een blauwe gitaar (10)

door johan_velter

de zwarte engel

De stijl van John Banville is een omfloerst schrijven, een zacht benaderen, geen confronterende aanval maar een menselijke handeling. Hij gaat als het ware rond ‘het ding’ en benadert het van verschillende zijden, niet om het te dissecteren maar om het te analyseren en te begrijpen. De omcirkelende beweging is een manier van denken waar niet dé waarheid in het centrum staat maar wel het ding zelf. Er is altijd een derde aanwezig; tussen object en subject is er een intermediaire engel die zowel de agressie van het object als die van het subject mildert, tegenhoudt. John Banville in Doctor Copernicus, we horen op de achtergrond Wallace Stevens goedkeurend hummen: ‘Zelfs nu was het eigenlijk niet Andreas met wie hij medelijden had, maar het medelijden zelf. Dat leek iets te betekenen. Tussen object en emotie moest er voor hem altijd een derde iets bestaan, als tussenschakel. Ja, dat betekende iets. Hij wist niet wat. En toen vervloog het allemaal weer, die paradoxale fragmenten van bijna-inzicht, en hij was weer terug in het knekelhuis.’ (p. 136). Zoals Banville de broer Andreas beschrijft, als een omweg om Copernicus te begrijpen.

De poëzie van Wallace Stevens is een ascetische: ze verhaalt niet over wat te bereiken is op materieel of wereldlijk vlak, ze gaat ook niet over de te bereiken meisjes en gevoelens (vandaar de hedendaagse impopulariteit van poëzie: wie een gedicht leest, is een rebel, want hij gaat in tegen de tijdgeest die wil hébben, vernietigen en veroveren). Deze poëzie wil een scheiding maken tussen wat nodig is en wat overbodig is. Die ascetisch-religieuze poëzie is uiteraard gegrondvest in de klassieke filosofie die in tegenstelling tot de latere katholieke tirannie niet noodzakelijk een levensverachtende filosofie verkondigde (en het huidige economische managementdenken is een vervolg op dat theocratisch-autoritair denken) : je kunt perfect stellen dat een leven van carrière-maken een mineur leven is en tegelijkertijd een openbaar leven leiden – er moet immers min of meer autarkisch geleefd worden. De grootheid van het individualistische denken wordt bereikt wanneer dat ik van het psychologische ik losgekoppeld wordt. ‘Het was alleen dat hij in deze grijze stenen toren, deze minste plek, een beeld van zijn diepste ik had waargenomen waarop meubilair, bezit en comfort alleen maar een vertroebelende uitwerking zouden hebben. Hij was nu uit op het ding zelf, het onopgesmukte ding, het onaandoenlijke ding.’ (p. 147). Stoa.

De tekortkomingen van het denken. Er zijn de dingen, er is een subject dat denkt, er zijn relaties, verklaringen, mogelijkheden. Jubel, triomf. Maar zijn de woorden dingen geworden? Is een theorie een verklaring? Wat brengt een beschrijving nader? Wat is kennis? Deze vragen gelden niet enkel voor de wetenschap maar ook voor godsdienstige, religieuze of levensvisies: men kan wel een houding aannemen, opleggen of propageren maar het is en blijft een houding, niet noodzakelijk een opvullen van de scheiding, laat staan het opzeggen ervan. Daarachter: het niet-weten dat als een lachende derde achter en boven ons staat: ‘De mis, de transsubstantiatie, de vergeving van zonden en de maagdelijke geboorte -, de sterke waarheid van dat alles trok hij geen moment in twijfel, maar daarachter, achter het ritueel, lag voor hem nu slechts een witte leegte die overal en alles en eeuwig was.’ (p. 153). Bewijzen eisen, een mindere vorm van denken, iets voor de meute (p. 158).

Deze leegte is waarover Wallace Stevens spreekt en die hij in zijn poëzie leeg laat, dit wil zeggen toelaat: er is bij hem geen poging die te overstemmen maar zijn poëzie tracht die in het leven te incorporeren om het leven waardevoller te maken. Dit gebeurt niet door zichzelf leeg te maken maar door met een vol bewustzijn de leegte te begrijpen – die echter géén mallarmése leegte is. Deze leegte is niet dood of stuurs maar levendig, er zijn geluiden, er is beweging en vreugde. Banville en Stevens stellen de twee leegtes tegenover elkaar: ‘een praatzieke stilte’ (p. 154); ‘slechts een doffe stuurse stilte, alsof de kern der dingen was afgestorven, versteend.’ (p. 155); ‘steelse stilte’ (p. 157). Wallace Stevens: ‘silence of a rat come out to see’ (The plain sense of things).

