een blauwe gitaar (13)

door johan_velter

philip guston_book on table

Het doet er niet toe: een gitaar of een zeppelin, niet wat het ding is maar wel de verbeelding, de transformatie, het bewustzijn. Oliver Orme beschrijft een persoonlijke crisis en elke crisis is het einde van een wereld – en dat wat komen gaat, is slechts het mindere. Wanneer we over de dingen en de wereld spreken, over het handelen en het zijn, dan komt onvermijdelijk de problematiek van het solipsisme tevoorschijn – wat in de kern ook bij Wallace Stevens aanwezig is. Als het ik een eigen wereld ontwerpt en in bezit neemt, dan is die niet noodzakelijk kenbaar voor de ander (or me : Orme). Men kan niet bewijzen dat iemand anders pijn of vreugde beleeft: de uiterlijke verschijningen zijn slechts zichtbaar én die kunnen verkeerd geïnterpreteerd worden. ‘Voor zover ik weet, zijn de dingen die omgaan in het binnenste van andere mensen totaal niet te vergelijken met wat er in mij omgaat. Dat is een duizelingwekkend inzicht, en ik ben er helemaal alleen zelf op gekomen.’ (p. 99): de laatste halve zin is natuurlijk onzin en tegelijkertijd een bevestiging. John Banville beschrijft in zijn roman hoe angstaanjagend de vele perspectieven kunnen zijn, hoe ze kunnen verlammen en hoe we ons kunnen vergissen – dan komt het motto van  Wallace Stevens van pas.

Op zeker moment vertelt Polly, de ‘gestolen’ vrouw die zich heeft laten ‘stelen’, meer: die de aanleiding gegeven heeft, haar drieëenheid : Polly, Marcus haar man en Oliver. Deze laatste beseft plots hoe gelijklopend de interpretaties toch wel zijn. Weg is het solipsisme. Maar daarna ontwikkelt John Banville een theorie van de spiegel: van de schilderspraktijk naar de wetenschap naar het leven. Ik geef de drie stappen weer in citaten: ‘[…] een spiegelbeeld biedt een volkomen ander perspectief en maakt altijd de zwakte van een lijn zichtbaar.’ (p. 106) ‘Zegt de nieuwe wetenschap niet over spiegelsymmetrie dat sommige deeltjes die exact dezelfde weerspiegeling van zichzelf lijken aan te treffen in feite de interactie zijn van twee gescheiden realiteiten, dat ze in feite helemaal geen deeltjes zijn, maar speldenprikjes in de constructie van op een onzichtbare wijze elkaar kruisende universums? Nee, ik begrijp het ook niet, maar het klinkt boeiend, nietwaar?’ (p. 107) ‘Toch kan ik het niet loslaten en moet ik me afvragen, als Polly en ik helemaal terugkeerden uit welke andere realiteit dan ook, wat voor spiegelwereld het dan was waarin we op dat ogenblik hebben rondgedoold, hoe kort ook.’ (p. 107)

De spiegel staat uiteraard voor het bewustzijn en de kunst. (Je denkt automatisch ook aan Alice in Wonderland.) Maar wat Banville hier schrijft is dat de werkelijkheid niet bestaat zoals wij die kennen of menen te kennen. Zo is deze roman een ongemeen rondtollend spel waar de standpunten geen vaste grond vinden, waar chaos heerst en waar de dingen weer op hun poten terechtkomen, alles een orde is of lijkt maar dan weer wanorde wordt. Er is verwantschap met Samuel Beckett maar op een lichte manier, een meer menselijk-verhalende wijze – het onderhuidse is echter verraderlijk-verleidelijk. En hoe hij allerlei elementen in zijn kunst binnenbrengt, als schilfers, lichtflitsen, fragmenten. ‘De zon die we zien ondergaan, is niet de zon zelf, maar een nabeeld ervan, weerspiegeld door de atmosfeer van de aarde. Trek daar als je wilt een les uit; ik heb er het hart niet voor.’ (287).

