een blauwe gitaar (9)

door johan_velter

marsilio ficino

De tweespalt tussen leven en leven: het actieve, openbare leven en het actieve, innerlijke leven dat bij Wallace Stevens zo duidelijk het grote thema is (en tegelijkertijd dat van het modernisme: de tweespalt, de twijfel tussen een aanvaarding of een afwijzing van het moderne, economische leven; de rol van het humane), zo is dat ook in Doctor Copernicus van John Banville. Bij beide schrijvers is er echter geen sprake van een duidelijke oppositie, een tegenstelling tussen goed en kwaad: de tendensen zijn in elkaar verstrengeld: ‘Hij geloofde inderdaad in handelend optreden, in de absolute noodzakelijkheid van handelend optreden. Toch werd hij door handelend optreden afgeschrikt omdat het onvermijdelijk op geweld uitliep. Niets was stabiel […]. In de aanwezigheid van het afzichtelijke stortte het ritueel altijd in.’ (p. 45). Het rituele staat voor de voorlopige waarheid en handelen van Wallace Stevens en wat in een seculiere opvatting het morele fictionalisme genoemd wordt. Tegenover de helderheid van het denken en dus de waarheid, staat de zwakte van het ritueel, dat zich ook vertaalt als leugen, gewoonte, traditie, mythen, antwoorden – men zegt ‘mensen hebben dat nodig’. Dit is wat in de hoogste mate pater Lenaers doet: ‘het katholicisme is natuurlijk onzin maar dat staat los van het geloof in het katholicisme’ – ik versimpel zijn stelling ietwat.

John Banville volgt ook de kleuren’theorie’ van Stevens. Het groen staat voor het leven, de aarde tegenover de abstractie van de hemel en het denken. Pagina 51: ‘Niklas draaide zich om en ving al draaiend in de hoek van een overhellende spiegel waarop het zonlicht in vlammen weerkaatste een groene glimp op, nog eens die glimlach, dat meisje! Meteen wist hij dat ze een symbool van licht en van ongrijpbare bevalligheid was, een talisman waarvan hij het beeld misschien kon inzetten tegen de kwaadaardige chaos van deze rommelige middag.’ (Maar ook p. 57 e.a.  – waar ‘het wicht’ door haar vader gek genoemd wordt.) In de spiegel worden zon en aarde met elkaar verbonden.

Net zoals bij Stevens onderzoekt Banville de relatie tussen de mens en de dingen. Hoe moeten we die begrijpen: is de beschrijving realiteit, dan gaat er een waarheidsconcept uit van de dingen zelf; is de beschrijving niet realistisch, dan is het beschrevene (‘slechts’) een perspectivische visie van de waarnemer. ‘De astronomie beschrijft het heelal niet zoals het is, maar slechts zoals wij het waarnemen. De theorie die  een verklaring geeft voor onze waarnemingen is dan ook correct.’ (p. 54). En: ‘Nee nee, magister : ik geloof niet in namen, maar in dingen.’ (p. 55) – waarbij het onbelangrijk is wie wat zegt omdat het gaat om een intellectueel kader.

John Banville beschrijft een broederpaar: Niklas, de denker en Andreas, zijn broer, hij die geniet en leeft. Op het einde van het boek is er een toenadering van Niklas (Andreas is vroeg gestorven, ten onder gegaan aan de gevolgen van syfilis) tot die premisses van dat andere leven maar toch verloochent Banville zijn opvattingen niet – hij aanvaardt wel dat er andere manieren van leven zijn – en dat is dat de ervaringen minder belangrijk dan het denken zijn. Dit hangt ook samen met de stevensiaanse symboliek waar de zon voor het denken staat en de maan voor het dorre leven. Copernicus brengt de zon in het centrum van ons heelal en verbant de maan met de aarde naar een mindere plaats.

