een blauwe gitaar (12)

door johan_velter

henri matisse

Door Picasso met Matisse te verwisselen en omgekeerd laat John Banville in zijn roman The blue guitar de identiteitskwestie spelen en daardoor is deze roman niet alleen een filosofisch werk maar ook een commentaar op de actualiteit. Een vaste, ronde identiteit is een illusie en dat zijn het nationalisme, provincialisme en citisme evenzeer. Onder het mom van een oude naam woekert het consumptiekapitalisme verder. Oliver Orme, de hoofdfiguur van de roman, spreekt op zeker moment over de ‘Godley-deeltjes’ die geen vaste plaats meer hebben en plots ergens verschijnen zonder een weg afgelegd te hebben. Verwijst Banville hiermee naar de ‘god particle’ die massa geeft aan de materie en die ook gekend is onder de naam Brout-Englert-Higgs-deeltje? – en dus anders beweegt. (Later in de roman blijkt dat een jeugdvriendje van Orme aan het ‘Godley Instituut voor Technologie’ studeerde, ‘die plek van technologische toverij’, en in die vriendschap toont Banville de tegenstelling tussen de oude kunst en de nieuwe wetenschap maar die vriend blijkt alles te weten van ‘het tegenwoordig beruchte Postulaat van Brahma’ (p. 293) – wat dan weer een raadsel oplevert want misschien wel meer esoterie dan wetenschap.) Hij betrekt de wetenschappelijke inzichten in zijn betoog om de relationele verbanden tussen de dingen te betwijfelen – en daardoor kan hij een beeld schetsen van de wereld als chaos – die toch een ordening kent. Maar anderzijds is daar wel het schuldgevoel dat een mens blijft achtervolgen – waar hij ook is, wat hij ook doet: er is dan wel een oorzakelijk verband maar … slechts vanuit dat ene perspectief. Wel draagt men dus de eigen spoken mee, maar die zijn niet de wereld. ‘Op een dag onderkende ik het probleem, zomaar, en niets zou ooit nog hetzelfde zijn. En wat was het probleem? Dit: dat daar buiten de wereld is en hier binnen het plaatje ervan, en dat tussen die twee de moordende bergspleet gaapt.’ (p. 41). Weer een illustratie van de poëzie van Wallace Stevens. Of op een andere plaats: ‘Ik ben misschien een wezen uit een van de vele universums waarvan ons wordt verzekerd dat ze bestaan, allemaal in elkaar genesteld, zoals de rokken van een oneindig grote ui, […].’ (p. 84). En natuurlijk bevestigen we hiermee het bestaan van die ene Tonnus Oosterhoff.

Wat is kunst? Het opnemen van de werkelijkheid in een stuk dat geen realiteit is (een spiegel). Een mislukking zou men kunnen zeggen omdat het reële een hogere bestaanswaarde heeft. Maar het is omgekeerd, het werkelijke wordt in de kunst getranscendeerd, op een hoger plan gebracht. En dat is ook de betekenis van het stelen: het ding krijgt een nieuw leven. Banville schetst een personage dat kunstenaar is, de materie alchemiseert maar tegelijkertijd de diepten van het gemoed en het weten aan het verkennen is – hij speelt met het contrast engel-duivel en met het begrip schoonheid. Niet langer gaat het om een verzekeringsdirecteur maar om het vuile doen zelf: dagdagelijks worstelen. En daar is weer die paradoxale toestand: ‘En had ik trouwens niet altijd niet de wereld zelf geschilderd, maar de wereld zoals mijn geest die me voorstelde? Een criticus heeft me eens tot leider benoemd van wat hij graag de School der Cerebralen noemde – als er al zo’n school was, dan had die maar één leerling […].’ (p. 53) : opvallend is dat er ook een scheiding tussen de geest en het ik beschreven wordt, wat in de bewustzijnsfilosofie inderdaad een gegeven is. De mens heeft de buitenwereld nodig want dáár is de blauwe gitaar. En juist dit is het probleem van Orme: hij is zodanig naar binnen gericht dat hij de werkelijkheid en dus de kunst verloren heeft (p. 62). Hij liegt om zich een nieuwe wereld te maken maar het liegen bedriegt zijn kunst (die ook een leugen is, want niet echt: wat een verfoeilijke, kleinburgerlijk-domme opmerking is). ‘Zie je dat voor mij alles altijd op iets anders lijkt? Ik ben ervan overtuigd dat dit voor een deel verklaart waarom ik niet meer kan schilderen, dit de hele tijd dingen van plaats laten wisselen.’ (p. 64).