Bij Banville is er een zuiverheid van denken dat verdedigd moet worden – net zoals Wallace Stevens dat deed – maar dat in de loop van het verhaal verandert: de hardheid van het denken moet verzacht worden door de vuilnis van het leven. ‘Hij diende zich krachtig van die wereld af te schermen om te voorkomen dat ze zijn  visie zou vertroebelen en dat haar alles doordringende en misschien ook wel hardnekkige vuil zich in de windingen van zijn gedachten zou dringen en aardse smetten op de superieure zuiverheid van zijn theorie over de hemelen zou werpen.’ (p. 171). Er komt ook twijfel over de abstracte begrippen én over de verbeelding – die gevaren opleveren (net zoals ook Wallace Stevens niet het ene tegenover het andere verheerlijkte maar streefde naar een evenwicht). De machthebber neemt Copernicus onder zijn hoede en maakt zich meester van het denken om er een onderdrukkingsmechaniek van te maken: ‘U en ik, mein Freund, wij zijn de heren van de aarde, de groten, de prominenten, onze verbeelding neemt een hoge vlucht.’ (p. 179). (Ziet ook u de borst van Ferdinand Huts zwellen en ziet u ook hoe de tong van Sven Gatz zwetend uit zijn mond hangt?) En even verder wordt de oorlog verheerlijkt: het kijken naar omhoog, terwijl het volk steeds naar de grond kijkt. Wanneer het zuivere denken met de macht in aanraking komt, is de vernietigingsmachine in gang gezet. Niet de denker, niet de kunstenaar echter.

(Een van die onzinnige connotaties: de man van Frau Schilling, de latere huismeesteres van Copernicus, is kleermaker geweest, ‘a shearsman’. (p. 184))

Op het einde van deel 2, Magister Ludi, komt de smerige wereld tevoorschijn, de dubbelzinnigheid van de tussenwezens (het intermediaire, en ook de regen behoort daartoe (p. 208)) en de dagdagelijkse realiteit: hoe de minvermogenden de wereld vernietigen in naam van cultuur en kennis: ‘Ik ben bang, Tiedemann, bang voor wat de wereld met me zal uithalen wat ze nog niet met me heeft uitgevoerd: de smerige wereld die me niet met rust laat, die me constant achtervolgt, als een zwart monster dar zijn toegetakelde vleugels achter zich aan sleept. Ach Tiedemann …’ (p. 201).

Deel drie, Cantus mundi, is het definitieve afscheid van Copernicus aan ‘de waarheid’ (dit is de wereldse waarheid) en de aanvaarding van het dubbele. Banville (Copernicus, Stevens) wil spreken over de dingen zelf zonder de intermediair van theorie, macht – de dingen zelf laten spreken – ook Francis Ponge heeft dit project op zijn manier verdergezet. Dat derde deel is ook zelf weer een formele perspectiefwisseling: de bewonderaar van Copernicus, Georg Joachim von Lauchen of Rheticus, is nu aan het woord, iemand die zich gedraagt als The comedian as the letter C, dit wordt niet, dit is een farce. (Het deel begint op een zelfbewuste manier: ‘Ik’, net zoals The blue guitar begint met een zelfbewuste frase: het ik openbaart zich – om nadien uiteen te vallen en weer bij elkaar gesprokkeld te worden.) Nu wordt het groen weer werkelijker, de kleur van Venus (p. 223). Er is een aanvaarding gaande: ‘De hemel zal altijd blauw blijven, en de aarde zal altijd in de lente tot bloei komen, en deze planeet zal altijd het middelpunt vormen van alles wat wij kennen.’ (p. 231 en bijna woordelijk herhaald op p. 280): weer een metamorfose en een standpuntverandering: denkend vanuit het systeem is anders dan denkend vanuit het ik. Is de waarheid objectief of subjectief? Ziehier het bewijs van de cartesiaanse genialiteit.

Door deze ver-kering wordt Copernicus nu zelf een ding, een te bekijken object en wordt het subject verlegd van Copernicus-de schrijver naar een derde. ‘Het was niet meer het beeld van hem waarmee ik uit Wittenberg was gekomen, maar Copernicus zelf, als begrip, zijn ware wezen: een kil, schitterend voorwerp als een diamant (niet nét zoals een diamant, maar ik heb haast), nu tegelijk sterk vertrouwd en toch nog onaantastbaar.’ (p. 218). ‘Copernicus geloofde niet in de waarheid.’ (p. 212 en 226). Rheticus beschrijft hoe Copernicus niet het ding zelf benaderde maar de rituelen liet spreken (dus de woorden).