Er is nog iets anders. De verwijzingen naar andere kunstuitingen liggen in een sfeer van barok, maniërisme, overdaad. Zo is ook Oliver Orme, een soort kruising tussen Picasso, Freud, Guston en Bacon, die maar vertelt en vertelt en uitweiding na uitweiding opbouwt – ook om de ‘kern’ te ontvluchten maar evenzeer is dit een stijlmiddel tégen het ‘hedendaagse’ minimalisme – waar het niet-denken algauw een kwaliteit wordt omdat het dan minimaal lijkt. Deze stijl is een illustratie van wat Banville (in elke roman) wil aantonen: dat er verschillende werelden zijn, dat de perspectieven verschuiven, dat het denken van een onmetelijke rijkdom getuigt. Natuurlijk niet het denken van iedereen. En dat de cultuur het humane is. Daarmee brengt Banville ook die andere basisstelling in het geweer: de dingen zijn hun oppervlakte: ‘Snap je het niet? Wat mij interesseert zijn niet de dingen zoals ze zijn, maar zoals ze zich aanbieden om uitgedrukt te worden. Om het uitdrukken draait het allemaal […].’ (p. 144). En die stijl is uiteraard ook een filosofische uitdrukking van het multiperspectivische (dat toch een veel beter begrip is dan het multiculturele, al te besmet door de arrogantie van de macht en het geld) want als er geen kern is en als de uiterlijkheden de waarheden zijn dan is er een veelheid aan verschijningsvormen mogelijk en dit wordt door Oliver Orme toegepast: dé (platoonse) vrouw bestaat niet: ‘Ik zag, met onthutsende duidelijkheid, dat er niet zoiets bestaat als de vrouw. De vrouw, besefte ik, is iets uit een legende, een droombeeld dat door de wereld vliegt en dat zich hier en daar in deze of die nietsvermoedende sterfelijke vrouw nestelt, die kort maar gedenkwaardig in een object van verlangen, verering en verschrikking verandert.’ (p. 166). ‘Ik word verondersteld niet in echte zelven te geloven.’ (p. 168).

En zoals we nu weten, laat John Banville ons niet gerust en laat hij ons verder tollen. Ach zo, de oppervlakte is de waarheid, welnu wees dan maar bang van de sluwe schijn der dingen: ‘Wat ik tegenwoordig beangstigend vind, is niet de algehele boosaardigheid van de dingen, hoewel de hemel weet – en de hel weet dat zelfs beter – dat ik daar wel degelijk bang voor zou moeten zijn, maar wat ik eerder vrees is de sluwe schone schijn ervan.’ (p. 177): de kern is er niet en op de uiterlijkheden mogen we niet vertrouwen: wat blijft ons dan over dan het eigen ik en de angst – weer een cartesiaanse bevestiging. En daaruit volgt ook de levenswijsheid: niet de mens zelf maar de omstandigheden maken de mens: niet de normen maar de gebeurtenissen bepalen welke kwaliteit we aan het leven geven (182). Ons niet laten leiden door de dingen maar door de beweging – ziehier en alweer de ovidiaanse suprematie over de bijbel. En er is een tegenbeweging terug naar de kern en weg van de oppervlakte: ‘Alles wat we hebben zijn oppervlakten, oppervlakten en het nietige innerlijk van het zelf; dat is een feit dat te vaak en te gemakkelijk wordt vergeten, door mij en door iedereen.’ (p. 198) en op p. 199: ‘De nieuwe wetenschap leert, als ik het tenminste goed begrijp, dat elk kleinste deeltje zich gedraagt alsof het – en in zekere zin is dat het geval – de kern is waaromheen de hele schepping draait. Welkom, hardloper, in de menselijke race.’ Daarna moeten er (wat een vermoeienis) steeds weer nieuwe zelven bedacht worden en wat betekent dan nog het woord ik (211)?