Dit is de problematiek van Wallace Stevens: de dingen de dingen laten zijn en wat ook een kritiek op de metaforische taal is – als alles anders begrepen moet worden, is er geen begrijpen meer – het grote probleem van godsdiensten die zich willen ‘moderniseren’. Het is in het ouderlijke huis dat de wereld terug in het bezit van Orme kan komen (en let wel: de wereld is er maar vanuit de persoon zelf gezien: er bestaan op elk moment dus verschillende werelden), en het is juist die aandacht voor de wereld die de schilder verlamt: de tirannie der dingen. Als schilder zocht hij de kern der dingen maar hij besefte naarmate de crisis verdiepte dat er niet zoiets als een kern was (de begoocheling maakte hem het schilderen mogelijk – wat hier stevensiaans als ritueel begrepen moet worden): ‘[…] ik erkende en accepteerde wat me een eenvoudige en vanzelfsprekende waarheid toescheen, namelijk dat er niet zoiets was als het ding in zichzelf, alleen de uitwerking van dingen, de zich voortplantende wenteling van verbanden. […] Geen dingen in zichzelf, alleen de effecten ervan!’ (p. 77). Maar die dingen, effecten, zijn niet te schilderen, dus diepere crisis. Abstract schilderen is natuurlijk geen oplossing omdat dit slechts een truc van de geest is. En dus om tot de kern te komen moeten de oppervlakkigheden geschilderd worden en dat ‘in die oppervlakte de essentie huist’ (p. 77). Dus moet de wereld in haar geheel aangepakt worden. Schilderen was voor Orme in bezit nemen, veroveren, zoals ook het stelen dat was. Maar bestaat die wereld, is er niet zoiets als een bedriegende verbeelding aan het werk en bestaat er niets anders dan een bewustzijn? En dus verzint Orme van alles, verbindt hij het ene met het andere, combineert hij dingen tot niet-bestaande zaken – juist omdat de wereld de wereld niet is en hij een nieuwe wereld kan construeren – wat dan weer het thema van John Banville zelf is – en tegelijkertijd daagt Orme ons uit met een uitspraak als ‘merk je op hoe ik de feiten in mijn vingers heb?’ – wat hij beweert n.a.v. een beschrijving van een werk van Matisse waarop een zeppelin te zien zou zijn (een zeppelin overigens die ook al in Doctor Copernicus een kleine rol speelde) maar die niet te zien is. ‘Als het op onderwerpen aankomt, wat is dan het verschil tussen een klein luchtschip en een gitaar? Ieder oud object volstaat, en hoe amorfer de vorm, hoe meer de verbeeldingskracht aan het werk wordt gezet.’ (p. 81). Niet alleen de wereld ook de kunst moet verbeeld worden en opgezogen in dat ene subject dat de wereld is als chaos. En ook nog verder in deze roman, p. 192: een ding om zich over te verwonderen.

Onder het mom van realistische romans (zelfs historische romans) schrijft Banville boeken die het realisme ontkennen en die een lofzang zijn op de verbeelding en de kunst.

De tweespalt van  Oliver Orme is ook terug te brengen op de problematiek van de handelende tegenover de contemplatieve mens. De onbehouwenheid, het hooliganisme tegenover de stilte van de mijmering. ‘Ik had me moeten wijden aan mijn werk, in plaats van rond te hangen met types als de meisjes van Buster Hogan. Il faut travailler, toujours travailler. […] Ja, ik werkte, ik werkte. […] Maar wat is er met me gebeurd, waar ben ik mezelf kwijtgeraakt?’ Ha, een Frans citaat naar Tsjechov, Richard kan huilen van het lachen.

Advertenties