard ook voor alle andere kunsttakken. Toch zijn die schrijvers dikwijls interessanter dan de ‘groten’ (wat is er nu interessant aan Harry Mulisch?) omdat ze een verbindend element waren. Heel dikwijls bestond het oeuvre van die ‘groten’ niet, zonder het werk van die veronachtzaamden: als een praktische schakel of als een idee in kiemvorm die opgepikt wordt door anderen. Soms zijn die schrijvers ook zelf verantwoordelijk voor die niet-aanhechting: hun leven was te slordig, de aandacht voor kunst te weinig gegrond of niet duurzaam genoeg. Er moest brood op de plank komen; het leven neemt wraak.

Het is dan altijd verrassend dat zo’n leven toch een biografie krijgt. Sylvia Heimans schreef een eerbetoon aan Josepha Mendels, de ondertitel van haar boek luidt het eigenzinnige leven van een niet-nette dame (Cossee, 2016). Als men terugblikt op een periode dan worden de grote lijnen uitgezet, soms wordt verwezen naar een bekend figuur en daarmee lijkt de strijd gestreden te zijn. Maar zo gaat het niet. Het zijn anoniemen die de tijd gemaakt hebben. En zo is het ook met Josepha Mendels, die niet zo anoniem was, maar toch heel wat moraliserende Heeren tegen de schenen geschopt heeft en daarmee een vrijheid veroverd heeft (die nu echter al weer door diezelfde Heeren afgenomen wordt) waardoor mensen konden ademen.

De biografie is ‘braaf’, d.w.z. degelijk. Heimans bekritiseert een enkele keer haar onderwerp omdat ze niet altijd rechtzinnig in de waarheid was maar ze doet dit toch met een zeer grote sympathie, soms een tikkeltje juffrouwachtig. Haar stijl is zakelijk maar bijzonder soepel en aangenaam om lezen – ja, de biograaf schakelt bijna zichzelf uit waardoor ook de biografie zelf een haast anoniem ding geworden is.

Josepha Mendels (1902-1995) was een Joodse vrouw, ze heeft haar hele leven antisemitisme meegemaakt.

De biografie is ook bijzonder nuttig omdat de onzin die vandaag door de Heeren verkondigd wordt over de vluchtelingen in een  totaal ander perspectief geplaatst kunnen worden. Mendels behoorde tot de verlichte Joodse intellectuelen die ofwel seculier waren ofwel hun godsdienst en rituelen thuis beleden maar in het publieke domein als ieder ander wilden leven en behandeld worden. Er was geen sprake van een eigen getto te willen vormen. Integendeel, zonder de Joodse ratio bestond er geen hedendaagse wereld. Als jonge vrouw zette ze zich in voor jonge, Joodse vrouwen die in armoede leefden en die ze wilde verheffen, meer mens wilde maken door hen te tonen dat mensen op zichzelf moesten passen: dat ze zich moeten verzorgen. (In haar later leven zal dit soms verbijsterende toestanden opleveren.) Wie zich lichamelijk verzorgt, doet dat ook geestelijk. Josepha Mendels wilde mensen weerbaar maken door hen een maatschappelijk leven te geven, door hen zichtbaar te maken. Hoeveel mensen heeft ze bereikt? Niet het getal is hier belangrijk, de steen.

En weer kunnen we lezen hoe belangrijk de rol van Carry van Bruggen geweest is. Ook Mendels was een vrije geest die op een vrije manier met mannen en vrouwen omging. Ze bleef ongetrouwd maar was geen oude juffrouw: een levenskeuze, een beslissing om het verstand te vrijwaren. Er waren nogal wat twijfels over haar ‘seksuele geaardheid’, ook dat was haar vrijheid: eigenlijk ging en gaat dit niemand iets aan. Wel zeggen de mannen en vrouwen iets over Mendels zelf. Slechts enkele bladzijden wijdt Heimans aan haar grote liefde, Valéry Jahier, de man die zich niet goed genoeg voelde en die op 23 juni 1939 zichzelf de dood gaf. Een andere grote liefde was Sadi de Gorter, een bon-vivant, een vertaler en later een ambtenaar die zijn kunstenaarschap verkwanselde, een ‘tweedemens’ die zorgde voor anderen. Mendels en De Gorter lazen elkaar boeken voor: zij las de Camera obscura van Hildebrand en hij las haar De Lautréamont voor … : een mens bestaat niet zonder de ander. Haar vertwijfeling en haar moed beschrijft ze in een brief aan Sadi de Gorter: ‘Ik kan opeens alle materiële moeilijkheden wegdenken, en poète zijn, filosoof en God, lachen om de maatschappij, uitlachen, want wat doen wij voor kwaad? Niets, we krijgen een kind in plaats van het vermoord te hebben. Is dat dan misdadig en staan wij niet aan de goede kant en zij aan de slechte. Ik voel me hoe langer hoe meer vrij van alles, van alle conventie, gewoon een mens, die zijn eigen leven durft te maken.’ (Op het grafz van Sadi de Gorter op het Cimetière du Montparnasse in Paris staat het eenvoudige maar het enige waardige woord: Poète) (Op p. 229 schrijft Heimans over de ‘heteroseksuele liefde’ i.v.m. Anna Blaman, wat echter homoseksuele liefde moet zijn.)