En weer laat Banville ons met een open mond staren naar dat vreemde boek van hem. We hebben de hele tijd het relaas gehoord van een man die bedriegt (vooral zichzelf), die door het leven en de anderen de adem is afgenomen maar plots keert Banville het perspectief en beseffen we dat we een omgekeerde Madame Bovary aan het lezen zijn: niet het perspectief van de vrouw maar van de man die wil jubelen. Polly, zijn minnares en de vrouw van zijn vriend, zegt hem: ‘Kijk naar alles wat je was, alles wat je had, alles wat je had gedaan, en kijk naar wat ik was: de vrouw van een horlogemaker, haar dagen slijtend in een gat zonder hoop.’ (p. 189). En dit (banale) feit wordt verbonden met het verhaal van Dionysos, Ariadne en Naxos: de mensen zijn geen goden. En het is de minnaar die zijn minnares bekijkt en moet vaststellen dat ze maar zichzelf is, een arme Polly, niets meer. En weer gaat de minnaar op de vlucht: hij vlucht niet in een droombeeld, hij verlaat de platvloerse realiteit.

Dan komen we bij de kern (sic). De blauwe gitaar staat voor Banville (en hij verruimt het begrip van Stevens) niet enkel voor fantasie en verbeelding maar ook voor bewustzijn en concentratie. ‘Ik zei het eerder, maar ik ga het nog een keer zeggen: dat is het doel van stelen, dat dat wat gestolen is, het triviaalste voorwerp, van gedaante verandert en iets nieuws wordt en op een spirituele manier kostbaar, iets wat …’ (p. 216). Het stelen is een verandering en daardoor wordt het nieuw. Banville brengt Eros in het spel: een goddelijk licht laten schijnen op het banale. ‘Maar nee, nee, ik was meer van plan : ik ambieerde niet minder dan de totale transformatie, de klei die geest werd. Plezier, genot, de vervoering van het vlees, die dingen betekenen niets, bijna niets, voor een man als ik. Trans-dit en trans-dat, al die transen, daar was ik op uit, het opnieuw maken van dingen, van alles, door de kracht van de concentratie, en dat is – en vergis je daar niet in – de kracht der krachten.’ (p. 216).

Het laatste deel van de roman poogt dan een ‘niet-gereflecteerde wereld van mensen en dingen’ (p. 231) te laten zien. Oliver Orme wordt niet de kern, ook niet de rand maar wel het medium en niets dan het medium, hij is een doorgeefluik, iets dat een instrument is (233). Een afgevaardigde van een wereld. De uiteindelijke les is die van nederigheid: het ik is niets, het vergaat maar geeft door. Het is de meme van Dawkins. En het is die erfenis, die hij krijgt via Rilke, die Orme terug mens maakt en zijn helletocht laat beëindigen: het gaat over de onzichtbare wereld – niet die van de dingen. Uit de negende elegie (‚Die neunte Elegie‘) van Rilke (Duineser Elegien):

Erde, ist es nicht dies, was du willst: unsichtbar
in uns erstehn? – Ist es dein Traum nicht,
einmal unsichtbar zu sein? – Erde! unsichtbar!

Er is de droom van Orme: hij is een slang die de wereld inslikt en stikt (252). Verklaar dit maar. Och, hier: laat de dingen zijn wat ze zijn. Laat de dingen gaan. En dus betekent het dat de wereld onaf is, onafgewerkt en dat ook de mens dat is – zijn tekortkomingen zijn er onontkoombaar. En daarmee is ook deze roman van Banville een modernistisch werkstuk: ‘Want wat zou voltooiing inhouden? Er is altijd nog iets, een volgende stap om je aan te wagen, een volgend woord om te uiten, nog een penseelstreek die moet worden aangebracht.’ (276).

De belangrijke pagina 263:

–          Er bestaat niet zoiets als een ik
–          Er bestaan slechts houdingen
–          Het ik wordt daardoor vermenigvuldigd
–          Dat in vele werelden geplaatst kan worden
–          Waar het ik heerst als een god, een Proteus
–          En daardoor is de mens als kwikzilver
–          Die niet beschuldigd kan worden en niet moet bekennen
–          Ha!