De verbanden tussen het oeuvre van Wallace Stevens en John Banville zijn velerlei maar dit kan ook leiden naar onzinnige relaties: wat in het oog van de lezer terechtkomt, is niet altijd zo door de schrijver bedoeld en niet alles is terug te brengen. Maar toch: als de auteur zo veel mogelikkheden geeft, waarom zouden we die afwijzen? Als Banville over een lierspeler schrijft, kunnen we niet anders dan denken aan de gitaarspeler van Stevens (en dus ook aan Orpheus en aan David): ‘[…] een uitzinnig en uitgeteerd vreemd persoon met een lier. Hij leek de onfortuinlijke hoeder van onverdraaglijke kennis, een ziener die gebukt gaat onder gruwelijke geheimen. Hij bleef geduldig staan, met zijn schimmige blik op een soort innerlijk droombeeld gericht, […].’ (p. 77). ‘Hebt u die muziek niet herkend? Het was een orfische hymne aan de zon.’ (p. 78).

Tegenover de wereld stelt Copernicus de wiskunde, als enige wereld. Dit is de wereld van Wallace Stevens – maar ook die van Thomas Bernhard: beide schrijvers zien in de abstracte wereld een betere wereld, zonder daarom de aardse af te zweren, monnik te worden, zichzelf te geselen; Dava Sobel’s boek over Copernicus is niet voor niets A more perfect heaven: how Copernicus revolutionized the cosmos (Walker & Company, 2011) getiteld – de wiskundige wereld is een betere hemel dan die van de onuitstaanbare god.

De broer van Copernicus wordt in Banville’s boek als een engel beschreven, uiteraard is dit The necessary angel van Wallace Stevens, wat reeds een aanduiding is van de noodzakelijkheid van beide of vele tendensen. De engel maakt een Werdegang, een leven: van schitterend licht naar het dode zwart. ‘Niklas moest hulpeloos aanzien hoe het leven van zijn broer op drift raakte; het was alsof hij er getuige van was dat een ooit illustere, heerlijk stralende engel een verschrikkelijke, langzame val in de diepten maakte.’ (p. 87). Het is de engel waardoor de wereld anders gezien kan worden – inderdaad en alweer: de kubistische blik – wat nogmaals aantoont dat het kubisme niet vernietigt maar opnieuw samenstelt, opnieuw kijkt en nu ziet. (Strikt genomen was dit ook niet de exclusiviteit van het kubisme: schilders hebben binnen één schilderij altijd al verschillende perspectieflijnen toegepast.)

De drie directieven van Wallace Stevens: het moet abstract zijn, het moet verandering brengen en het moet plezier geven, worden door John Banville in de copernicaanse revolutie gelegd. ‘Een nieuw begin dus, een nieuwe wetenschap, een die objectief zou zijn, onbevooroordeeld en bovenal eerlijk, een bundel kaal en koud licht die onverschrokken was gericht op de wereld zoals zij is en niet zoals de mensen haar zich wensten, omdat ze gerustgesteld wilden worden of naar wiskundig evenwicht verlangden, of wat dan ook: daar was hij op uit.’ (p. 113). ‘[…] een unieke wonderbaarlijke activiteit’ (p. 114-115) ; ‘Ze was zo eenvoudig, zo verrukkelijk eenvoudig, […].’ (p. 115) ; ‘Hij bekeek zijn oplossingen van alle kanten en bewonderde haar alsof hij een vlekkeloos en beeldschoon juweel in zijn vingers omdraaide. Het was het ding zelf, het levende ding.’ (p. 116). Deze citaten komen alle uit het einde van deel I. Opvallend is hoe ook Banville het denken, de theorie, als het ‘echte’ ding ziet: wetenschap en poëzie zijn één.

De grapjes die enkel de kenners kunnen begrijpen. ‘Er leek een wezenlijk verband te ontbreken. Het heelal van dansende planeten was daar, en hij was hier, en tussen deze beide sferen kon niet worden bemiddeld met louter woorden en getallen. Zoiets was al eens eerder door iemand gezegd: wie was dat, en wanneer? Wat deed het ertoe!’ (p. 126).

Zoals Descartes (maar anders), zoals Wallace Stevens (bijna gelijk), zoals James Ensor (maar weer anders): ‘En zo werd hij gedwee wat hem werd opgedragen. Maar het was slechts opnieuw een masker. Achter dat masker was hij datgene waarop geen naam of natie aanspraak kon maken. Hij was doctor Copernicus.’ (p. 127).

Advertenties