Sylvia Heimans beschrijft wat het betekende vluchteling te zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog. Overgeleverd te worden aan het canaille die van weerlozen dubbele slachtoffers maakte. Maar ook dat het Nederlands gezantschap in het buitenland de vluchtelingen financieel ondersteunde, wat Mendels betreft: zowel in Spanje als in Groot-Brittannië.

Ze debuteerde als ze al de veertig gepasseerd was. Haar lot was dat ze een goed schrijfster was maar niet buiten haar eigen leven kon treden: elk boek was eigenlijk een herhaling van zichzelf. Ze verbleef in het buitenland, Paris, omdat Nederland haar herinnerde aan haar door de Heeren, nu de nazi’s, vermoorde familieleden. Heimans heeft de moed te schrijven hoe het antisemitisme niet met de nazi’s verdween: de naoorlogse jaren waren voor vele joden een hel.

Daar in Frankrijk heeft ze de jonge dichters rond Simon Vinkenoog ontmoet, met hem kreeg ze een relatie (de relaties met 3 andere mannen bleven doorlopen) maar ze ‘bleef inhoudelijk een buitenstaander. Er was tussen hen een groot leeftijds- en mentaliteitsverschil. De schrijvers waren gemiddeld vijfentwintig jaar jonger, de schilders twintig jaar.’ (p. 236). Toch zegt dit veel over haar originaliteit, levensdurf en menselijkheid. Hugo Claus ‘smulde vanuit Italië van de romance. ‘Hoever heeft de idylle met de mouffetardmuze zich al ontwikkeld?’ Rue Mouffetard in het Quartier Latin was een centrale straat in het kwartier waar artiesten verbleven, door Stef Bos bezongen als ‘rue de Mouffetard’. En als ik mij niet vergis heeft Claus Josepha Mendels in zijn roman Een zachte vernieling opgevoerd, misschien ook gecombineerd met Elsetiene den Daas.

Mendels heeft lang en veel moeten werken om te kunnen leven, haar zoon te kunnen opvoeden. Ze publiceerde ook daardoor te weinig. Na elk boek leek ze weer in een vergeetput te sukkelen. Ze werd herontdekt (of blijvend gewaardeerd) door het feminisme (Andreas Burnier) maar ook door Laurens van Krevelen die haar boeken weer wilde uitgeven en haar in Paris opzocht. In de jaren tachtig werd ze een bescheiden beroemdheid, ze werd de eerste winnares van de Anna Bijns Prijs (1986) – eindelijk werd het wijf erkend.

Sylvia Heimans heeft een zakelijke biografie geschreven waarin ze het terecht beneden haar waardigheid acht om allerlei marktpsychologische beschrijvingen te geven. Ze beschrijft een leven zonder te moeten interpreteren. Helaas verlaat ze de juiste, rechte weg in haar ‘slotwoord’ waar ze alsnog een interpretatie geeft die al te lamentabel en tranentrekkend is. Gelukkig vergeten we en we onthouden die andere zinnen van haar over Josepha Mendels: ‘Ze was verfrissend en trok zich niets aan van controverses en ideologieën waarin anderen hun posities probeerden te bepalen.

Het is jammer dat Heimans weinig vermeldt over het leesavontuur dat Mendels zelf ondernomen heeft. Wat ze las, wat ze bewaarde, hoe ze las: nauwelijks weten we iets. Het blijft een hartverwarmend gevoel De Kapellekensbaan van Louis Paul Boon in een eerste druk (1953) en met dubbele stofomslag in handen te hebben en te weten dat dit exemplaar haar ooit toebehoorde.

josepha mendels_louis paul boon

Advertenties