De blauwe gitaar is geen psychologische of relationele roman maar is een intellectuele zoektocht naar de positie van de mens in de 21ste eeuw. De multiperspectivische houding is niet de oplossing, het monistisch denken ook niet. We zitten in de val. ‘Ze noemden me kil omdat ze te stompzinnig waren om de hitte te voelen.’ (p. 250)

Er zijn veel expliciete verwijzingen die een universum, nee, die verschillende werelden oproepen (‘universum’ kent geen meervoud in het Nederlands) (er zijn ook impliciete verwijzingen naar bijvoorbeeld de klassieke cultuur, zie bijvoorbeeld p. 89-90 waar o.a. Prometheus verbeeld wordt, niet toevallig natuurlijk want stal Prometheus niet het vuur van de goden en vestigde hij daarmee niet de menselijke cultuur? Of op p. 97 : Prospero van Shakespeare. Of op p. 102: de verveling van Pascal. Of Rimbaud en Gauguin op p. 134. Of Samuel Beckett: ‘Gone for bad.’ op p. 224; of Immanuel Kant op p. 294 waar Banville in enkele regels verwijst naar de drie Kritiken). Ik som ze op: Dürer (p. 12), Grünewald (p. 12), Manet (p. 16 en 17), Tiepolo (p. 17), Picasso, Matisse, Bonnard (p. 22), R.G. Collingwood (25), Mona Lisa (35), Caspar David Friedrich (41), Dylan Thomas (42), Orpheus (p. 43), Sandro Botticelli (La primavera) (45), Onan (49), Daumier, Courbet (53), Poussin (75 en 80), Matisse (80), Grimm (86), Bernini (De extase van de heilige Theresia) (p. 108), Oliver Cromwell (115), Pontormo, Bosch (127), Wallace Stevens (p. 133), Dürer (Melencolia) (146), Washington Irving (The Legend of Sleepy Hollow) (p. 163), Alfred Adler (p. 165), is de zin ‘Het levende wezen, stelt een van de filosofen, is slechts een ondersoort van de dood, en ook nog eens een zeldzame soort’ (p. 165) een citaat van Schopenhauer ?, The Rakes of Mallow (p. 169), El Greco (p. 170), Rilke (Duineser Elegien) (p. 174 + deel 3, bijv. p. 242), Fuseli (178), Shakespeare (Horatio in Hamlet) (181), Shakespeare (King Lear) (182, 185), Hans Arp (185), Manet (Olympia) (186), Lautrec, Sickert (186), Picasso (‘de juffrouwen uit Avignon’) (p. 194), Gavrilo Princip (197), Picasso (p. 202 – helaas bevestigt Banville hier het cliché, de onwaarheid, van Picasso als bruut tegenover de vrouwen: nogmaals: Dora Maar was slechts 1 vrouw en ze heeft zich als hysterische vrouw aan Picasso aangeboden (de handschoen, het bloed), de Nikè van Samothrake (230), Heliogabalus (Marcus Aurelius Antonius, de Romeinse keizer, bekend om zijn onduidelijk geslacht) (232), Lascaux (233), Caravaggio (Bacchus) (249), Rilke (p. 249 – onduidelijke verwijzing maar Orme leest een boek over Cézanne en vermits Rilke de grote bevruchter is in het laatste deel van de roman …), Cézanne (249), Fragonard (251), Vaublin (251 is een fictieve schilder die al eerder optrad in het werk van John Banville (Ghosts, Athena) en hier dus niet thuishoort), Franciscus van Assisi (254, ‘broeder ezel’), Willem van Ockham (264, het scheermes), Rossetti en Burne-Jones (268), John Tenniel (271), Manet (Le déjeuner sur l’herbe) (277), De Chirico (297), Shakespeare (Caliban uit The tempest) (306-307)

Och, en dan is er nog zo veel spel met Wallace Stevens, om maar enkele verwijzingen te noemen: de bleke Ramon (133), de zwarte vogels (Dertien wijzen om naar een merel te kijken) op p. 153 en 157. De vele verwijzingen naar het blauw van Poussin, de nachtblauwe rook (218), de blauwzwarte wolken (225), het hemelsblauw, het cyaan, het korenblauw (239), de pijnboom (The imagined pine, the imagined jay) (229), een maker of een sloper te zijn? (254), het tokkelen op de gitaar (277-278), ‘terwijl ik ernaast sta in mijn pierrotpak, terwijl ik weemoedig tokkel op mijn blauwe gitaar.’ (309) – een verwijzing naar Wallace Stevens, Pablo Picasso én Watteau.)

Beeld: Philip Guston

Advertenties