De waarheid is een voorbijgaande wind waarop we niet de hand kunnen leggen. ‘Dit was zo’n diepgaande erkenning dat haar volledige betekenis me op dat moment ontging; ik voelde bij wijze van spreken alleen haar zwarte borstelige vleugel in het voorbijgaan langs mijn wang strijken.’ (p. 239): de engel der aardsheid van Wallace Stevens. Nadeel van dit denken is dat er achter de fenomenen steeds iets anders moet schuilen – wat uiteraard niet zo is.

Wel is het dat boeken met elkaar verweven zin, binnen een oeuvre, tussen oeuvres. John Banville beschrijft in Doctor Copernicus al wat hij zal uitwerken in The blue guitar: de schaduw waaruit Oliver Orme zal uitgroeien: ‘Wat me aan deze uitbarsting verraste was minder de razernij dan de voor mij zichtbare angst die achter zijn getier schuilging: […].’ (p. 260).

Rheticus tracht tot Copernicus te komen, zoals Copernicus tot het heelal trachtte te komen – en nadien verzaakte. Maar niet het heelal of de verklaring is het belangrijke, wel de methode, de weg, het denken dat niet in staat is de kloof tussen ginder en hier te slechten en wat het enige is: de levensweg die gegaan moet worden. ‘Mijn boek is geen wetenschap – het is een droom. Ik weet niet eens of wetenschap wel mogelijk is.’ (p. 265). Om mens te zijn moet men juist de grootheid van het andere erkennen én buiten ons laten bestaan. Rheticus antwoordt Copernicus (met een direct citaat uit Notes toward a supreme fiction van Wallace Stevens): ‘De dood van één god is de dood van alle goden’ – vernietig één concept en de metafysica bestaat niet langer. Dit citaat komt uit het gedicht It must be abstract en daarvan het eerste deel. De laatste zinnen ervan luiden:

There is a project for the sun. The sun
Must bear no name, gold flourisher, but be
In the difficulty of what it is to be.

Het is dus duidelijk dat John Banville op een superieure manier met de cultuurtraditie omgaat en dat het hier niet louter om een citeerkunst gaat maar om een werkelijk verderdenken.

Het gaat ook niet om een louter denkspel: zijn de woorden betekenis, zijn de woorden de dingen zelf maar wel om ‘het redden van de verschijnselen’ (p. 277): zonder betekenis, zonder bewustzijn is er geen wereld. Is het genoeg te stellen dat de wereld chaos is of moet er gezocht worden naar ‘the method in the madness’?

Het laatste deel, de dood van Copernicus – en bij elke doodsstrijd denken wij aan Tolstoj en Broch. Nu worden de hallucinaties echt, de vroegere leefgenoten, de afgestorvenen zijn  daar terug. ‘Aanvankelijk herkende hij ze als hallucinaties, maar toen besefte hij dat het dieper ging: ze waren heel echt, zo echt als iets maar zijn kan wat niet jijzelf bent, iets wat bij de buitenkant behoort, want had hij niet altijd geloofd dat anderen niet gekend maar bedacht zijn, dat de wereld alleen uit jou zelf bestaat, terwijl alle andere dingen per definitie hersenschimmen zijn? (p. 289). ‘De god sprak: Hier nu is datgene wat je zocht, dat iets wat zichzelf is en niets anders. Aanvaard je het?’ (p. 291). In de dood, in de waarheid. Zo te kunnen sterven. Zo te zullen sterven.

Op zijn sterfbed komt Andreas Niklas Copernicus bezoeken en vanuit zijn levensverlangen wordt de waarheid zichtbaar gemaakt: ‘Wat telt is de manier waarop je iets weet. We kennen de betekenis van een afzonderlijk iets alleen zolang we ermee volstaan het tussen andere betekenissen te kennen : isoleer het, en alle betekenis vloeit weg. Niet dat ene ding is belangrijk, begrijp je, maar juist de wisselwerking tussen de dingen; en, natuurlijk, hun naam …’ (p. 302). De dingen moeten aangetoond worden door ze te aanvaarden. Banville heeft in zijn roman de verzoening tussen nominalisme en realisme tot stand gebracht. Maar dat betekent niet dat het tegengestelde geen waarde of waarheid bezit: de broer is voor Niklas Copernicus de noodzakelijke engel geweest. ‘Ik was het enige echt noodzakelijke, want ik ben er altijd geweest om je te herinneren waaraan je moest ontsnappen. Ik was de gespannen boog waaruit je jezelf voorbij de smerige wereld schoot.’ (p. 304).

Advertenties